RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10393
geboren op [geboortedatum] ,
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiser op 31 maart 2026 met behulp van het IOM vrijwillig is teruggekeerd naar Turkije. Daarom heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep toekomt, moet zij beoordelen of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de bestuursrechter een beroep slechts inhoudelijk beoordelen als de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan.
4. Op 3 april 2026 heeft de minister de rechtbank medegedeeld dat eiser en zijn familie met behulp van het IOM op 31 maart 2026 vrijwillig zijn teruggekeerd naar Turkije. De minister heeft daarbij ook een door eiser ondertekende vertrekverklaring overhandigd waaruit volgt dat eiser ermee instemt dat alle lopende verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarom geen belang meer heeft bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Aangezien eiser vrijwillig uit Nederland is vertrokken met het IOM mag worden aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op internationale bescherming. Het beoordelen van de vraag of de asielaanvraag van eiser terecht is afgewezen dient dan ook geen doel meer.
5. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag, zodat het beroep niet-ontvankelijk is. Daarom wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden van eiser.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.