ECLI:NL:RBDHA:2026:27500

ECLI:NL:RBDHA:2026:27500

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer NL26.51875 en NL26.53193
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Eerste beroep vreemdelingenbewaring. Maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw en de toegangsweigering. Toegangsweigering is niet onrechtmatig. Hoewel er een gebrek zit bij de oplegging van de maatregel van bewaring passeert de rechtbank dit gebrek met artikel 6:22 van de Awb. Er is nog zicht op uitzetting. Beroep ongegrond, wel proceskostenveroordeling

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.51875 (de maatregel) en NL26.53193 (de toegangsweigering)

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. S. Faber),

en

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd. Bij besluit van 2 september 2026 (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.

De rechtbank heeft de beroepen op 14 september 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Zelf heeft hij afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1978 en de Israëlische nationaliteit te hebben.

Waarover gaat deze uitspraak?

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of aan eiser rechtmatig de toegang is geweigerd en of verweerder aan hem een vrijheidsontnemende maatregel heeft kunnen opleggen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De beroepen zijn ongegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Feiten en omstandigheden

3. Eiser is vanuit Tel Aviv naar Nederland gevlogen. Op dinsdag 1 september 2026 om 18:23 uur is er een grenscontrole uitgevoerd. Op basis van deze eerstelijnscontrole ontstond er twijfel of eiser voldeed aan de voorwaarden voor toegang. Op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Schengengrenscode is een tweedelijnscontrole uitgevoerd. Vervolgens is aan eiser op 1 september 2026 de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd en is aan hem een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Op 2 september 2026 is eiser overgebracht naar het Justitieel Complex Schiphol en is aan hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)

4. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:

- niet in het bezit van passende documentatie was waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf blijken. Hij was niet in bezit van enkele documenten waaruit doel en omstandigheden blijken.

Eiser voert aan dat niet goed gecontroleerd kan worden welke vragen zijn gesteld door de autoriteiten om erachter te komen of eiser zijn doel en omstandigheden van zijn verblijf heeft kunnen aantonen, en dus niet duidelijk is wat tot die conclusie heeft geleid. In het proces-verbaal van bevindingen is vermeld dat aan eiser vragen zijn gesteld en dat hij niet wilde antwoorden, maar het is niet inzichtelijk welke vragen dat zijn geweest. Daarnaast is niet duidelijk volgens eiser of er onderzoek is gedaan naar of hij een retourticket had, en had het geld dat hij bij zich had geteld kunnen worden om te beoordelen of hij voldoende middelen van bestaan had.

De rechtbank ziet geen aanleiding de toegangsweigering onrechtmatig te achten en oordeelt daartoe als volgt. Anders dan eiser stelt is de rechtbank van oordeel dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 1 september 2026 wel volgt welke vragen de verbalisant aan eiser heeft gesteld. Zo is eiser onder andere gevraagd naar een reisdocument, bewijsstukken ter staving van de toegangsvoorwaarden en middelen van bestaan. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal dat eiser erop is gewezen dat hij een zienswijze zou kunnen inbrengen, maar daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Verder blijkt uit het dossier dat eiser consequent niet op vragen van verbalisanten antwoord wil geven en er geen communicatie mogelijk was. De omstandigheid dat eisers geld niet is geteld, maakt dat oordeel niet anders. Ook als uitgegaan wordt van eisers eigen verklaring dat hij in het bezit is van € 1.000,-, doet dat geen afbreuk aan de conclusie dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Verder constateert de rechtbank dat uit hetzelfde proces-verbaal volgt dat eiser een ticket van de enkele reis van Tel Aviv naar Amsterdam had en dus niet in het bezit was van een retourticket.

Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)

5. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

6. Eiser voert aan dat hem ten onrechte de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Bij de oplegging van onderliggende maatregel op 2 september 2026 is immers in het dossier geen proces-verbaal van gehoor geüpload, terwijl dit wel de algemene gang van zaken is. Daardoor is niet inzichtelijk om welke reden de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd en is deze derhalve onrechtmatig.

De rechtbank ziet geen aanleiding de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig te achten en oordeelt daartoe als volgt. Ter zitting heeft verweerder erkend dat er geen proces-verbaal van gehoor bij de oplegging van de maatregel is opgemaakt. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting navraag gedaan bij de Koninklijke Marechaussee (Kmar). De Kmar heeft aangegeven dat eiser niet in staat was om gehoord te worden. Zij hebben het wel geprobeerd. Verweerder heeft geprobeerd hiervan een proces-verbaal op te laten maken, maar omdat de twee verbalisanten die eiser getracht hebben te horen, momenteel op vakantie zijn, is dat niet voor de zitting gelukt.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat niet duidelijk uit het dossier blijkt welke vragen aan eiser zijn gesteld, of welke vragen de verbalisanten voornemens waren te stellen maar niet gesteld konden worden, alvorens de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Dat maakt dat er sprake is van een gebrek. Verweerder heeft dit gebrek ter zitting ook erkend. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat niet is gebleken op welke wijze eiser in zijn belangen is geschaad. De toelichting van de gemachtigde van eiser ter zitting dat hij in zijn belangen is geschaad omdat ‘hij nu in bewaring zit’, is daartoe onvoldoende. Bovendien past de beschreven gang van zaken door verweerder in het algehele beeld dat de rechtbank vanuit het dossier heeft gekregen, namelijk dat steeds getracht wordt vragen te stellen aan eiser, maar dat hij geen antwoord wil geven en dat communiceren niet mogelijk is. Ter zitting heeft zijn gemachtigde aangegeven dat hij eiser in bewaring heeft opgezocht maar eiser niet met zijn gemachtigde wilde spreken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Handelt verweerder voortvarend genoeg?

7. Eiser voert aan dat van verweerder verwacht mag worden dat hij voortvarender werkt aan eisers uitzetting.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt. Daarbij betrekt zij dat aan eiser de kans is geboden op 2 september 2026 om terug te keren. Eiser heeft aangegeven dat niet te willen. Omdat eiser nu middels escorts begeleid zal moeten worden, en niet elke vlucht zich daarvoor leent, dient verweerder dit zo spoedig mogelijk te bewerkstelligen maar krijgt hij daar ruimte voor om dit te organiseren. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier dat verweerder hier niet voldoende voortvarend aan werkt.

De beroepsgrond slaagt niet.

De conclusie in beide beroepen

8. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Gelet op het oordeel in rechtsoverweging 6.2. ten aanzien van de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift in bestreden besluit 2 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling van een vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Broekhof

Griffier

  • mr. M.J. Schelhaas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand