ECLI:NL:RBDHA:2026:27504

ECLI:NL:RBDHA:2026:27504

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer NL26.32185
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser wordt niet aangemerkt als een réfugié sur place, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging en de in dat licht ondernomen activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten is komen te staan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.32185

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. G.E. Jans)

en

(gemachtigde: mr. M. Flach).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser wordt niet aangemerkt als een réfugié sur place, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging en de in dat licht ondernomen activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten is komen te staan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 maart 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 juni 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1966 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij verblijft sinds 1988 illegaal in Nederland. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij niet kan terugkeren naar Turkije vanwege de discriminatie die hij als Aleviet heeft ervaren en vanwege de politieke activiteiten die hij na zijn vertrek heeft ondernomen. Eiser heeft in Nederland deelgenomen aan demonstraties tegen de Turkse regering. Hij vreest bij terugkeer opgepakt te worden door de Turkse autoriteiten, omdat hij als tegenstander van het regime wordt gezien.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:

Verweerder heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht, maar stelt zich op het standpunt dat de discriminatie die eiser heeft ondervonden niet heeft geleid tot een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden waardoor het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zijn vrees vanwege zijn politieke overtuiging niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens verweerder blijkt nergens uit dat eiser bekend is of zal raken bij de Turkse autoriteiten als een politieke opposant. Bovendien is de politieke overtuiging van eiser niet zo sterk dat de autoriteiten hem als een serieuze opposant zullen zien. Eiser is niet op grote schaal politiek actief geweest en heeft geen leidende rol gehad tijdens zijn politieke activiteiten. Verweerder neemt ook mee dat eiser pas na 35 jaar asiel heeft aangevraagd in Nederland en als verklaring hiervoor geeft dat hij niet langer in de illegaliteit kon blijven, een vaste baan en een leven wil, maar ook dat zijn ouderdom en gezondheidsklachten meespelen. Volgens verweerder duidt dit niet op een noodzaak voor internationale bescherming. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Verweerder concludeert dat de asielaanvraag van eiser moet worden afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Het besluit is ook een terugkeerbesluit en aan eiser is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Loopt eiser bij terugkeer gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade?

5. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als réfugié sur place. Volgens eiser zijn de problemen naar aanleiding van zijn politieke overtuiging en de door hem verrichte activiteiten pas ontstaan na zijn vertrek uit Turkije. Eiser is Aleviet en voert aan dat zijn vrees voortkomt uit een combinatie van zijn deelname aan demonstraties, zijn politieke overtuiging, zijn lidmaatschap van de Alevitische Culturele Vereniging in Nederland en zijn langdurig verblijf buiten Turkije. Daarbij komt dat de situatie in Turkije in de jaren na eisers vertrek is verslechterd en de Turkse autoriteiten hem als een politieke opposant zien. Volgens eiser werpt verweerder daarom ten onrechte tegen dat hij pas na 35 jaar asiel heeft aangevraagd.

Discriminatie

6. De rechtbank stelt vast dat eiser ook heeft verklaard dat hij in Turkije als Aleviet is gediscrimineerd door de Turkse autoriteiten. Verweerder heeft dit geloofwaardig geacht, maar stelt zich op het standpunt dat de discriminatie niet heeft geleid tot een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden waardoor het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. De rechtbank constateert dat eiser hier geen gronden tegen heeft gericht. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat sprake is van dusdanige discriminatie van eiser dat hij zich niet staande kon houden in Turkije. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat hij toegang had tot medische zorg, onderwijs en werk in Turkije. Voor zover eiser in dit kader stelt dat er sprake is van een verslechtering ten aanzien van de situatie van Alevieten in Turkije en hij daardoor bij eventuele terugkeer hier geen toegang tot zal krijgen, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet heeft onderbouwd. Politieke overtuiging

7. Ten aanzien van eisers politieke overtuiging overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft, heeft deelgenomen aan demonstraties en dat hij lid is van de Alevitische Culturele Vereniging in Nederland. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat de Turkse autoriteiten hem als politieke opposant beschouwen waardoor hij in de negatieve belangstelling is komen te staan. Weliswaar blijkt uit de door eiser overgelegde verklaringen van de Alevitische Culturele Vereniging dat zijn activiteiten voor de vereniging zichtbaar waren, consistent en in het openbaar, maar dit is onvoldoende onderbouwd. Zo heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er foto’s van hem zijn gemaakt tijdens een demonstratie. Daarbij komt dat eiser hierover ook geen concrete verklaringen heeft afgelegd, zoals om welke demonstratie het ging en wanneer die heeft plaatsgevonden. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij niet wist wanneer deze demonstratie heeft plaatsgevonden, maar ter zitting heeft hij toegelicht dat dit in 2025 is geweest. Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit eisers deelname aan een demonstratie op zichzelf niet volgt dat hij bij terugkeer een risico op vervolging loopt. Verweerder heeft bij de beoordeling van dit risico terecht betrokken dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij een belangrijke rol heeft gehad bij demonstraties. Ook de door eiser verstrekte verklaringen van de Alevitische Culturele Vereniging maken niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat of zal komen te staan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in de verklaringen de risico’s enigszins terughoudend zijn geformuleerd. Zo wordt er gesproken over een ‘mogelijkheid’ dat de Turkse autoriteiten kennis hebben genomen van de activiteiten van eiser en dat de betrokkenheid van eiser ‘in bepaalde omstandigheden’ als oppositiegericht kan worden beschouwd. In de verklaringen wordt verder alleen verwezen naar situaties waarin drie bestuurders van Alevitische organisaties bij terugkeer naar Turkije problemen hebben ervaren. Niet is gebleken dat leden van Alevitische organisaties die geen bestuurlijke functie vervullen, zoals eiser, bij terugkeer naar Turkije ook problemen ervaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat uit deze informatie blijkt dat eiser een risico loopt bij terugkeer. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije (AAB) van februari 2025 blijkt ook niet dat Alevieten worden gemonitord. Dit blijkt evenmin uit het rapport van Nordic Monitor van 20 februari 2026, nu daarin niet specifiek wordt ingegaan op Alevieten. Ook eisers verwijzing naar het artikel uit de Kanttekening van 27 april 2023 acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Daaruit volgt dat Turkse Nederlanders die kritisch zijn op de Turkse autoriteiten en dit actief uiten, bang zijn voor de invloed van Turkije en druk kunnen ervaren. Uit dit artikel blijkt echter niet dat Alevieten in het algemeen bij terugkeer naar Turkije een risico op vervolging of ernstige schade lopen. De door eiser verstrekte foto’s zijn eveneens onvoldoende, nu eiser zelf heeft verklaard dat deze niet openbaar zijn gemaakt. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn politieke overtuiging zo sterk is dat hij dit zal willen uiten bij terugkeer. De omstandigheid dat eiser al heel lang buiten Turkije verblijft en dat dit in samenhang met eisers activiteiten een risico vormt bij terugkeer, is niet onderbouwd en volgt ook niet als zodanig uit het AAB. Voor zover eiser bedoelt dat de Turkse autoriteiten zullen veronderstellen dat hij asiel heeft aangevraagd, volgt uit het AAB dat dit niet noodzakelijkerwijs tot problemen leidt en dat dit sterk van de individuele omstandigheden afhangt. Gewezen wordt op de situaties waarin er van iemand nog een juridische procedure liep in Turkije. Daarvan is bij eiser niet gebleken.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het risico dat eiser loopt bij terugkeer naar Turkije terecht heeft betrokken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt wat de directe aanleiding is geweest voor zijn asielaanvraag en dat dit vragen oproept over de noodzaak van zijn beschermingsvraag. Uit eisers verklaringen in het nader gehoor blijkt dat hij pas na 35 jaar asiel heeft aangevraagd, omdat hij niet meer in de illegaliteit wilde leven, een vaste baan en een normaal leven wil. Zijn ouderdom en gezondheidsklachten spelen daarin volgens eisers verklaringen ook mee. Ter zitting heeft eiser nog gewezen op de in Turkije verslechterde situatie, zijn deelname aan demonstraties, zijn lidmaatschap, het risico op inbewaringstelling en het politieke klimaat in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat eiser ook hiermee niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de concrete aanleiding van zijn asielaanvraag was en in het verlengde daarvan niet heeft onderbouwd waarom hij pas in 2024, na een illegaal verblijf van 35 jaar in Nederland, asiel heeft aangevraagd.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat eiser zijn vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij vanwege zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat of zal komen te staan. Er is in eisers geval dan ook geen sprake van réfugié sur place. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht als kennelijk ongegrond afgewezen?

8. Eiser voert aan dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Volgens eiser kan verweerder niet tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend, nu zijn vrees pas later is ontstaan.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is in 1988 Nederland ingereisd en heeft op 21 maart 2024 asiel aangevraagd. Eiser heeft, zoals hiervoor is overwogen, niet concreet gemaakt wat de directe aanleiding is geweest voor zijn asielaanvraag in 2024. Van iemand die stelt te vrezen bij terugkeer naar Turkije mag worden verwacht dat hij zich zo snel mogelijk meldt. Dat geldt ook voor illegaal verblijvende vreemdelingen die op enig moment bescherming nodig denken te hebben. Eiser heeft niet voldoende uitgelegd waarom hij hier zo lang mee heeft gewacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag daarom terecht als kennelijk ongegrond afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.A.J. van Beek

Griffier

  • mr. F. Aden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand