RECHTBANK DEN HAAG
Verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1990,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Voorstel beantwoording
De rechtbank wil het Hof conform artikel 107, tweede lid, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie in overweging geven om de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.49371 en NL26.49369 Verwijzing
verzoeker,
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1995,
verzoekster,
mede namens hun minderjarige kind:
[naam kind] , geboren op [geboortedatum] 2025,
tezamen: verzoekers, allen de Libische nationaliteit,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
(gemachtigde: L. Verhaegh).
Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) , conform artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden?
II Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken?
III Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht?
Motivering van de spoedeisendheid (PPU) , conform het bepaalde in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Verzoekers betreffen een man, zijn echtgenote en hun baby van 11 maanden. Zij hebben de Libische nationaliteit en hebben een verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland. De Italiaanse autoriteiten hebben voorafgaand aan dit verzoek visa aan verzoekers verleend en hebben erkend vanwege deze visaverlening verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming. Verweerder heeft overdrachtsbesluiten vastgesteld. Verzoekers hebben een rechtsmiddel ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten en om opschortende werking verzocht.
De rechtbank moet in het hoofdgeding uitspraak doen op de opschortingsverzoeken en de beroepen tegen de overdrachtsbesluiten. De uitvoering van de overdrachtsbesluiten is opgeschort omdat verzoekers (tijdig) om opschortende werking hebben verzocht. De opschortende werking is niet door een beslissing van een rechterlijke instantie toegekend.
De prejudiciële verwijzing heeft betrekking op de geldigheid en uitlegging van bepalingen uit Verordening 2024/1351 en derhalve op bepalingen uit het Unierecht die behoren tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.
De rechtbank verzoekt het Hof om drie prejudiciële vragen te beantwoorden.
De eerste en tweede vraag hebben betrekking op de draagwijdte van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, het belang van het kind en de wijze waarop de rechtbank het belang van het kind bij de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten moet betrekken.
De derde vraag ziet op de verkregen opschortende werking en de gevolgen hiervan voor de aanvangsdatum van de overdrachtstermijn. De overdrachtstermijn bedraagt zes maanden en thans bestaat er geen bevoegdheid voor verweerder om deze termijn te verlengen.
De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of een beslissing van de rechtbank, waarin de opschortende werking is toegekend, is vereist om de ingangsdatum van de overdrachtstermijn te bepalen op het moment dat de rechtbank een definitieve beslissing neemt op het beroep tegen de overdrachtsbesluiten.
Het antwoord van het Hof op de derde vraag is doorslaggevend voor het bepalen van de aanvang van de overdrachtstermijn. Deze vraag is geen louter hypothetische vraag.
Indien het Hof deze vraag namelijk beantwoordt op de wijze zoals de rechtbank die voorstelt, betekent dit dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de verzoeken als de rechtbank niet binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van de overnameverzoeken uitspraak doet. De Italiaanse autoriteiten hebben het verzoek om overname ten aanzien van verzoekster op 6 augustus 2026 en ten aanzien van verzoeker en het kind van verzoekers op 10 augustus 2026 aanvaard.
Indien het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen, kan dit mogelijk betekenen dat het hoofdgeding door het enkele verstrijken van de overdrachtstermijn wordt beslecht doordat Nederland verantwoordelijk wordt, terwijl de Italiaanse autoriteiten hebben erkend om verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming.
Verzoekers hebben door het indienen van opschortingsverzoeken reeds bewerkstelligd dat zij door verweerder niet aan Italië kunnen worden overgedragen totdat de rechtbank op de opschortingsverzoeken beslist. De rechtbank is daartoe echter pas in staat als het Hof het Unierecht nader heeft verduidelijkt.
De rechtbank kan de opschortingsverzoeken niet in afwachting van het arrest van het Hof toewijzen met als doel het verstrijken van de overdrachtstermijn te voorkomen. Dit druist naar het oordeel van de rechtbank namelijk in tegen de ratio en strekking van het rechtsmiddel dat -uitsluitend- aan verzoekers toekomt.
De beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof heeft een rechtstreekse invloed op de uitkomst van het hoofdgeding en indien de rechtbank niet binnen een termijn van 6 maanden vanaf 6, respectievelijk 10 augustus 2026 uitspraak kan doen, kan dit bovendien leiden tot de beslechting van het hoofdgeding, zonder dat de overdrachtsbesluiten aan een rechterlijke controle zijn onderworpen. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het Hof om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure.
I Artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is niet geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden.
II Artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken.
III Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, dient aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3, door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend.
Procesverloop
Verzoekers zijn een gehuwde man en vrouw en hun baby die afkomstig zijn uit Tripoli, Libië, en de Libische nationaliteit hebben. De Italiaanse autoriteiten hebben aan verzoekers visa verleend die geldig waren van 8 juni 2026 tot en met 22 juli 2026. Verzoekers hebben Libië op 26 juni 2026 verlaten en zijn de Unie via Italië ingereisd en hebben op 7 juli 2026 een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend.
Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 4 augustus 2026 op grond van artikel 29, lid 2, van Verordening 2024/1351 verzocht om verzoekers over te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben het verzoek om overname ten aanzien van verzoekster op 6 augustus 2026 en ten aanzien van verzoeker en het kind van verzoekers op 10 augustus 2026 beantwoord en hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming.
Verweerder heeft op 24 augustus 2026 de verzoeken om internationale bescherming niet in behandeling genomen, maar overdrachtsbesluiten vastgesteld en daarin bepaald dat verzoekers aan Italië zullen worden overgedragen.
Verzoekers hebben op 26 augustus 2026 beroep ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten en daarnaast, tevens op 26 augustus, verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen om zodoende de uitvoering van de overdrachtsbesluiten op te schorten in afwachting van de uitkomst op hun beroep.
Verweerder heeft op 9 september 2026 een verweerschrift uitgebracht.
De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 10 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door mr. S. Oukil als waarnemer van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de beroepen en verzoeken heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Bij bericht van 18 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen medegedeeld dat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (hierna: Hof) te stellen.
Overwegingen
Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen
1. Verzoekers hebben op 7 juli 2026 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoekers hebben bij hun aanmelding paspoorten overgelegd die door de Libische autoriteiten zijn afgegeven en na documentonderzoek door de Koninklijke Marechaussee in Nederland echt zijn bevonden. De paspoorten van verzoekers bevatten visa die zijn verleend door de Italiaanse autoriteiten en die geldig waren van 8 juni 2026 tot en met 22 juli 2026.
2. Verweerder heeft op 4 augustus 2026 met verzoekers een persoonlijk onderhoud zoals bedoeld in artikel 22 van Verordening 2024/1351 gevoerd en vervolgens de Italiaanse autoriteiten om overname verzocht.
3. De Italiaanse autoriteiten hebben vanwege de verlening van visa aan verzoekers erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming van verzoekers. Verweerder heeft daarop overdrachtsbesluiten vastgesteld.
4. Verzoekers maken bezwaar tegen de overdracht aan Italië en hebben dit kenbaar gemaakt in hun persoonlijk onderhoud, in een schriftelijke reactie naar aanleiding van het persoonlijk onderhoud, de gronden van beroep en ter zitting. Verzoekers beroepen zich mede op het belang van het kind, dat volgens verzoekers aan de overdracht in de weg staat.
5. Verweerder heeft zich in de overdrachtsbesluiten op het standpunt gesteld dat Italië vanwege het verlenen van visa verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming die verzoekers in Nederland hebben ingediend. Volgens verweerder kan ten aanzien van Italië worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zodat hij verzoekers mag overdragen. Voor zover verzoekers na overdracht problemen zullen ervaren, dienen zij zich tot de Italiaanse autoriteiten te wenden om zich te beklagen. Verweerder acht verzoekers niet bijzonder kwetsbaar en acht het niet noodzakelijk om individuele garanties te vragen aan de Italiaanse autoriteiten om zo te verzekeren dat verzoekers adequate opvangvoorzieningen en zorg zullen ontvangen. Ten aanzien van het belang van het kind heeft verweerder in de besluiten gewezen op artikel 23, lid 1, en artikel 36, lid 2, van Verordening 2024/1351. Verweerder heeft in de overdrachtsbesluiten vermeld dat het in het belang van het minderjarige kind van verzoekers is om bij zijn ouders te blijven. In de overdrachtsbesluiten is tevens vermeld dat de situatie van het kind van verzoekers onder de verantwoordelijkheid van Italië valt en dat verzoekers geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat overdracht aan Italië niet in het belang van hun kind is.
6. De rechtbank overweegt dat de bezwaren van verzoekers tegen een overdracht aan Italië mede verband houden met het belang van hun kind, die ten tijde van het onderzoek ter zitting en deze verwijzingsuitspraak 11 maanden oud is. De Uniewetgever heeft in Verordening 2024/1351 meerdere bepalingen opgenomen die zien op minderjarigen. Ten aanzien van het rechtsmiddel lijkt de Uniewetgever te hebben beoogd dat de omvang van het rechtsmiddel aanzienlijk wordt beperkt ten aanzien van de mogelijkheid die verzoekers op grond van Verordening 604/2013 zouden hebben gehad om op te komen tegen het overdrachtsbesluit.
7. Het belang van het kind is een in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerd grondrecht. Dit grondrecht is niet absoluut. De vraag komt evenwel op of kan worden uitgesloten dat verzoekers zich beroepen op dit grondrecht indien zij gebruik maken van hun recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de overdrachtsbesluiten.
8. De vraag die in dit verband ook opkomt ziet op de verplichtingen die de rechtbank heeft op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, als zij de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit moet beoordelen en verweerder het belang van het kind niet heeft vastgesteld en ook niet heeft onderzocht of het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht. Verzoekers hebben op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op doeltreffende voorziening in rechte. In het hoofdgeding komt de vraag op of dit niet alleen betekent dat verzoekers door opschortingsverzoeken in te dienen moeten kunnen bewerkstelligen dat zij de uitkomst van de beslissing op hun eerste opschortingsverzoek en de uitkomst van hun beroep in Nederland mogen afwachten, maar of dit ook meebrengt dat de rechtbank, indien nodig ambtshalve, beoordeelt of de grondrechten van verzoekers op eerbiediging van hun familie- en gezinsleven en de rechten van het kind in acht zijn genomen bij de vaststelling van de overdrachtsbesluiten.
9. De rechtbank heeft partijen ter zitting gewezen op artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 en partijen de vraag voorgelegd of het belang van het kind ten grondslag kan worden gelegd aan het rechtsmiddel. De rechtbank heeft partijen tevens gevraagd of zij menen dat de rechtbank het belang van het kind zo mogelijk zelf moet vaststellen of moet laten vaststellen door deskundigen en vervolgens zich ambtshalve ervan moet vergewissen of het belang van het kind een eerste overweging is geweest bij de vaststelling van de overdrachtsbesluiten en het belang van het kind een eerste overweging bij de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten moet zijn. De rechtbank heeft hierbij opgemerkt dat verzoekers zich beroepen op het belang van het kind en verweerder zich op het standpunt stelt dat het belang van het kind voldoende is betrokken, maar dat geen van de partijen concreet heeft onderbouwd wat het belang van het kind van verzoekers is.
10. Verzoekers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het belang van het kind moet worden betrokken bij de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten en dat de rechtbank verplicht is om, in voorkomend geval uit eigen beweging, na te gaan of het belang van het kind op juiste wijze is onderzocht en betrokken in de onderhavige procedure. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank verplicht is om na te gaan of Verordening 2024/1351 op juiste wijze is toegepast. De rechtbank moet zich daarbij echter beperken tot wat door verzoekers is aangevoerd, aldus verweerder. Verweerder is verplicht om het belang van het kind een essentiële overweging te laten zijn, maar mag uitgaan van de vooronderstelling dat het in het belang van het kind is om bij zijn ouders te blijven. Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat indien het kind bij de ouders blijft, deze omstandigheid in beginsel volstaat om te voldoen aan de verplichting om het belang van het kind een essentiële overweging te laten zijn. Het is, aldus verweerder, aan verzoekers om aannemelijk te maken dat het belang van het kind aan de overdracht aan Italië in de weg staat. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat Verordening 2024/1351 geen mogelijkheid biedt om bezwaar te maken tegen het niet toepassen van de discretionaire clausule. Het belang van het kind kan daarom niet in de onderhavige procedure worden betrokken door aan te voeren dat verweerder van zijn bevoegdheid om de verzoeken om internationale bescherming onverplicht te behandelen gebruik had moeten maken.
11. De rechtbank zal uitspraak moeten doen op de verzoeken om voorlopige voorzieningen en het beroep. De rechtbank acht het noodzakelijk dat het Hof verduidelijkt of de rechtbank het belang van het kind moet betrekken bij haar beoordeling in het hoofdgeding. Artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 bepaalt uitdrukkelijk en concreet waartoe de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit is beperkt. De rechtbank stelt vast dat artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 niet bepaalt dat kan worden aangevoerd dat het belang van het kind geen eerste overweging bij de vaststelling van het overdrachtsbesluit heeft gevormd of dat het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht. Artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 bepaalt echter dat bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten vormt. Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen. De rechtbank vraagt zich af of het uitsluiten van het aanvoeren dat het belang van het kind niet (voldoende) in acht is genomen, verenigbaar is met deze bepalingen. Indien de rechterlijke controle en rechterlijke bescherming zich niet kunnen uitstrekken over deze verplichtingen van de autoriteiten, doet dit, naar het oordeel van de rechtbank, in aanzienlijke mate af aan de doeltreffendheid van het rechtsmiddel dat verzoekers hebben ingesteld. Tegelijkertijd kan artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 niet aldus worden uitgelegd dat het maken van beroep of bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht ook een beroep op het belang van het kind omvat. De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie daarom om te verduidelijken of de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel, in die zin dat geen beroep kan worden gedaan op het belang van het kind, geldig is en verzoekt het Hof van Justitie om nader te verduidelijken op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar verplichtingen die volgen uit artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
12. De rechtbank ziet zich ook voor de vraag gesteld of de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op de beroepen, indien de rechtbank deze uitspraak niet doet binnen zes maanden nadat de Italiaanse autoriteiten de verzoeken om overname hebben beantwoord en hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming en de rechtbank niet heeft beslist op de verzoeken om een voorlopige voorzieningen. De rechtbank vraagt zich af of uitsluitend door een rechterlijke instantie toegewezen opschortingsverzoeken meebrengen dat de overdrachtstermijn aanvangt na de uitspraak op beroep, of dat hiervoor volstaat dat tijdig is verzocht om opschorting en het indienen van de opschortingsverzoeken tot gevolg heeft gehad dat de uitvoering van de overdrachtsbesluiten moest worden opgeschort. Indien het Hof deze vraag aldus beantwoordt dat een toegewezen opschortingsverzoek is vereist binnen een termijn van zes maanden na de erkenning van de verantwoordelijkheid door de Italiaanse autoriteiten omdat anders Nederland verantwoordelijk wordt, en indien de rechtbank niet binnen deze termijn uitspraak kan doen als het Hof de vragen beantwoordt na ommekomst van deze zes maanden na de erkenning van de verantwoordelijkheid, komt het belang van de vragen van de rechtbank te vervallen omdat Nederland dan vanwege het tijdsverloop in het hoofdgeding verantwoordelijk zal zijn voor de inhoudelijke behandeling van de verzoeken om internationale bescherming. Dan zal immers de termijn waarbinnen verweerder verzoekers moet overdragen zijn verstreken.
13. De rechtbank stelt daarom de navolgende prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om deze vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) te behandelen:
I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden?
II Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken?
III Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht?
14. Toepasselijke bepalingen
Verdrag inzake de rechten van het Kind
Artikel 3
1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8 - Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
Artikel 13 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel
Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.
Verdrag betreffende de Europese Unie
Artikel 3
(…)
5. In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de Verenigde Naties.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Artikel 7- De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven
Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.
Artikel 24 – De rechten van het kind
(…)
2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging.
(…)
Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
(…)
Artikel 51 - Toepassingsgebied
1. De bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.
(…)
Artikel 52 – Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen
1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
2. De door dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld.
3. Voor zover dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.
(…)
7.De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen.
Artikel 53 – Beschermingsniveau
Geen van de bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten.
Verordening 2024/1351
(46) Overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening het belang van het kind de eerste overweging te vormen. Bij het beoordelen van het belang van het kind dienen de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige op de korte, middellange en lange termijn, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en mate van volwassenheid, alsook met diens achtergrond, terdege in aanmerking te nemen. Voorts dienen voor niet-begeleide minderjarigen vanwege hun kwetsbaarheid specifieke procedurele waarborgen te worden vastgelegd, waaronder de aanstelling van een vertegenwoordiger.
(48) Overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven een eerste overweging te vormen.
(62) Teneinde de grondrechten van verzoekers op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de rechten van het kind en de bescherming tegen onmenselijke en vernederende behandeling als gevolg van een overdracht daadwerkelijk te beschermen, dienen verzoekers te kunnen beschikken over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, beperkt tot die rechten, overeenkomstig met name artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
(87) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die worden gewaarborgd in het Unie- en het internationaal recht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze verordening is met name gericht op volledige waarborging van het recht op asiel dat wordt gegarandeerd door artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de rechten die worden erkend uit hoofde van de artikelen 1, 4, 7, 24 en 47 daarvan. De lidstaten moeten deze verordening derhalve dienovereenkomstig toepassen, met volledige inachtneming van die grondrechten.
Artikel 23 – Waarborgen voor minderjarigen
1. Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, vormt het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten. (…)
(…)
Artikel 36 - Verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat
(…)
2. Voor de toepassing van deze verordening is het niet mogelijk de situatie van een minderjarige die de verzoeker vergezelt en onder de definitie van gezinslid valt, te scheiden van de situatie van het gezinslid, en de minderjarige wordt overgenomen of teruggenomen door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om
internationale bescherming van dat gezinslid, zonder dat daarvoor schriftelijke instemming van de betrokken persoon vereist is, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, tenzij wordt aangetoond dat dat niet in het belang van het kind is. Hetzelfde geldt voor kinderen die na de aankomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaten zijn
geboren, zonder dat een nieuwe procedure voor hun overname hoeft te worden ingeleid.
(…)
Artikel 43 – Rechtsmiddelen
1.De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), heeft het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht.
De draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of:
a)De overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten;
b)er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
c)inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.
(…)
3. De betrokken persoon heeft het recht om binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van het overdrachtsbesluit, die in ieder geval niet langer mag zijn dan de door de lidstaten op grond van lid 2 vastgestelde termijn, een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van zijn of haar beroep of bezwaar. De lidstaten kunnen in hun nationale recht bepalen dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten samen met het beroep op grond van lid 1 moet worden ingediend. De lidstaten zorgen ervoor dat er een doeltreffend rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het
eerste opschortingsverzoek is gegeven. Een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt genomen binnen een maand na de datum waarop de bevoegde rechterlijke instantie dat verzoek heeft ontvangen.
Indien de betrokken persoon zijn of haar recht om om opschortende werking te verzoeken, niet heeft uitgeoefend, schort het beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op.
Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd.
Indien opschortende werking wordt toegekend, tracht de rechterlijke instantie binnen een maand na de beslissing om opschortende werking toe te kennen, een beslissing ten gronde te nemen over het beroep of het bezwaar.
Artikel 46 - Gedetailleerde voorschriften en termijnen
1. Een verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), wordt overeenkomstig het nationale recht van de overdragende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de overdragende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat, zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig
artikel 43, lid 3.(…)
2. Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de in lid 1, eerste alinea, gestelde termijn, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokken persoon over te nemen of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de overdragende lidstaat. Die termijn kan, indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd
wegens de gevangenzetting van de betrokken persoon, worden verlengd tot ten hoogste één jaar, of, indien die betrokken persoon, of een gezinslid dat samen met de betrokken persoon moet worden overgedragen, is ondergedoken, zich fysiek tegen de overdracht verzet, er opzettelijk voor zorgt dat hij of zij niet in staat is te worden overgedragen, of niet aan de
medische vereisten voor de overdracht voldoet, tot ten hoogste drie jaar vanaf het moment dat de verzoekende lidstaat de verantwoordelijke lidstaat daarvan in kennis stelt.
Indien de betrokken persoon opnieuw ter beschikking van de autoriteiten komt en de resterende tijd van de in lid 1 bedoelde termijn minder dan drie maanden bedraagt, beschikt de overdragende lidstaat over een termijn van drie maanden om de overdracht uit te voeren.
(…)
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 30
1. Onze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling wanneer op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
(…)
Artikel 69
(…)
7.Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, wordt gelijktijdig ingediend met het beroepschrift tegen een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a, of artikel 62b. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a of 62b niet opgeschort indien de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend.
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 7.3
3. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van het overdrachtsbesluit opgeschort, totdat:
a.de termijn ingevolge artikel 69, zevende lid, van de Wet, waarbinnen een eerste verzoek om een voorlopige voorziening teneinde de overdracht op te schorten moet worden ingediend, is verstreken; of
b. uitspraak is gedaan op het eerste verzoek om een voorlopige voorziening, welk verzoek binnen de termijn, bedoeld in onderdeel a, was ingediend.
Rechtsvragen en overwegingen
15. Verzoekers hebben in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling hiervan en verweerder heeft overdrachtsbesluiten vastgesteld. Verzoekers hebben een rechtsmiddel aangewend tegen de overdrachtsbesluiten en leggen hieraan mede ten grondslag dat het belang van hun zoon, die thans 11 maanden oud is, zich tegen de overdracht aan Italië verzet. Tevens hebben zij verzocht om voorlopige voorzieningen om te bewerkstelligen dat de uitvoering van de overdrachtsbesluiten wordt opgeschort. Zij hebben deze verzoeken gelijktijdig met het instellen van beroep ingediend, zodat reeds hierdoor de uitvoering van de overdrachtsbesluiten is opgeschort en zij de beslissing van de rechtbank op deze verzoeken in Nederland mogen afwachten.
16. De vragen die in het hoofdgeding opkomen hebben betrekking op de draagwijdte van het rechtsmiddel en de wijze waarop de rechtbank het belang van het kind moet betrekken in de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten. Tevens vraagt de rechtbank het Hof om te verduidelijken of de opschortende werking die is verkregen louter door het tijdig indienen van opschortingsverzoeken en dus zonder dat de opschortende werking in een rechterlijke beslissing is toegekend, meebrengt dat de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep. De rechtbank acht de beantwoording van deze vraag noodzakelijk omdat voorzienbaar is dat de rechtbank niet binnen zes maanden nadat de Italiaanse autoriteiten hun verantwoordelijkheid hebben erkend uitspraak zal kunnen doen op de opschortingsverzoeken als het Hof voor het verstrijken van die termijn de prejudiciële vragen niet heeft beantwoord. De rechtbank twijfelt of in dat geval Nederland reeds verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming omdat er binnen deze termijn geen beslissing over de opschorting is genomen. De Uniewetgever heeft termijnen bepaald waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit en, indien opschortende werking wordt toegekend door de rechterlijke instantie, een beslissing ten gronde moet nemen over het beroep. De Uniewetgever heeft geen gevolgen verbonden aan het niet voldoen aan deze termijnen door de rechterlijke instantie en partijen hebben geen mogelijkheid om de naleving van deze termijnen af te dwingen. De rechtbank vraagt zich af of dit gevolgen heeft voor de wijze waarop artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 moet worden uitgelegd.
I Draagwijdte van het rechtsmiddel
17. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoekers hun rechtsmiddel kunnen onderbouwen door zich te beroepen op het belang van het kind en mede op grond van dit belang de rechtmatigheid van de overdrachtsbesluiten kunnen betwisten en aan een rechterlijke controle kunnen onderwerpen.
18. Bij het vaststellen van een overdrachtsbesluit is sprake van het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De bevoegde nationale autoriteiten kunnen zich bij de vaststelling van een dergelijk besluit niet onttrekken aan een beoordeling van de eerbiediging van de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten.
19. Het Hof heeft in haar rechtspraak verduidelijkt wat de draagwijdte van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit was toen Verordening 343/2003 en Verordening 604/2013 van toepassing waren. Het Hof heeft in haar arrest van 7 juni 2016 in de zaak Ghezelbash onder meer verduidelijkt op welke wijze de omvang van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit moet worden bepaald.
20. Het hoofdgeding wordt beheerst door Verordening 2024/1351. Dit is niet in geschil tussen partijen. In artikel 43 van Verordening 2024/1351 is de regeling van de rechtsmiddelen opgenomen.
21. Op grond van artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 moet aan de verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), een doeltreffend rechtsmiddel worden toegekend dat hij bij een rechterlijke instantie kan aanwenden tegen een overdrachtsbesluit in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. De kenmerken van dit rechtsmiddel moeten, naar het oordeel van de rechtbank, worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, volgens hetwelk eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden, en in overeenstemming met het belang van het kind, dat met name wordt gewaarborgd door artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351.
22. In artikel 43, eerste lid, van Verordening 2024/1351 wordt de draagwijdte van het rechtsmiddel beperkt tot drie concreet opgesomde situaties. Anders dan in Verordening 604/2013, bevat de tekst van de regeling van de rechtsmiddelen in Verordening 2024/1351 dus wel een beperking van de argumenten die door de verzoeker in het kader van dat rechtsmiddel kunnen worden aangevoerd.
23. De rechtbank overweegt dat in overweging 62 van Verordening 2024/1351 evenwel is vermeld dat teneinde de grondrechten van verzoekers op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de rechten van het kind en de bescherming tegen onmenselijke en vernederende behandeling als gevolg van een overdracht daadwerkelijk te beschermen, verzoekers dienen te kunnen beschikken over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, beperkt tot die rechten, overeenkomstig met name artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Overweging 87 van Verordening 2024/1351 vermeldt dat deze verordening de grondrechten en de beginselen die worden gewaarborgd in het Unie- en het internationaal recht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie eerbiedigt en dat deze verordening met name is gericht op volledige waarborging van het recht op asiel dat wordt gegarandeerd door artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de rechten die worden erkend uit hoofde van de artikelen 1, 4, 7, 24 en 47 daarvan en de lidstaten deze verordening derhalve dienovereenkomstig moeten toepassen, met volledige inachtneming van die grondrechten.
24. De rechtbank overweegt dat niet duidelijk is hoe artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 moet worden begrepen gelet op deze overwegingen en gelet op artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, waarin de Uniewetgever onder meer heeft bepaald dat bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten vormt.
25. Indien de Uniewetgever met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 desondanks heeft beoogd dat andere grondrechten dan artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet kunnen worden ingeroepen bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, komt de vraag of op deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
26. Artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ziet op de reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen. Het belang van het kind en het recht op de eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven zijn geen absolute grondrechten en kunnen dus worden beperkt onder de voorwaarden van deze bepaling.
27. Indien het echter uitgesloten moet worden geacht dat verzoekers zich in het hoofdgeding (mede) kunnen beroepen op het belang van het kind, komt de vraag op of de Uniewetgever het in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte zodanig kan beperken dat de wijze waarop en de mate waarin verweerder voldoet zijn verplichting uit artikel 23, lid 1 van Verordening 2024/1351, wordt uitgesloten van een rechterlijke controle en daarmee de rechterlijke bescherming van het belang van het kind in wezen teniet doet.
28. Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen.
29. In punt 46 van Verordening 2024/1351 is vermeld dat overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening het belang van het kind de eerste overweging dient te vormen. Voor zover de Uniewetgever heeft beoogd om uit te sluiten dat verzoekers zich op het belang van het kind zoals dat in het Unierecht is neergelegd kunnen beroepen, overweegt de rechtbank dat de Uniewetgever de verdragsverplichtingen van de lidstaten niet kunnen inperken en de verdragsrechten van verzoekers niet kunnen inperken. In artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bovendien uitdrukkelijk bepaald dat de Unie bijdraagt bij tot, onder meer, de bescherming van de mensenrechten en in het bijzonder de rechten van het kind.
30. Artikel 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat geen van de bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten. De rechtbank wijst er op dat het EHRM de belangen van het kind schaart onder artikel 8 van het EVRM en dat artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie overeenkomt met het in artikel 8 EVRM verankerde recht, zodat hieraan dezelfde inhoud en reikwijdte moet worden toegekend.
31. Het belang van het kind is een recht dat het kind van verzoekers toekomt op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en Verordening 2024/1351. De rechtbank overweegt dat hieruit zou moeten volgen dat verzoekers zich in het hoofdgeding moeten kunnen beroepen op het belang van het kind om de overdrachtsbesluiten te betwisten en de naleving van dit recht aan een rechterlijke controle moeten kunnen onderwerpen en ook de rechterlijke instantie moeten kunnen verzoeken om dit recht te beschermen en zo de eerbiediging ervan door de autoriteiten te waarborgen.
32. Voor zover de Uniewetgever heeft beoogd om met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 uit te sluiten dat verzoekers zich kunnen beroepen op het belang van het kind en heeft beoogd om het belang van het kind uit te sluiten van de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten, verzoekt de rechtbank het Hof om te preciseren of deze bepaling geldig is.
33. De rechtbank benadrukt dat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de discretionaire clausule en de bevoegdheid die verweerder ontleent aan artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351, maar zien op de verplichting die de lidstaten op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 hebben. In deze bepaling is immers dwingend voorgeschreven dat bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten vormt. Indien het belang van het kind van verzoekers zich verzet tegen de overdracht, hoeft verweerder niet te beoordelen of hij zijn discretionaire bevoegdheid zal aanwenden om de verzoeken om internationale bescherming te behandelen en inhoudelijk te beoordelen. De overdracht zal immers moeten worden verboden in het geval deze indruist tegen het belang van het kind.
34. De rechtbank benadrukt ook dat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank vraagt namelijk niet hoe moet worden beoordeeld of de Italiaanse autoriteiten invulling geven aan hun verplichting om het belang van het kind een eerste overweging bij hun handelen te laten zijn. Die situatie is immers pas aan de orde na een mogelijke overdracht. De rechtbank wil weten of het belang van het kind kan worden betrokken bij de beoordeling door de rechtbank van de vraag of de overdracht kan plaatsvinden. De rechtbank licht hierbij toe dat de vraag of de Italiaanse autoriteiten adequate opvangvoorzieningen aan verzoekers en hun kind kunnen bieden allereerst een beoordeling op grond van het interstatelijk vertrouwen vereist. Ook bij deze beoordeling is relevant dat verzoekers een baby van 11 maanden oud hebben. Een grondige beoordeling van het belang van het kind omvat evenwel meer aspecten dan uitsluitend de geschiktheid van de opvangvoorzieningen in de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank wijst in dit verband op overweging 46 van Verordening 2024/1351, waarin onder meer is vermeld dat bij het beoordelen van het belang van het kind, de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige op de korte, middellange en lange termijn, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en mate van volwassenheid, alsook met diens achtergrond, terdege in aanmerking dienen te nemen.
35. Op grond van het al vorenstaande is de vraag aan de orde of artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten van de Europese Unie in de weg staan aan het beperken van het recht op een doeltreffende voorziening op de wijze waarop dit thans lijkt te zijn beoogd in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351.
36. Derhalve kan worden betwijfeld of artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 geldig is voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden.
Uit het arrest van het Hof van 22 oktober 1987 in de zaak Foto-Frost volgt dat een nationale rechterlijke instantie niet bevoegd is om handelingen van de instellingen van de Europese Unie ongeldig te verklaren. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank gehouden is om zich tot het Hof te wenden om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de geldigheid van artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351.
II Omvang van de verplichting voor de rechterlijke autoriteiten om het belang van het kind te waarborgen
37. Ook indien het Hof de eerste prejudiciële vraag van de rechtbank aldus zou beantwoorden dat artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 met inbegrip van de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel geldig is, ziet de rechtbank zich in het hoofdgeding voor de vraag gesteld op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn, welke verplichting voortvloeit uit artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
38. De verplichting om bij alle handelingen in verband met kinderen de belangen van het kind een essentiële overweging te laten vormen richt zich, naar het oordeel van de rechtbank, ook tot de rechterlijke instantie. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, waarin is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
39. Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is een equivalent van artikel 3, lid 1, van het Verdrag voor de Rechten van het Kind. De rechtbank wijst hierbij op het Handboek over het Europese Recht inzake Kinderrechten van de Fundamental Rights Agency, waarin onder meer is opgenomen dat artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechtstreeks is geïnspireerd door het Verdrag inzake de rechten van het kind en het belang van het kind als een van de beginselen van dit Verdrag hierin terugkomt. Dit Handboek licht ook toe dat de bescherming van de rechten van het kind is aan te merken als algemene doelstelling van de Europese Unie, wat uitdrukkelijk blijkt uit artikel 3, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en uit de Richtsnoeren van de Europese Unie ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind.
40. Dat de verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn niet alleen op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, maar ook op grond van het Unierecht mede is gericht tot de rechterlijke instanties volgt dus uit artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zoals eerder overwogen is in overweging 46 van Verordening 2024/1351 bovendien onder meer vermeld dat overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening het belang van het kind de eerste overweging dient te vormen. Daargelaten dat artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is gebaseerd op artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het Kind en dat de inhoud van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 gelijkluidend is, dient het Unierecht overeenkomstig het Verdragsrecht te worden uitgelegd en toegepast. Het Unierecht kan de verplichtingen die de lidstaten als verdragspartij hebben niet beperken als de lidstaten optreden in hun hoedanigheid als lidstaat van de Unie.
41. Verweerder is op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 verplicht om bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging te laten vormen. Verweerder heeft in de overdrachtsbesluiten vermeld dat het in het belang van het minderjarige kind van verzoekers is om bij zijn ouders te blijven. In de overdrachtsbesluiten is tevens vermeld dat de situatie van het kind van verzoekers onder de verantwoordelijkheid van Italië valt en dat verzoekers geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat overdracht aan Italië niet in het belang van hun kind is.
42. De rechtbank overweegt dat verweerder in de overdrachtsbesluiten terecht heeft verwezen naar artikel 36, lid 2, van Verordening 2024/1351, waarin is vermeld dat -kort gezegd- het kind van verzoekers bij verzoekers blijft tenzij wordt aangetoond dat dat niet in het belang van het kind is. Dit betekent echter niet dat hiermee reeds volledig is voldaan aan de verplichtingen die verweerder heeft op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat het bij wijze van uitgangspunt wordt aangenomen dat het in het belang van het kind is om bij zijn ouders te blijven, brengt dan ook niet zonder meer mee dat de overdracht kan worden uitgevoerd. Het kind kan immers ook bij zijn ouders blijven in de verzoekende lidstaat; dit kan namelijk ook in het belang van het kind zijn. Indien de weging van het belang van het kind tot de conclusie zou leiden dat het belang van het kind indruist tegen de overdracht, zou dit vervolgens dan ook betekenen dat ook de ouders niet kunnen worden overgedragen.
43. In overweging 46 van Verordening 2024/1351 is vermeld dat bij het beoordelen van het belang van het kind, de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige op de korte, middellange en lange termijn, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en mate van volwassenheid, alsook met diens achtergrond, terdege in aanmerking dienen te nemen. De rechtbank merkt op dat deze overweging, net als artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 ziet op alle minderjarigen en niet alleen op niet-begeleide minderjarige verzoekers.
44. Verweerder heeft het belang van het kind niet onderzocht, ook niet tijdens het persoonlijk onderhoud dat hij met verzoekers heeft gevoerd op grond van artikel 22 van Verordening 2024/1351. Verweerder heeft in de overdrachtsbesluiten vermeld dat verzoekers geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat overdracht aan Italië niet in het belang van hun kind is. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij kan volstaan met het bijeenhouden van verzoekers en dat het aan verzoekers is om te onderbouwen waarom het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht aan Italië.
45. De rechtbank stelt voorts vast dat verzoekers zich weliswaar hebben beroepen op het belang van het kind, maar dat zij niet hebben onderbouwd waarom het belang van het kind meebrengt dat van de overdracht zou moeten worden afgezien. Ter zitting hebben verzoekers bijvoorbeeld (voor het eerst) verklaard dat hun zoon eerder dan voorzien is geboren en daarom medische hulp behoeft, maar verzoekers hebben dit niet nader toegelicht of onderbouwd. Verzoekers stellen ook dat de wijze waarop zij na de overdracht zullen worden opgevangen niet adequaat voor hun kind zal zijn, maar betogen hiermee in wezen dat artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich verzet tegen de overdracht. De rechtbank merkt in dit verband op dat de beoordeling van het refoulementrisico een actuele beoordeling vergt en de rechtbank deze beroepsgrond van verzoekers daarom zal beoordelen nadat het Hof heeft verduidelijkt wat de draagwijdte van het beroep in de onderhavige procedure is.
46. Omdat verweerder het belang van het kind niet heeft onderzocht en verzoekers hun standpunt dat de overdracht niet in het belang van het kind is niet hebben onderbouwd, rijst de vraag wat de omvang van de verplichting is die de rechtbank heeft om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen in het hoofdgeding. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan Italië indruist tegen dit belang.
47. Het Hof heeft in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak K.L. onder meer voor recht verklaard dat dat artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten van de Europese Unie aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bevoegde nationale autoriteit op een door een minderjarige ingediend verzoek om internationale bescherming beslist zonder het belang van deze minderjarige eerst in het kader van een individuele beoordeling concreet te hebben vastgesteld. Het Hof heeft in dit arrest ook het navolgende overwogen:
(…)
73. Uit artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en uit artikel 3, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 is vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waar de toelichting op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uitdrukkelijk naar verwijst, blijkt dat het belang van het kind niet enkel in aanmerking moet worden genomen bij de inhoudelijke beoordeling van verzoeken met betrekking tot kinderen, maar ook, middels specifieke procedurele waarborgen, van invloed moet zijn op de besluitvormingsprocedure die tot die beoordeling leidt. Zoals het Comité voor de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties heeft opgemerkt, verwijst de uitdrukking „belangen van het kind” in dit artikel 3, lid 1, immers tegelijkertijd naar een inhoudelijk recht, een uitleggingsbeginsel en een procedureregel [zie General Comment nr. 14 (2013) van het Comité voor de Rechten van het Kind over het recht van het kind dat zijn belangen de eerste overweging vormen (artikel 3, lid 1), CRC/C/GC/14, punt 6].”
(…)
48. In het hoofdgeding is de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken om internationale bescherming niet aan de orde omdat verweerder overdrachtsbesluiten heeft genomen. Gelet op de verduidelijking die het Hof eerder heeft gegeven van artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, meent de rechtbank dat het belang van het kind op overeenkomstige wijze als het Hof heeft verduidelijkt in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak K.L. moet worden betrokken in het hoofdgeding. De rechtbank verzoekt het Hof door het beantwoorden van de tweede prejudiciële vraag om te verduidelijken of de zelfstandige verplichting voor de rechterlijke autoriteit om het belang van het kind een eerste overweging in haar beslissing te laten zijn, in het hoofdgeding ertoe moet leiden dat de rechtbank uit eigen beweging nader onderzoek naar dit belang van het kind verricht omdat beide partijen dit onvoldoende hebben gedaan.
III Aanvang overdrachtstermijn als rechterlijke autoriteit niet binnen zes maanden nadat de overname is aanvaard, heeft beslist op het eerste opschortingsverzoek
49. Verzoekers hebben gebruik gemaakt van hun recht om om opschortende werking te verzoeken. Dit betekent dat de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt opgeschort en verzoekers (in ieder geval) niet aan Italië mogen worden overgedragen totdat op het eerste verzoek om opschorting is beslist door de rechtbank.
50. Het opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit betekent niet dat de termijn waarbinnen de overdracht moet worden uitgevoerd wordt verlengd. De Uniewetgever heeft de omstandigheden op grond waarvan verweerder bevoegd is om de overdrachtstermijn te verlengen uitdrukkelijk en limitatief opgesomd. Deze omstandigheden zijn in het hoofdgeding (thans) niet aan de orde.
51. De Uniewetgever heeft in artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351 termijnen bepaald voor de rechterlijke autoriteiten om beslissingen te nemen. Een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt genomen binnen een maand na de datum waarop de bevoegde rechterlijke instantie dat verzoek heeft ontvangen. Indien opschortende werking wordt toegekend, tracht de rechterlijke instantie binnen een maand na de beslissing om opschortende werking toe te kennen, een beslissing ten gronde te nemen over het beroep of het bezwaar.
52. De Uniewetgever zal er hierbij, naar de rechtbank aanneemt, vanuit zijn gegaan dat rechterlijke instanties zonder meer in staat zullen zijn om aan deze verplichting te voldoen. Er is namelijk niet geregeld wat de gevolgen zijn als de rechterlijke instantie niet binnen deze termijnen beslist op het opschortingsverzoek of op het beroep of bezwaar. De rechtbank stelt ook vast dat beide partijen geen mogelijkheid hebben om een beslissing op het eerste opschortingsverzoek of beroep of bezwaar af te dwingen, danwel om het nemen van een dergelijke beslissing te bespoedigen.
53. Indien de rechterlijke instantie niet binnen deze termijnen beslist op het opschortingsverzoek of op het beroep of bezwaar, is dit ook geen omstandigheid die een bevoegdheid aan verweerder verleent om de overdrachtstermijn te verlengen. Het verstrijken van een periode van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, voordat de rechtelijke instantie beslist op het eerste opschortingsverzoek geeft ook geen bevoegdheid om de overdrachtstermijn te verlengen.
54. Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 regelt wanneer de overdrachtstermijn aanvangt. De rechtbank vraagt zich af hoe deze regeling moet worden toegepast als de opschortende werking, zoals in het hoofdgeding, is verkregen doordat (tijdig) om opschorting is verzocht. Het lijkt erop dat de Uniewetgever heeft bepaald dat uitsluitend indien de rechterlijke instantie een beslissing op het eerste opschortingsverzoek neemt en opschortende werking toekent, de overdrachtstermijn aanvangt bij de definitieve beslissing op bezwaar en beroep.
55. Verzoekers hebben een doeltreffend rechtsmiddel doordat zij om opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit kunnen verzoeken en zo kunnen bewerkstelligen dat zij niet mogen worden overgedragen aan Italië voordat de rechtbank beslist op het eerste opschortingsverzoek.
56. Verweerder heeft geen mogelijkheid om om opschorting te verzoeken omdat beroep en bezwaar alleen openstaat voor de adressaat van een overdrachtsbesluit. Het Hof heeft in het arrest van 30 maart 2023 in de zaak, N., S.S. en J.Y. hieraan toegevoegd dat de bevoegde autoriteiten geen enkel belang bij hebben het opkomen tegen hun eigen besluiten.
57. De Italiaanse autoriteiten hebben het verzoek om overname ten aanzien van verzoekster op 6 augustus 2026 en ten aanzien van verzoeker en het kind van verzoekers op 10 augustus 2026 beantwoord en hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming. Verzoekers hebben op 26 augustus 2026 beroep ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten en verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen om de uitvoering van de overdrachtsbesluiten op te schorten.
58. Doordat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen alvorens het hoofdgeding te kunnen beslechten, voldoet de rechtbank niet aan haar verplichting om binnen een maand na 26 augustus 2026 een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit te nemen. Indien het Hof de vragen van de rechtbank niet in de prejudiciële spoedprocedure behandelt, zal er, zeer waarschijnlijk, een termijn van zes maanden nadat de Italiaanse autoriteiten hun verantwoordelijkheid hebben erkend verstrijken voordat de rechtbank beslist op het eerste opschortingsverzoek en het beroep.
59. Het verzoeken om opschortende werking is een rechtsmiddel van verzoekers. Omdat verzoekers tijdig om opschortende werking hebben verzocht, is verweerder niet bevoegd om de overdrachtsbesluiten uit te voeren. Verzoekers hebben dus reeds door het verzoeken om opschortende werking bewerkstelligd dat zij in Nederland mogen blijven totdat de rechtbank uitspraak doet op hun eerste opschortingsverzoek. De rechtbank kan geen beslissing nemen voordat het Hof heeft verduidelijkt of verzoekers zich kunnen beroepen op het belang van het kind en heeft verduidelijkt op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn. De rechtbank kan de opschortingsverzoeken niet toewijzen met als doel het voorkomen van het verstrijken van de overdrachtstermijn. Dit acht de rechtbank namelijk niet verenigbaar met de strekking en ratio van het rechtsmiddel dat -uitsluitend- aan verzoekers toekomt en er alleen toe strekt om opschortende werking te verkrijgen. Verzoekers hebben derhalve geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank waarin opschortende werking wordt toegekend, omdat zij die reeds hebben verkregen.
60. Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 bepaalt onder meer dat een verzoeker (…) wordt overgedragen zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken hoe “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3” moet worden begrepen.
61. Indien in de situatie in het hoofdgeding, waarin opschortende werking is verkregen uitsluitend door het tijdig verzoeken om opschorting, de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op de beroepen, betekent dit dat het aanvangsmoment ongewis is en dat de procedure om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen en de overdracht uit te voeren in ieder geval een aanzienlijke duur zal kennen.
62. Het Hof heeft eerder verduidelijkt, bij de uitlegging van enkele bepalingen uit Verordening 604/2013, dat de wetgever van de Europese Unie heeft willen bevorderen dat overdrachtsbesluiten snel worden uitgevoerd, maar dit niet wegneemt dat hij de rechtsbescherming van personen die om internationale bescherming verzoeken niet heeft willen opofferen aan het vereiste dat hun verzoek snel wordt afgehandeld, en dat hij ter waarborging van die bescherming heeft bepaald dat de uitvoering van die besluiten in bepaalde gevallen kan worden opgeschort. Het Hof heeft echter ook bij die uitlegging benoemd dat dwingende termijnen voor overname- en terugnameprocedures op doorslaggevende wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van een snelle behandeling van verzoeken om internationale bescherming.
63. In punt 37 van Verordening 2024/1351 is onder meer vermeld dat een duidelijke en werkbare methode om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de
behandeling van een verzoek om internationale bescherming moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken personen eerlijke criteria en dat met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de vlotte en daadwerkelijke toegang tot billijke en doeltreffende procedures voor het
verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen. In punt 64 van Verordening 2024/1351 is vermeld dat met het oog op een snelle vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat de termijnen voor het indienen en beantwoorden van overnameverzoeken, voor het doen van kennisgevingen inzake terugname en voor het instellen van en het beslissen over beroepen, worden gestroomlijnd en ingekort, onverminderd de grondrechten van de verzoekers. De rechtbank leidt hieruit af dat de Uniewetgever ook met Verordening 2024/1351 ‘snelheid, maar zonder afbreuk te doen aan grondrechten van de verzoekers’ heeft beoogd.
64. De rechtbank stelt vast dat niet is voorzien in een regeling die gevolgen toekent aan het niet binnen de termijnen beslissen door de rechterlijke instantie. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of indien zij niet binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek door de Italiaanse autoriteiten beslist op het eerste opschortingsverzoek, dit reeds betekent dat Nederland verantwoordelijk wordt zoals bedoeld in artikel 46, lid 2, van Verordening 2024/1351, of dat ook in die situatie de overdrachtstermijn -pas- aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep tegen het overdrachtsbesluit.
65. Indien het Hof artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus uitlegt dat de opschortende werking die is verkregen doordat verzoekers tijdig om opschorting van de uitvoering van de overdrachtsbesluiten hebben verzocht betekent dat de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak op het beroep doet, betekent het dat het onzeker is wanneer de termijn waarbinnen de overdracht kan worden uitgevoerd aanvangt en dat de termijn tussen het instellen van het rechtsmiddel en het afronden van de procedure geen maximale duur kent. De rechtbank lijkt dit niet verenigbaar met de wens van de Uniewetgever zoals deze blijkt uit punten 37 en 64 van Verordening 2024/1351. Deze uitlegging zou ook betekenen dat de duur van de procedure in al die procedures waarin om opschortende werking wordt verzocht, geen door partijen afdwingbare aanvang van de overdrachtstermijn kennen. Aan het erkennen van opschortende werking door een rechterlijke instantie komt dan slechts geringe waarde toe omdat het doel van het verzoeken om opschortende werking reeds is bereikt door het enkele verzoeken hierom.
66. Een ongewisse en niet strikt afgebakende duur van de procedure is niet in het belang van verzoekers die gedurende de gehele procedure in onzekerheid zullen verkeren welke lidstaat hun verzoeken om internationale bescherming zal behandelen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de Uniewetgever bovendien heeft bepaald dat de verzoeker vanaf het moment van kennisgeving van een besluit tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat geen recht op de opvangvoorzieningen als vermeld in de artikelen 17 tot en met 20 van die
richtlijn heeft in een andere lidstaat dan die waar de verzoeker op grond van artikel 17, lid 4, van deze verordening vereist wordt aanwezig te zijn. In het hoofdgeding is dit niet aan de orde omdat verzoekers niet door de Italiaanse autoriteiten in kennis zijn gesteld van hun verplichtingen en de gevolgen van de niet-nakoming daarvan overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt b), van Verordening 2024/1356 of artikel 5, lid 1, en artikel 21 van Richtlijn 2024/1346. De beantwoording van deze derde prejudiciële vraag van de rechtbank zal evenwel ook relevant zijn voor procedures waarin de opvang wel wordt beëindigd op de wijze als voorzien in artikel 18, eerste lid, van Verordening 2024/1351.
67. Deze uitlegging waarbij het enkele (tijdig) verzoeken om opschortende werking reeds betekent dat de overdrachtstermijn -pas- aanvangt als de rechterlijke instantie een beslissing neemt op het beroep en bezwaar zou meebrengen dat het ongewis en onzeker is hoe lang de fase van de procedure vanaf het moment van het indienen van een opschortingsverzoek tot aan de uiterste datum waarop de overdracht moet zijn uitgevoerd duurt. Omdat deze fase dan ook niet in tijd is begrenst, kan dit mogelijk tot willekeur leiden en onaanvaardbare verschillen voor verzoekers naar gelang bij welke rechterlijke instantie en in welke lidstaat een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend. Denkbaar is immers dat een groot aantal verzoeken en andere ‘werkvoorraad zaken’, waarvoor geen verzoek op het solidariteitsmechanisme kan worden gedaan, bepalend zal zijn voor de totale duur van de procedure waarin de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald en de overdracht wordt uitgevoerd. Een van de doelstellingen van het Asiel- en Migratiepact is het terugdringen van secundaire migratie. Om die doelstelling te verwezenlijken zijn in Verordening 2024/1351 termijnen bepaald voor de verschillende fases van de procedures. Een fase die niet strikt afgebakend is en niet begrensd is in duur, lijkt onverenigbaar met deze uitgangspunten en zullen tot verschillen tussen de lidstaten leiden. Verschillen in de duur van de procedure kunnen vervolgens secundaire migratie in de hand werken, althans zullen niet bijdragen aan het voorkomen hiervan.
68. Indien het Hof artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus uitlegt dat de opschortende werking die uitsluitend is verkregen doordat verzoekers tijdig om opschorting van de uitvoering van de overdrachtsbesluiten hebben verzocht betekent dat de overdrachtstermijn niet aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, rijst de vraag of dit betekent dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de verzoeken om internationale bescherming als de rechtbank niet beslist binnen zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek door de Italiaanse autoriteiten. Indien die conclusie moet worden getrokken, doet dit, zo meent de rechtbank, ook afbreuk aan de ratio van Verordening 2024/1351 en de wijze waarop is geregeld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming. Verweerder heeft geen invloed op het moment waarop de rechterlijke instantie in staat is om te beslissen op het eerste opschortingsverzoek en het beroep en Verordening 2024/3151 biedt de lidstaten geen mogelijkheid om te voorkomen dat de overdrachtstermijn verstrijkt indien de rechterlijke instantie niet voldoet aan de beslistermijnen.
69. De rechtbank verzoekt het Hof daarom te verduidelijken of de zinsnede “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3”, in artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, aldus moet worden begrepen dat dit uitsluitend ziet op de situatie dat de rechterlijke instantie een beslissing over het opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft genomen en opschortende werking heeft toegekend.
70. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat deze vraag geen louter hypothetische vraag is ondanks dat in het hoofdgeding de situatie nu nog niet aan de orde is dat er een termijn van zes maanden is verstreken nadat de Italiaanse autoriteiten hun verantwoordelijkheid hebben erkend. De rechtbank voorziet namelijk reeds nu dat zij niet in staat zal zijn om te beslissen op het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit en het beroep voor het verstrijken van deze termijn in het geval het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen. Afhankelijk van de verduidelijking die het Hof zal geven, zal alsdan mogelijk moeten worden geconcludeerd dat Nederland verantwoordelijk wordt vanwege het verstrijken van zes maanden na de datum waarop de rechtbank de verzoeken om opschorting van de overdrachtsbesluiten heeft ontvangen. De rechtbank verzoekt het Hof, gelet op al het voorgaande om ook de derde prejudiciële vraag van de rechtbank te beantwoorden.
Conclusie en prejudiciële vragen
71. Verzoekers zijn een gehuwde man en vrouw en hun baby. Zij zijn afkomstig uit Libië en hebben de Libische nationaliteit. Verzoekers hebben op 7 juli 2026 een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling hiervan omdat zij visa aan verzoekers hebben verleend. Verweerder behandelt de verzoeken om internationale bescherming niet inhoudelijk en heeft overdrachtsbesluiten vastgesteld.
72. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten en hebben verzocht om opschortende werking. Door het tijdig verzoeken om opschortende werking hebben verzoekers reeds bewerkstelligd dat de uitvoering van de overdrachtsbesluiten wordt opgeschort. Verzoekers mogen hierdoor in ieder geval niet aan Italië worden overgedragen voordat de rechtbank heeft beslist op de verzoeken om opschortende werking.
73. Verzoekers maken bezwaar tegen de overdracht aan Italië en leggen aan dit bezwaar mede ten grondslag dat het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht.
74. De Uniewetgever lijkt in de regeling van de rechtsmiddelen, die is neergelegd in artikel 43 van Verordening 2024/1351, de draagwijdte van de omvang van het rechtsmiddel te hebben beperkt tot drie concreet opgesomde situaties.
75. Indien de Uniewetgever met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 heeft beoogd dat andere grondrechten dan artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet kunnen worden ingeroepen bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, komt de vraag of op deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
76. Het belang van het kind is een recht dat het kind van verzoekers toekomt op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en Verordening 2024/1351. De rechtbank overweegt dat hieruit zou moeten volgen dat verzoekers zich in het hoofdgeding moeten kunnen beroepen op het belang van het kind om de overdrachtsbesluiten te betwisten om zo de naleving van de eerbiediging van dit recht aan een rechterlijke controle te kunnen laten onderwerpen en ook de rechterlijke instantie te kunnen verzoeken om dit recht te beschermen.
77. Voor zover de Uniewetgever heeft beoogd om met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 uit te sluiten dat verzoekers zich kunnen beroepen op het belang van het kind en heeft beoogd om het belang van het kind uit te sluiten van de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten, verzoekt de rechtbank het Hof om te beoordelen of deze bepaling geldig is.
78. Ook indien het Hof de eerste prejudiciële vraag van de rechtbank aldus zou beantwoorden dat artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 met inbegrip van de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel geldig is, ziet de rechtbank zich in het hoofdgeding voor de vraag gesteld op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn.
79. Omdat verweerder het belang van het kind niet concreet heeft onderzocht en verzoekers hun standpunt dat de overdracht niet in het belang van het kind is, niet deugdelijk hebben onderbouwd, rijst de vraag wat de omvang van de verplichting is die de rechtbank heeft om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen in het hoofdgeding. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan Italië indruist tegen dit belang.
80. Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt.
81. In het hoofdgeding heeft verweerder een termijn van zes maanden om verzoekers over te dragen aan Italië. Er zijn geen omstandigheden aan de orde op grond waarvan verweerder de mogelijkheid heeft om de overdrachtstermijn te verlengen. Thans is verweerder niet bevoegd om de overdracht uit te voeren omdat verzoekers hebben verzocht om opschortende werking en de rechtbank nog geen beslissing heeft genomen op deze opschortingsverzoeken.
82. De Uniewetgever heeft in artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351 termijnen bepaald voor de rechterlijke autoriteiten om beslissingen te nemen. Er is niet geregeld wat de gevolgen zijn als de rechterlijke instantie niet binnen deze termijnen beslist op het opschortingsverzoek of op het beroep of bezwaar. De rechtbank stelt ook vast dat beide partijen geen mogelijkheid hebben om een beslissing op het eerste opschortingsverzoek of beroep of bezwaar af te dwingen.
83. Doordat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen alvorens het hoofdgeding te kunnen beslechten, voldoet de rechtbank niet aan haar verplichting om binnen een maand na 26 augustus 2026 een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit te nemen. Indien het Hof de vragen van de rechtbank niet in de prejudiciële spoedprocedure behandelt, zal er een termijn van zes maanden nadat de Italiaanse autoriteiten hun verantwoordelijkheid hebben erkend verstrijken voordat de rechtbank beslist op het eerste opschortingsverzoek en het beroep.
84. Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 regelt wanneer de overdrachtstermijn aanvangt en bepaalt onder meer dat een verzoeker (…) wordt overgedragen zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken hoe “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3” moet worden begrepen.
85. Indien in de situatie in het hoofdgeding, waarin opschortende werking is verkregen uitsluitend door het tijdig verzoeken om opschorting, de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op de beroepen, betekent dit dat de procedure om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen en de overdracht uit te voeren een aanzienlijke duur zal kennen en verzoekers de gehele procedure in onzekerheid zullen verkeren welke lidstaat hun verzoeken om internationale bescherming zal behandelen.
86. Indien het Hof artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus uitlegt dat de opschortende werking die uitsluitend is verkregen doordat verzoekers tijdig om opschorting van de uitvoering van de overdrachtsbesluiten hebben verzocht betekent dat de overdrachtstermijn niet aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, rijst de vraag of dit betekent dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de verzoeken om internationale bescherming als de rechtbank niet beslist binnen zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek door de Italiaanse autoriteiten. Indien die conclusie moet worden getrokken, doet dit, zo meent de rechtbank, ook afbreuk aan de ratio van Verordening 2024/1351 en de wijze waarop is geregeld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming. Verweerder heeft geen invloed op het moment waarop de rechterlijke instantie in staat is om te beslissen op het eerste opschortingsverzoek en het beroep. Verordening 2024/3151 biedt de lidstaten geen mogelijkheid om te voorkomen dat de overdrachtstermijn verstrijkt indien de rechterlijke instantie niet voldoet aan de beslistermijnen en biedt de lidstaten geen mogelijkheid om in die situatie de overdrachtstermijn te verlengen.
87. De rechtbank verzoekt het Hof daarom te verduidelijken of de zinsnede “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3”, in artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus moet worden begrepen dat dit uitsluitend ziet op de situatie dat de rechterlijke instantie een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft genomen.
88. Deze vraag is geen louter hypothetische vraag ondanks dat in het hoofdgeding de termijn waarbinnen verzoekers kunnen worden overdragen -ongeacht de wijze waarop het Hof deze prejudiciële vraag zal beantwoorden- nog niet is verstreken. De rechtbank voorziet namelijk reeds nu dat zij niet in staat zal zijn om te beslissen op het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit en het beroep voor het verstrijken van deze termijn in het geval het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen. Afhankelijk van de verduidelijking die het Hof zal geven, zal alsdan mogelijk moeten worden geconcludeerd dat Nederland verantwoordelijk wordt vanwege het verstrijken van zes maanden na de datum waarop de rechtbank de verzoeken om opschorting van de overdrachtsbesluiten heeft ontvangen.
89. De rechtbank wendt zich gelet op noodzaak van een nadere precisering van het Unierecht tot het Hof om de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen en verzoekt het Hof om de vragen in de spoedprocedure (PPU) te behandelen:
I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden?
II Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de Grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken?
III Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht?
90. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.
Beslissing
De rechtbank:
-verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 89 geformuleerde vragen;
-schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze verwijzingsuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.