[naam], verzoekster,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
mede namens haar kinderen:[naam] en [naam]
V-nummers: [nummer] en [nummer],
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
2. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig opnieuw beslissen op haar
bezwaar inzake het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf.
3. Vervolgens heeft de minister alsnog een besluit genomen. Verzoekster heeft daarop
het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
4. De minister stelt dat er geen recht bestaat op proceskostenvergoeding, omdat het
beroep niet-ontvankelijk zou zijn wegens het ontbreken van een ingebrekestelling.
5. Verzoekster is in beroep gegaan na een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats
Utrecht van 17 februari 2026, waarbij het beroep gegrond is verklaard en de minister is opgedragen om uiterlijk zes weken na verzending van de uitspraak op het bezwaar van verzoekster te beslissen. De minister heeft niet binnen de oplegde termijn een besluit genomen en verzoekster heeft vervolgens een beroep niet tijdig ingediend.
Met verzoekster is de rechtbank van oordeel dat bij een door de bestuursrechter bepaalde concrete nadere beslistermijn het indienen van een ingebrekestelling niet nodig is. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en gegrond zou zijn. De minister is alsnog aan verzoekster tegemoetgekomen en het beroep was terecht ingediend. De minister moet dan ook de proceskosten van verzoekster betalen.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de door verzoekster gemaakte
proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.