ECLI:NL:RBDHA:2026:27307

ECLI:NL:RBDHA:2026:27307

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer NL26.13929
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Afwijzing asiel Syrië. Gestelde problemen met Al Nusra op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Beoordeling risico op willekeurig geweld in Aleppo (artikel 15c KRi) en artikel 3 EVRM voldoende gemotiveerd. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13929

geboren op [datum],

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. B.H. Werink),

en

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw., Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van eisers beroepsgronden.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. De minister heeft wel ten onrechte het ontbreken van verklaringen in de aanmeldfase aan eiser tegengeworpen. De rechtbank passeert dit gebrek. Hierna legt de rechtbank dit oordeel en de gevolgen uit.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en is hem medegedeeld dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Syrië.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij terugkeer naar Syrië vreest om te worden gearresteerd en dat hij vreest voor de algemene situatie. In dit verband heeft eiser verklaard dat hij in de periode vanaf 2010 tot aan zijn vertrek in 2014 problemen heeft gehad met leden van het Al Nusra Front. Eiser verklaart meerdere keren te zijn meegenomen voor een verhoor. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor deze oude Al Nusra-leden omdat zij zijn opgenomen in het nieuwe veiligheidsapparaat. Ook zou bij eisers broer navraag zijn gedaan naar eiser en is deze broer gearresteerd. Tot slot heeft eiser gesteld dat zijn familie een rechtbankoproep voor hem heeft ontvangen.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:

eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

problemen met leden van Jahbat Al Nusra.

De minister acht het eerste motief geloofwaardig. Het tweede motief acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser niet samenhangend en aannemelijk verklaard over de problemen. De minister acht het bevreemdend dat eiser niet in het aanmeldgehoor over de problemen met Al Nusra heeft verklaard. Ook acht de minister de verklaringen van eiser onwaarschijnlijk en acht de minister het niet aannemelijk dat eiser herhaaldelijk is teruggekeerd naar zijn woonplaats, als hij daar problemen had. Verder werpt de minister tegen dat eiser niet direct is vertrokken. Daarnaast heeft de minister gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser niet met individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt. De minister heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. De asielaanvraag is daarom afgewezen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Ontbrekende verklaringen in aanmeldfase

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij niet in het aanmeldgehoor verklaard heeft over zijn problemen met Al Nusra. Eiser verklaarde in dat gehoor dat hij was vertrokken uit Syrië vanwege de oorlog, omdat hij dacht dat zijn problemen met hen beëindigd zouden worden als de burgeroorlog voorbij was. Ook werd eiser in het aanmeldgehoor voorgehouden dat hij zijn motieven kort moest noemen en komen zijn problemen met Al Nusra voort uit de oorlog. Daarom is het niet vreemd dat eiser in eerste instantie alleen over de oorlog als asielmotief heeft verklaard. De verwijzing van de minister naar artikel 4 van de KRi verandert dat niet.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt dat uit regelgeving volgt dat de minister bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van een asielaanvraag geen verklaringen uit de aanmeldfase betrekt. Dit is alleen anders als het verklaringen betreffen die uit eigen beweging zijn afgelegd, of inconsistente verklaringen die de vreemdeling opnieuw zijn voorgehouden in het nader gehoor. Ook uit de WI 2024/6, waarnaar de minister heeft verwezen in het bestreden besluit, volgt dat de asielmotieven uiterlijk tijdens het nader gehoor naar voren moeten worden gebracht. Alleen al om deze reden heeft de minister in de geloofwaardigheidsbeoordeling ten onrechte betrokken dat dat eiser in het aanmeldgehoor niet heeft verklaard over problemen met Al Nusra. Het besluit bevat op dit punt dus een onvolkomenheid.

De rechtbank ziet aanleiding om deze onvolkomenheid te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De minister heeft in de besluitvorming ook overigens gemotiveerd dat de gestelde problemen van eiser niet geloofwaardig zijn en heeft gesteld dat deze motivering dragend is. Eiser heeft de gelegenheid gehad om op deze motivering te reageren, temeer nu deze motivering al was opgenomen in het bestreden besluit. Eiser is door het passeren van het gebrek dan ook niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank overweegt over de geloofwaardigheidsbeoordeling verder als volgt.

Geloofwaardigheid problemen Al Nusra

6. Eiser heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn vrees voor Al Nusra niet geloofwaardig is. Eiser stelt dat Al Nusra vermoedt dat eiser een informant van het Assad-regime is. Eiser heeft in de zienswijze een toelichting gegeven op de vraag waarom Al Nusra dit zou denken en ook op het feit dat de problemen mogelijk verbandhouden met zijn naam. De minister is hier in het besluit niet gemotiveerd op ingegaan. Eiser heeft van zijn broer gehoord dat zij gezocht worden en dat er oproepen zijn om te verschijnen voor de rechtbank. Zijn broer heeft de oproepen niet gezien. Van familie heeft eiser vernomen dat zijn broer nadien is gearresteerd. Eiser begrijpt dat deze verklaringen niet door bewijs worden gesteund, maar dat betekent niet dat ze geen enkele waarde hebben. De minister had deze informatie van eisers familie moeten betrekken.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden de door eiser gestelde problemen met Al Nusra ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat eisers verklaringen over de problemen niet samenhangend en aannemelijk zijn. De minister heeft het onwaarschijnlijk kunnen achten dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Syrische autoriteiten of herhaaldelijk werd lastiggevallen door leden van het Al Nusra front in een tijd van oorlog, omdat zijn achternaam zou overeenkomen met de voornaam van [een familielid van de familie] al-Assad. Eiser heeft ook verder niet onderbouwd dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Syrische autoriteiten. Eiser heeft nagelaten om de door hem in de zienswijze toegezegde foto van de rechtbankoproep die voor hem zou zijn achtergelaten bij familie te overleggen. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat het niet aannemelijk is dat eiser tot zes keer zou zijn teruggekeerd naar zijn woonplaats waar hij continu zou zijn lastiggevallen door leden van Al Nusra. Ook heeft de minister kunnen tegenwerpen dat uit eisers verklaringen volgt dat er geen acuut dreigend gevaar was, omdat hij de tijd heeft genomen om voor zijn moeder te zorgen en geld te verzamelen voor zijn vertrek in 2014.

De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat de minister onvoldoende is ingegaan op zijn zienswijze. Daartoe heeft de minister kunnen stellen dat de toelichting geen nieuwe informatie bevat en daarmee feitelijk een herhaling van eisers verklaringen is terwijl deze verklaringen zijn betrokken bij het voornemen. De verklaringen van eiser dat zijn broer recent opnieuw gearresteerd is en dat er een oproep voor eiser is om te verschijnen voor de rechtbank, maken de problemen of gestelde vrees bij terugkeer evenmin aannemelijk. De minister heeft deze informatie, die eiser van zijn familie heeft vernomen, voldoende betrokken in zijn beoordeling. Daartoe heeft de minister kunnen stellen dat de informatie onvoldoende concreet is en niet afkomstig is uit een objectieve bron.

Beoordeling 15c KRi

7. Eiser betwist daarnaast dat in Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Hij meent dat voor heel Syrië een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld geldt. Volgens eiser betrekt de minister in de beoordeling van artikel 15c van de KRi ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden. Op zitting heeft eiser gesteld dat geen sprake is van een ander conflict, of van andere actoren dan die betrokken waren in de burgeroorlog tegen Assad. Eiser wijst verder op prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond. Ook wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2026, waarin is geoordeeld dat het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025 niet volstaat als uitgangspunt voor de beoordeling, omdat de veiligheidssituatie in Syrië volatiel en onzeker is. Ook het door de minister betrokken Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 vermeldt dat in Syrië gebrek is aan stabiliteit vanwege aanhoudende geweldsincidenten, spanningen met SDF in het noorden en noordoosten, spanningen in Suweida, sentimenten van revanchisme, militaire operaties van het Israëlische leger, door ISIS geclaimde aanvallen, aanvallen van gewapende aanhangers van het vorige regime, interne ontheemding, een humanitaire crisis, significante sociaal economische uitdagingen en regionale spanningen. De rechtbank oordeelde in de uitspraak van 23 februari 2026 daarom dat de minister aan de hand van actuele bronnen moet onderzoeken in hoeverre deze humanitaire omstandigheden veroorzaakt werden of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die momenteel nog actief zijn in het gewapend conflict. Dat heeft de minister ten onrechte ook in deze zaak niet gedaan.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië een lager niveau van willekeurig geweld geldt.Ook is geoordeeld dat uit de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 volgt dat humanitaire omstandigheden globaal betrokken moeten worden in de 15c beoordeling, voor zover deze (in)direct voortkomen uit het handelen of nalaten van een actor die partij is bij het gewapend conflict.

De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat van haar meervoudige kamer. De rechtbank volgt eiser niet in de verwijzingen naar uitspraken van de zittingsplaatsen Roermond en Den Haag. De minister heeft met verwijzing naar de ambtsberichten van mei 2025 en januari 2026 en het EUAA-rapport van december 2025 deugdelijk gemotiveerd dat in Syrië sprake is van relatief lager niveau van willekeurig geweld. Ook uit de meest recente rapporten van EUAA volgt dat sprake is van een lager aantal geweldsincidenten en burgerslachtoffers dan voor de val van Assad. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit landeninformatie volgt dat de ernstige humanitaire omstandigheden in Syrië niet of slechts in (zeer) beperkte mate te wijten zijn aan het lopende gewapend conflict, maar het gevolg zijn van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering Assad, die inmiddels geen actor meer is binnen het gewapende conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn daarmee niet in overwegende mate te herleiden tot het handelen en/of nalaten van partijen die op dit moment betrokken zijn bij het gewapende conflict. De rechtbank volgt eiser in zoverre niet in de stelling dat sprake is van dezelfde actoren of hetzelfde conflict. Eiser heeft niet met concrete landeninformatie aannemelijk gemaakt dat sprake is van een hoger niveau, of een uitzonderlijk niveau, van willekeurig geweld waarin eenieder te vrezen heeft op ernstige schade. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dit willekeurig geweld. Eiser heeft daartoe geen omstandigheden gesteld.

Artikel 3 van het EVRM

8. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de minister met betrekking tot de beslissing van het EHRM niet heeft vermeld dat het ging om een vreemdeling die in Oostenrijk twee keer veroordeeld was en een gevangenisstraf had uitgezeten. Bovendien kon die vreemdeling rekenen op een sociaal netwerk in Syrië. Uit deze beslissing van het EHRM kan volgens eiser niet worden afgeleid dat iedereen naar Syrië kan worden teruggestuurd. Eiser heeft aangevoerd dat uit de EUAA-rapporten volgt dat de situatie in Syrië onveilig en erbarmelijk is. Ook is volgens eiser de toetsing van artikel 15c van de KRi anders.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het in de beoordeling van het refoulementrisico niet relevant is (geacht door het EHRM) of sprake is van een strafblad, omdat artikel 3 van het EVRM een absoluut verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling behelst. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat uitzetting naar Syrië niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Daartoe heeft de minister onder meer op de beslissing van het EHRM kunnen wijzen. De rechtbank is van oordeel dat dezelfde omstandigheden voor eiser gelden, omdat hij jong en gezond is, geschikt om te werken, omdat hij de lokale taal spreekt en omdat hij kan rekenen op een sociaal netwerk. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat dit niet het geval is, omdat hij heeft verklaard over familie en een broer die in Syrië verblijven. Eiser stelt verder terecht dat de toetsing van artikel 15c van de KRi anders is, maar daarmee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat in Syrië sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden zich dwingend verzetten tegen uitzetting.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond en heeft aan eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen.

10. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand