ECLI:NL:RBDHA:2026:27499

ECLI:NL:RBDHA:2026:27499

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-06-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer NL25.13084
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte niet kenbaar heeft besloten op het verzoek om heroverweging van eiser. Nu verweerder dit heeft nagelaten bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besteden besluit, enkel voor zover verweerder daarin de ingangsdatum van de reguliere verblijfsvergunning heeft vastgesteld op 3 september 2024

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.13084 (beroep)

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),

en

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van een verblijfsvergunning regulier met als doel familieleven op grond van artikel 8 EVRM. Eiser is het niet eens met de datum vanaf wanneer deze verblijfsvergunning is ingewilligd. De ingangsdatum had volgens eiser moeten worden vastgesteld op 7 maart 2017, de datum van eisers eerste aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte niet kenbaar heeft besloten op het verzoek om heroverweging van eiser. Nu verweerder dit heeft nagelaten bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besteden besluit, enkel voor zover verweerder daarin de ingangsdatum van de reguliere verblijfsvergunning heeft vastgesteld op 3 september 2024. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 maart 2017 zijn eerste aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf bij zijn zus [naam 1] (referente) op grond van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juli 2017 afgewezen. Verweerder stelde dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan. Bij het besluit op bezwaar van 6 februari 2018 is verweerder bij deze afwijzing gebleven. Bij uitspraak van 7 december 2018 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het tegen deze beschikking ingestelde beroep gegrond verklaard. Verweerder heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen deze uitspraak.

Eiser is op 25 maart 2019 gehoord door een ambtelijke commissie. Bij beschikking van 3 april 2019 heeft verweerder het bezwaarschrift wederom ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 december 2019 is het tegen deze beschikking ingestelde beroep opnieuw gegrond verklaard. Verweerder is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

Op 10 februari 2020 is eisers bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 10 maart 2020 ingetrokken. Op 30 juni 2020 is eiser opnieuw gehoord. Op 4 augustus is het besluit op bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Het door verweerder ingestelde hoger beroep is door de Afdeling op 9 september 2020 gegrond verklaard. Eiser heeft hierna een klacht ingediend bij het EHRM over schending van zijn rechten onder artikel 8 EVRM.

Eiser heeft op 3 september 2024 een nieuwe aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier. Deze aanvraag is met het primaire besluit van 12 december 2024 afgewezen.

Op 10 december 2024 heeft het EHRM geoordeeld dat tussen eiser en zijn zussen in Nederland sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM en een schending van deze bepaling vastgesteld. Eiser heeft naar aanleiding van dit arrest in het bezwaarschrift van 31 december 2024 gevraagd om een herziening van de besluitvorming van 27 juli 2017.

Eisers tweede aanvraag is ingewilligd met het besluit op bezwaar van 19 februari 2025. Eisers verblijfsvergunning is geldig van 3 september 2024 tot 3 september 2029.

De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [naam 2] als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser heeft een verstandelijke beperking en is niet in staat om in zijn eigen verzorging en levensonderhoud te voorzien. Eiser is altijd door zijn ouders verzorgd in Peru, tot het overlijden van zijn ouders en zijn hierop volgende vertrek uit Peru in 2015 met zijn zus [naam 1] (referente). Aan hem is een langdurig visum verleend wegens bijzondere omstandigheden. Hij verblijft sindsdien in Nederland. Hij heeft vier zussen die in Nederland verblijven en één broer die in Spanje verblijft. Zijn zussen delen de zorgtaken. Eiser heeft meerdere procedures doorlopen over de vrijstelling voor een mvv in het kader van artikel 8 EVRM en het hebben van familieleven met zijn zussen, omdat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en emotionele binding met zijn zussen. Verweerder heeft in verschillende beslissingen op bezwaar besloten dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met zijn zussen, omdat zijn zussen niet betrokken waren bij eisers verzorging in Peru en in Nederland een eigen gezin hebben gevormd. Ook had eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij voor de volledige verzorging afhankelijk was van mantelzorg van zijn zussen. Eisers broer woonde ten tijde van de vorige procedures nog in Peru en kon volgens verweerder ook voor eiser zorgen. Daarnaast is het in vorige procedures ook gegaan over het aandragen van medische gegevens door eiser. Eiser had volgens verweerder geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt welke zorg hij precies nodig heeft, en is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de benodigde zorg in Peru niet beschikbaar is of dat de zorg die zijn zussen verlenen niet ook door derden kan worden verleend in Peru. Verweerder heeft in de uitspraak van het EHRM aanleiding gezien om eiser bij het besluit op bezwaar van 19 februari 2025 alsnog een verblijfsvergunning te verlenen. Tussen partijen is nu alleen nog in geschil wat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning moet zijn.

Moet eiser griffierecht betalen?

4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft geen griffierecht te betalen.

Mocht verweerder de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning vaststellen op 3 september 2024?

5. Eiser voert aan dat de beschikking van 19 februari 2025 niet voldoende is gemotiveerd en geen stand kan houden, nu verweerder niet is ingegaan op de passage in het bezwaarschrift waarin eiser vraagt om de beschikking van 27 juli 2017 te herzien en zijn verblijfsaanvraag van 7 maart 2017 alsnog in te willigen. Aan eiser is verblijf toegekend, maar hij heeft niet alles gekregen waar hij om heeft verzocht. Eiser had dus ook gehoord moeten worden over zijn bezwaren nu er geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift.

Tussen partijen is niet in geschil dat er een verzoek om herziening van het besluit van 27 juli 2017 is gedaan bij de gronden van bezwaar van 31 december 2024. Verweerder heeft op zitting erkend dat dit verzoek over het hoofd is gezien. Verweerder heeft de rechtbank echter verzocht dit gebrek te passeren, omdat het verzoek om herziening niet leidt tot een ander standpunt. Verweerder blijft erbij dat de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning op 3 september 2024 moet worden vastgesteld, de datum waarop eiser zijn tweede aanvraag heeft gedaan. Verweerder stelt in dat verband dat niet is gebleken dat sprake was van een evident onrechtmatig besluit. Dat het EHRM inmiddels heeft geoordeeld dat sprake is van gezinsleven, betekent niet dat eiser in de eerste procedure een vergunning had moeten krijgen, omdat na deze vaststelling nog een belangenafweging plaatsvindt waar het EHRM niet over heeft geoordeeld. Daarnaast zou deze belangenafweging in het nadeel van eiser zijn uitgevallen, omdat geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden. Verweerder heeft de vergunning uiteindelijk mede vanwege de lange procedure en de schending die is vastgesteld door het EHRM verleend. Verweerder handhaaft de datum van de nieuwe aanvraag als ingangsdatum, omdat pas na de uitspraak van het EHRM sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.

Nu eiser bij de gronden op bezwaar heeft verzocht om een bestuurlijke heroverweging en verweerder dit heeft nagelaten, is reeds hierom al sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat om deze gebreken te passeren, zoals door verweerder verzocht, of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt.

In de eerste plaats volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat de besluitvorming op de eerste asielaanvraag van eiser niet evident onrechtmatig was. Het EHRM heeft zich in de uitspraak van 12 december 2024 uitgelaten over de feiten en omstandigheden die golden ten tijde van de voorgaande procedure, en daarin aanleiding gezien voor het oordeel dat de positieve verplichting om familieleven onder artikel 8 EVRM mogelijk te maken is geschonden. De Nederlandse autoriteiten hadden de toepasselijkheid van de bepaling onjuist beoordeeld en verzuimd om een belangenafweging te maken. Dat betekent dat de besluitvorming destijds onjuist is geweest en op een onjuiste grondslag tot stand is gekomen. Dat deze besluitvorming door de uitspraak van de Afdeling in rechte is komen vast te staan, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

In de tweede plaats is van belang dat in artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) weliswaar is bepaald dat een vergunning niet eerder wordt verleend dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen, maar dat dit er niet aan in de weg staat om van een eerdere ingangsdatum uit te gaan in het geval eiser heeft verzocht om een bestuurlijke heroverweging van een oordeel. Dit volgt ook uit een uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2019. Bij een beslissing op een verzoek om bestuurlijke heroverweging als hier aan de orde, dient de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning te worden afgestemd op de datum waarop de desbetreffende eiser aan alle vereisten voldeed.

Het is gelet op het voorgaande aan verweerder om alsnog zorgvuldig te onderzoeken of eiser naar aanleiding van zijn eerste aanvraag in aanmerking zou zijn gekomen voor een verblijfsvergunning, als destijds door verweerder wel familieleven was aangenomen. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, is dat afhankelijk van de uitkomst van een belangenafweging. In die belangenafweging moeten alle feiten en omstandigheden worden meegenomen. De enkele stelling van verweerder ter zitting dat deze in het nadeel van eiser zou zijn uitgevallen omdat geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een deugdelijke belangenafweging die het standpunt dat eiser per 7 maart 2017 nog niet in aanmerking kwam voor een vergunning kan dragen.

6. Verweerder dient met inachtneming van het bovenstaande opnieuw te beslissen over de in het bestreden besluit opgenomen ingangsdatum. Met betrekking tot de hoorplicht overweegt de rechtbank dat als verweerder ook na de heroverweging de ingangsdatum van 3 september 2024 handhaaft, in zoverre geen sprake is van een volledige tegemoetkoming van het bezwaar en hij eiser dan alsnog in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de ingangsdatum van de verleende vergunning.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Eiser is vrijgesteld van het griffierecht. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 februari 2025 enkel voor zover dit ziet op de ingangsdatum van de verleende vergunning;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E.L. Grooten, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Doorman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.E.L. Grooten

Griffier

  • mr. M. Doorman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand