ECLI:NL:RBDHA:2026:27150

ECLI:NL:RBDHA:2026:27150

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer C/09/698932 / FA RK 26-1102
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bijdrage levensonderhoud staande huwelijk en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, IPR.

Uitspraak

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.M. Sett in Rotterdam (voorheen: mr. K.A. Boshouwers in Utrecht).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen in Den Haag.

Procedure

Op 8 april 2026 heeft bij deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel de onderhavige verzoeken als het verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening in het kader van artikel 822 Rv, bekend onder het zaaknummer C/09/695179. In die laatste zaak heeft de rechtbank een afzonderlijke beschikking gegeven.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:

Zowel van de zijde van de man als van de vrouw is een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.

Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:

Feiten

Verzoek en verweer

In de bodemprocedure

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

De man voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

In de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

De vrouw verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens de man met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift tot het treffen van de voorlopige voorzieningen in de echtscheidingsprocedure op 26 november 2026 te veroordelen om met een bedrag van € 13.038,00 (bruto), danwel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag per maand bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks wordt geïndexeerd.

Beoordeling

Aanvullende stukken

De man heeft bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw ingediende akte en stukken van 31 maart 2026 omdat de stukken minder dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend en daarmee de termijn voor indiening is overschreden. Daarnaast betreft het een dermate omvangrijk pakket aan stukken dat het volgens de man in strijd is met de goede procesorde om deze stukken te betrekken in de beoordeling.

De rechtbank zal de stukken wel betrekken in haar beoordeling. Tijdens de mondelinge behandeling van 8 april 2026 is namelijk gebleken dat de man voldoende in staat was om adequaat op de stukken te reageren en zijn ook een deel van de stukken uitgebreid besproken geweest. De man is daarnaast in de gelegenheid gesteld om op de overige overgelegde stukken te reageren. Dat heeft de man op 24 juli 2026 gedaan.

De vrouw heeft vervolgens op 10 augustus 2026 gereageerd in een nieuwe akte van uitlating. Aan de vrouw was alleen geen gelegenheid gegeven door de rechtbank om de akte in te dienen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan deze akte.

Bodemprocedure

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank dient eerst te beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud staande huwelijk. Het verzoek is gegrond op de artikelen 1:81 en 1:84 van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert dit verzoek zich als een verzoek inzake de onderhoudsverplichting staande huwelijk. De Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna: Alimentatieverordening) is op grond van artikel 1, lid 1 van toepassing.

Op grond van artikel 3, aanhef en onder a en b van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd, nu zowel de man als verweerder, als de vrouw als onderhoudsgerechtigde hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De rechtbank is derhalve bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Omdat sprake is van een onderhoudsverplichting tussen echtgenoten, wordt op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening het toepasselijke recht bepaald aan de hand van het Haags Alimentatieprotocol 2007 (HAP). Op grond van artikel 3 HAP is in beginsel het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zou dat Nederlands recht zijn.

De man heeft zich echter tegen toepassing van artikel 3 HAP verzet. Nu artikel 5 HAP ook van toepassing is op onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten gedurende een nog niet ontbonden huwelijk, dient de rechtbank te beoordelen of het recht van een andere staat nauwer met het huwelijk van partijen is verbonden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit, zij zijn in Frankrijk gehuwd en hebben daar Franse huwelijkse voorwaarden gemaakt en hun voorlaatste gewone verblijfplaats was in Frankrijk. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken naar het oordeel van de rechtbank dat het huwelijk nauwer met Frankrijk dan met Nederland is verbonden.

De uitzondering van artikel 5 HAP is daarom van toepassing. Op het verzoek van de vrouw is daarom Frans recht van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Na de mondelinge behandeling van 8 april 2026 heeft de man namelijk de rechtbank bericht dat hij op 3 april 2026 op de hoogte is gesteld dat de vrouw in Frankrijk een echtscheidingsprocedure aanhangig heeft gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens aan partijen gevraagd wat dit betekent voor onderhavige procedure. De vrouw heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het aanhangig maken van de Franse echtscheiding geen invloed heeft op onderhavige procedure. De man stelt dat door de Franse echtscheiding de voorwaarde van het verzoek van de vrouw niet is vervuld en de verzoeken van de vrouwen daarom moeten worden afgewezen.

De rechtbank volgt de man in zijn standpunt en overweegt daartoe het volgende. De vrouw heeft verzocht om een bijdrage in haar levensonderhoud, voor zover de vrouw geen aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op basis van voorlopige voorzieningen in het kader van een aanhangige echtscheidingsprocedure. Uit het bericht van de Tribunal Judiciaire de Lyon van 3 april 2026 blijkt onder het kopje “PARTIE 3 MESURES PROVISOIRES” dat de vrouw op grond van de artikelen 254 en 255 Code Civil gedurende de echtscheidingsprocedure een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud heeft verzocht. Doordat de vrouw in de Franse procedure aanspraak maakt op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op basis van voorlopige voorzieningen is de voorwaarde bij het verzoek in deze procedure dus niet vervuld. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Voorlopige voorzieningen hebben het karakter van een ordemaatregel en worden daarom in beginsel beheerst door de lex fori, oftewel het recht van de rechter die de zaak beoordeelt. Om die reden is Nederlands recht van toepassing en valt de voorlopige voorziening buiten het materiële toepassingsgebied van het Alimentatieverordening en het HAP.

Inhoudelijke beoordeling

Omdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als waarin in de voorlopige voorzieningenprocedure om is verzocht, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

Proceskosten

De vrouw heeft verzocht om een proceskosten veroordeling van € 5.880,- nu de man geen volledig inzicht in zijn vermogenspositie en de hieruit te genereren inkomsten heeft gegeven. In een familierechtelijke aangelegenheden geldt als hoofdregel dat de proceskosten worden gecompenseerd. Anders kan dat zijn als sprake is van misbruik van recht of nodeloos procederen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing in de voorlopige voorziening en de bodemprocedure

De rechtbank:

*

wijst de verzoeken van de vrouw af;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Perniciaro

Griffier

  • mr. T.D. Somer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand