ECLI:NL:RBDHA:2026:27308

ECLI:NL:RBDHA:2026:27308

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer NL26.52638
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Grensdetentie ex artikel 6, derde lid, Vw. Volgberoep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.52638

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),

en

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 29 juni 2026 met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 15 september 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 7 juli 2026.

Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Grensdetentie is mogelijk als een vreemdeling, die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, aan de grens een asielwens uit. Grensdetentie is mogelijk zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen en vindt plaats in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.

De vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en alleen als geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die grensdetentie onevenredig bezwarend maken.

Grensdetentie als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw wordt toegepast zolang het de vreemdeling wordt toegestaan als verzoeker op het grondgebied te verblijven of niet wordt verwijderd. Grensdetentie kan daarom voortduren tot de rechtbank uitspraak doet op het asielberoep of de voorzieningenrechter bepaalt dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven hangende dit beroep, of de beroepstermijn is verstreken zonder dat de verzoeker beroep heeft ingesteld tegen het asielbesluit of geen verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend.

Uit de Opvangrichtlijn vloeit voort dat de grensdetentie zo kort mogelijk moet duren. De administratieve procedures in verband met de asielgrensprocedure moeten met de nodige zorgvuldigheid worden uitgevoerd. Vertraging in die administratieve procedure die niet aan de verzoeker kan worden toegeschreven, is geen reden om de bewaring te laten voortduren.

Uit de Procedureverordening volgt dat de grensprocedure zo kort mogelijk moet worden gehouden en in ieder geval moet worden voltooid binnen twaalf weken nadat het verzoek van een vreemdeling is geregistreerd, met inbegrip van de behandeling van een eventueel beroep of verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het asielbesluit.

Wat vindt eiser?

3. Eiser voert, samengevat, aan dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel niet langer rechtmatig is.

In de eerste plaats stelt eiser dat de grensdetentie niet meer voldoet aan het vereiste van de Opvangrichtlijn dat deze zo kort mogelijk moet duren. Eiser verblijft sinds 29 juni 2026 onafgebroken in grensdetentie. Eisers aanvraag is op 10 juli 2026 afgewezen. Eiser heeft beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd en hierover is op 28 juli 2026 een zitting geweest. De nadere schriftelijke ronde is op 11 augustus 2026 afgerond. De rechtbank heeft het onderzoek pas op 3 september 2026 gesloten en telefonisch excuses aangeboden voor deze gang van zaken. De tijd die sinds 11 september 2026 is verstreken, kan eiser niet worden toegerekend. Eiser wijst erop dat de maximale duur van twaalf weken voor de grensprocedure een uiterste grens is en geen gegarandeerde detentietermijn. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, het Hof van Justitie, het EHRM en de rechtbank⁶ voert eiser aan dat ook vertraging in de rechterlijke fase een relevante omstandigheid is. Volgens artikel 5, eerste lid, EVRM en artikel 11, eerste lid, eerste volzin, van de Opvangrichtlijn moet organisatorische of rechterlijke vertraging die leidt tot langere vrijheidsontneming bij de evenredigheidsbeoordeling worden betrokken.

In de tweede plaats stelt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vrijheidsontneming, gelet op de gewijzigde en actuele omstandigheden, nog noodzakelijk is. De omstandigheden ten tijde van de oplegging van de maatregel zijn volgens eiser niet gelijk aan de huidige situatie. De minister dient daarom concreet te motiveren waarom voortduring van de maatregel nog noodzakelijk is. Een enkele verwijzing naar het grensbewakingsbelang en het formeel voortduren van de grensprocedure is volgens eiser onvoldoende. Eiser wijst daarbij op artikel 10, tweede lid, en artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn.

Meer subsidiair verzoekt eiser de rechtbank om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie over de vraag of niet-toerekenbare rechterlijke vertraging moet worden meegewogen bij de uitleg van artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, en of dit kan leiden tot onrechtmatigheid van de grensdetentie vóór het verstrijken van de maximale termijn van twaalf weken.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank overweegt dat de Afdeling zich in haar uitspraak van 1 juli 2025 heeft uitgesproken over de maximale duur van de grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De uitspraak van de Afdeling had betrekking op artikel 9, eerste lid, van de toen geldende Opvangrichtlijn, waarin net als in artikel 11, eerste lid, van de huidige hernieuwde richtlijn volgt dat grensdetentie zo kort mogelijk moet duren. De Afdeling heeft overwogen dat uit de Screeningverordening en de Procedureverordening volgt dat de screening aan de buitengrens maximaal zeven dagen mag duren en de daaropvolgende grensprocedure maximaal twaalf weken. Volgens de Afdeling kan grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval niet langer dan dertien weken duren.

De rechtbank stelt vast dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure, als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening. De Afdeling heeft recent geoordeeld dat deze omstandigheden weliswaar niet tegelijkertijd van toepassing kunnen zijn, maar ziet hierin geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet immers zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiser op 29 juni 2026 aan de buitengrens is gescreend en dezelfde dag is verwezen naar de asielgrensprocedure omdat hij een asielgrens heeft geuit. Dit betekent dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de periode van screening en dat de grensdetentie in ieder geval te lang voortduurt na twaalf weken vanaf de oplegging van de maatregel. Voor eiser betekent dit dat uiterlijk op 21 september 2026 op zijn asielberoep moet zijn beslist. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en volgens eiser aangegeven dat zo snel mogelijk uitspraak zal worden gedaan. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet binnen de gestelde termijn van twaalf weken zal beslissen. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gebleken die erop wijzen dat deze uiterste termijn zal worden overschreden. De enkele omstandigheid dat de schriftelijke ronde op 11 augustus 2026 is afgerond, het onderzoek op 3 september 2026 is gesloten en eiser sindsdien op de uitspraak wacht, maakt de voortduring van de maatregel niet onrechtmatig. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de grensdetentie op het moment van sluiten van het onderzoek niet onredelijk lang voortduurt. De rechtbank benadrukt daarbij dat 21 september 2026 de laatste dag is waarop eiser op deze grondslag (artikel 6, derde lid, van de Vw) in grensdetentie mag verblijven.

5. Daarnaast overweegt de rechtbank dat zij in de hiervoor genoemde uitspraak van 10 juli 2026 al heeft geoordeeld dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. In hetgeen eiser aanvoert omtrent gewijzigde omstandigheden – te weten de gestelde vertraging en de duur van de grensdetentie – ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat nu wel een lichter middel moeten worden toegepast. De minister heeft afdoende gemotiveerd dat het grensbewakingsbelang nog steeds onverminderd aanwezig is en dat eiser ook in deze fase geen bijzondere persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot het toepassen van een minder dwingende maatregel. De maatregel kan daarom in het licht van het grensbewakingsbelang in stand blijven.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Gelet op de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, herhaald op 28 augustus 2025, en de overige rechtspraak, is de rechtbank van oordeel dat de beantwoording van deze kwestie voldoende duidelijk is.

Conclusie en gevolgen

7. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.

8. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand