ECLI:NL:RBDHA:2026:27209

ECLI:NL:RBDHA:2026:27209

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer NL26.49609
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

AMbV; Duitsland; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.49609

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

Procesverloop

Eiser heeft op 7 augustus 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt dat hij is geboren op [datum] 2002 en dat hij de Iraakse nationaliteit heeft.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Duitsland. Daarom heeft Nederland aan Duitsland op 17 augustus 2026 een kennisgeving van terugname verstuurd. Duitsland heeft de kennisgeving op 19 augustus 2026 bevestigd. De minister heeft daarom besloten de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen, en eiser over te dragen aan Duitsland.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert, kort weergegeven, het volgende aan. Eiser had voorafgaand aan het bestreden besluit moeten worden gehoord. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen omdat er geen onderzoek aan ten grondslag heeft gelegen. Eiser heeft aangegeven dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest te worden vermoord of naar de gevangenis te moeten. Ook heeft hij gemeld dat hij medische problemen heeft. De minister was gehouden hier onderzoek naar te verrichten in het kader van de mogelijke toepassing van artikel 16, derde lid, van de AMBV omdat een gedwongen verwijdering naar Duitsland zou kunnen leiden tot een schending van artikel 4 Handvest of artikel 3 EVRM. In dit kader is ook van belang dat het voor de gemachtigde feitelijk onmogelijk is geweest om haar cliënt bij te staan, nu de minister op 11 augustus 2026 eiser heeft geïnformeerd dat hij mogelijk aan Duitsland zal worden overgedragen, terwijl zijn gemachtigde pas op 18 augustus 2026 in de middag toegang heeft gekregen tot eisers digitale dossier. Omdat de contactgegevens van eiser ontbraken was het voor de gemachtigde onmogelijk om met hem (op korte termijn) af te spreken en hem juridische bijstand te verlenen. Ook was er in de brief van 11 augustus 2026 geen termijn opgenomen voor een reactie. Al op 20 augustus 2026 volgde het bestreden besluit, waar de gemachtigde pas op 24 augustus 2026 via het digitale dossier toegang toe kreeg. Door deze werkwijze is eisers recht op een eerlijke procedure geschonden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In de AMBV staat de regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen in de Europese Unie. Op grond van de AMBV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

5. De minister mag in beginsel ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.

Inhoudelijke gronden

6. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV beoordeelt de rechter of er bij overdracht sprake is van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om, de overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.

7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bij overdracht aan Duitsland het geval zal zijn. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er immers van uitgaan dat Duitsland eisers asielaanvraag zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Eiser heeft geen documenten overgelegd of anderszins onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat hij bij overdracht aan Duitsland het risico loopt om gedood te worden of in de gevangenis te belanden. Indien eiser meent dat hij slecht wordt behandeld kan hij daarover bij de Duitse (hogere) autoriteiten zijn beklag doen. Er is geen reden om aan te nemen dat klagen voor eiser niet mogelijk of al bij voorbaat zinloos is dan wel dat de Duitse autoriteiten niet bereid zullen zijn hem te helpen. Eisers beroep op zijn medische klachten leidt zonder nadere onderbouwing evenmin tot het oordeel dat hij bij overdracht aan Duitsland risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. In Duitsland zijn vergelijkbare medische voorzieningen als in Nederland. Er was voor de minister geen verplichting om nader onderzoek uit te voeren.

Recht om gehoord te worden en recht op eerlijke procedure

8. Voor zover de procedurele gronden die eiser heeft aangevoerd passen binnen de beperkte reikwijdte van het beroep, onder verwijzing naar het risico op schending van artikel 4 van het Handvest, oordeelt de rechtbank als volgt.

9. De minister kon op grond van artikel 22, tweede lid, onder c, van de AMBV afzien van een persoonlijk onderhoud, nu op basis van de beschikbare informatie duidelijk was welke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek van eiser verantwoordelijk is.

10. Artikel 21 van de AMBV kent het recht om op doeltreffende wijze, volgens het nationale recht, gedurende de gehele procedure een juridisch adviseur te raadplegen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit recht in zijn geval is geschonden. Eiser is op 18 augustus 2026 geïnformeerd over de advocaat die aan zijn zaak is gekoppeld, en de contactgegevens zijn met hem gedeeld. Hij is er in die brief op gewezen dat het aan hem is om zo spoedig mogelijk met de advocaat contact op te nemen. Het feit dat de gemachtigde geen volledige contactgegevens van eiser heeft ontvangen, staat er niet aan in de weg dat eiser zelf contact zoekt met zijn advocaat. Het is immers in zijn belang om adequaat en volwaardig gebruik te maken van de mogelijkheid tot juridische bijstand. Uit artikel 21 van de AMBV volgt geen verplichting voor de minister om de besluitvorming aan te houden in afwachting van processtappen door eiser of zijn gemachtigde. Voor zover eiser met deze grond wil betogen dat hij door het ontbreken van tijdige rechtsbijstand relevante bezwaren tegen de overdracht niet naar voren heeft kunnen brengen, lag het op zijn weg om in beroep alsnog concreet te maken dat de overdracht aan Duitsland voor hem een reëel risico oplevert op een onmenselijke of vernederende behandeling. Zoals de rechtbank in overweging 7 heeft geoordeeld, heeft eiser dergelijke inhoudelijke omstandigheden niet aannemelijk gemaakt.

11. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser kan worden overgedragen aan Duitsland.

12. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 september 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.S. van der Velde

Griffier

  • mr. M. Gasi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand