RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3030
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.Tevens heeft verweerder vermeld dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en dat (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat eiser de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
Eiser betwist de zware gronden 3a en 3e omdat uit het dossier niet duidelijk wordt welke informatie bij de visumaanvraag kort verblijf is verstrekt en op welke gronden het visum voor kort verblijf is toegekend. Hierdoor ontbreekt de mogelijkheid om te beoordelen of er sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste informatie of oneigenlijk gebruik van het visum.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij de zware grond 3a kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Omdat eiser met een door Verenigde Arabische Emiraten afgegeven (Schengen)visum voor kort verblijf in Nederland is ingereisd en vervolgens na aankomst op de luchthaven een asielaanvraag heeft ingediend, heeft verweerder terecht overwogen dat eiser – ondanks dat hij in het bezit is van een geldig paspoort van Bangladesh – Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen omdat hij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van het verkregen Schengenvisum (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1561). Eiser beschikte slechts over een visum voor kort verblijf en heeft met zijn asielwens te kennen gegeven lang verblijf te wensen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De zware grond 3a en de overige niet betwiste gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de zware grond 3e, laat de rechtbank dan ook onbesproken. Ook gaat de rechtbank niet in op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser voert ter zitting aan dat hij denkt weer een hartinfarct te zullen krijgen door de stress die hij ervaart door zijn verblijf in detentie.
Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem vanwege zijn medische en psychische gesteldheid onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Zoals verweerder in de maatregel heeft opgemerkt, heeft eiser toegang tot de medische dienst. Eiser heeft ook gebruik gemaakt van de medische dienst en heeft verklaard medicatie te ontvangen voor zijn hartklachten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Ter zitting heeft verweerder ook verklaard dat eiser altijd een onderzoek naar detentieongeschiktheid kan opstarten waarbij wordt gekeken of hij buiten de inrichting behandeld dient te worden. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in de te toetsen periode een lichter middel dan bewaring had moeten toepassen. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 27 november 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.