RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.28942
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.J. Hoppenbrouwer),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Heeft eiser procesbelang bij zijn procedure?
5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of
eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Uit het dossier blijkt dat eiser sinds 4 mei 2026 is gemeld als zijnde met onbekende bestemming vertrokken (MOB).
6. De rechtbank heeft daarom op 24 juni 2026 de gemachtigde van eiser schriftelijk verzocht of nog contact is onderhouden met eiser over de procedure of dat er andere relevante feiten en omstandigheden te melden zijn, als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2024, rechtsoverweging 2.7., ECLI:NL:RVS:2024:2662. De gemachtigde van eiser heeft op
26 juni 2026 gereageerd dat er nog contact met eiser is over de beroepsprocedure en dat er in de ogen van gemachtigde dus nog procesbelang is.
7. Hoewel de mededeling van de gemachtigde van eiser van 26 juni 2026 dat
nog contact wordt onderhouden met eiser summier is, is de rechtbank van oordeel dat dat in dit geval voldoende is om ervan uit te gaan dat eiser nog belang heeft bij deze procedure.
Daarbij wijst de rechtbank erop dat die mededeling dateert van na de MOB-melding en er verder geen concrete aanknopingspunten zijn die de conclusie rechtvaardigen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming of geen belang meer heeft.
Kan ten aanzien van Duitsland worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
8. Eiser voert aan dat hij niet kan worden overgedragen aan Duitsland, vanwege zijn ervaringen daar. In Duitsland heeft hij vier maanden in detentie gezeten, waarbij hij meerdere malen is mishandeld door een cipier. Eiser heeft hierdoor ernstige psychische klachten ontwikkeld. Ook heeft eiser een zelfmoordpoging gedaan in de gevangenis. Na deze poging werd hij naakt opgesloten in een isoleercel en kreeg hij slechts één gesprek met een psycholoog. De Duitse autoriteiten hebben onvoldoende rekening gehouden met zijn ernstige medische klachten. De minister heeft zijn ervaringen ten onrechte niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De mededeling van de minister dat er geen stukken zijn overgelegd en dat eiser geen klacht heeft ingediend bij de Duitse autoriteiten, is onvoldoende. Eiser wijst op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 27 maart 20242, waarin de rechtbank expliciet heeft overwogen dat het standpunt van de minister dat hij geen geloofwaardigheidsoordeel over ervaringen in de verantwoordelijke lidstaat hoeft te verrichten, niet langer houdbaar is. Als de verklaringen van de vreemdeling wijzen op ernstige tekortkomingen in de asielprocedure en opvang, moet de betrokken lidstaat uit eigen beweging na gaan of hieruit aanwijzingen voortvloeien dat na overdracht opnieuw sprake zal zijn van dergelijke tekortkomingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.
9. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft op 4 september 2024 uitspraak gedaan op het hoger beroep tegen de door eiser genoemde uitspraak.3 De Afdeling heeft hierin – kort gezegd – geoordeeld dat de minister geen geloofwaardigheidsbeoordeling hoeft te maken, het gaat alleen om de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er systeemfouten zijn die voor de overdracht van eiser relevant zijn.
2 ECLI:NL:RBDHA:2024:4267.
3 ECLI:NL:RVS:2024:3455.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat er systeemfouten zijn die voor de overdracht van eiser relevant zijn. De ervaringen van eiser zien op strafrechtelijke detentie. Met zijn verklaringen daarover heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen. Bij overdracht aan Duitsland zal eiser in beginsel niet in strafrechtelijke detentie komen, maar in een opvangvoorziening of mogelijk in vreemdelingenbewaring. Zijn ervaringen in strafrechtelijke detentie maken daarom niet aannemelijk dat er systeemfouten zijn waardoor eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
10. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening niet wordt afgezien van een overdracht aan Duitsland. De minister heeft de omstandigheden van eiser, zoals weergegeven onder overweging 8, ten onrechte niet in samenhang heeft beoordeeld. Verder vreest eiser bij overdracht aan Duitsland dat hij wordt teruggestuurd naar Turkije, waar hem een gevangenisstraf van twintig jaar wacht. Deze psychische druk is voor eiser te veel.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het bestreden besluit volgt dat de door eiser genoemde omstandigheden zijn besproken. De gestelde psychische problemen van eiser zijn niet met (medische) documenten onderbouwd. Ook de psychische druk ten aanzien van een mogelijk terugkeer naar Turkije is niet onderbouwd. De minister heeft in het bestreden besluit verder deugdelijk gemotiveerd waarom de ervaringen van eiser in Duitsland niet leidt tot een ander oordeel. Verder is niet gebleken van tekortkomingen in de asielprocedure in Duitsland, waardoor Duitsland ook zal toetsen aan het risico op refoulement aan Turkije. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister Duitsland terecht heeft aangemerkt als het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 juli 2026
Documentcode:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.