RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres 1] , eiseres 1,
[eiseres 2] , eiseres 2,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.46986 (beroep eiseres 1) en NL25.46987 (beroep eiseres 2)
V-nummer: [# 1] ,
mede namens haar minderjarige dochter:
[naam dochter] ,
V-nummer: [# 2] ,
V-nummer: [# 3] ,
hierna te noemen: eiseressen
(gemachtigde: mr. A. Hol)
en
(gemachtigde: mr. G. Zwitser).
1. Eiseressen komen uit Egypte. Zij hebben op 22 maart 2022 asiel aangevraagd vanwege de problemen die eiseres 1 in Egypte heeft ervaren.
Verweerder had de asielaanvragen van eiseressen in eerste instantie afgewezen. Hiertegen hebben eiseressen beroep ingesteld. Dit beroep is gegrond verklaard. Daarna heeft verweerder de aanvragen opnieuw afgewezen, waarna eiseressen opnieuw beroep hebben ingesteld. Daags voor de zitting om dit beroep te behandelen, heeft verweerder zijn besluiten ingetrokken en de asielaanvragen toch ingewilligd. Eiseressen hebben een verblijfsvergunning asiel gekregen met als ingangsdatum 6 augustus 2026.
Eiseressen zijn het niet eens met de ingangsdatum van hun verblijfsvergunning. Zij vinden dat de ingangsdatum veranderd moet worden naar de datum van hun asielaanvraag.
De rechtbank volgt eiseressen. De rechtbank draagt verweerder op om eiseressen een verblijfsvergunning asiel toe te kennen met als ingangsdatum 22 maart 2022.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseressen hebben op 22 maart 2022 asiel aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 11 januari 2024 afgewezen als ongegrond.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten.
Op 17 maart 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen, waarin eiseres 1 op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) om medische redenen zes maanden uitstel van vertrek krijgt.
Op 17 april 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen van eiseressen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen.
Op 4 september 2025 heeft verweerder de asielaanvragen van eiseressen opnieuw ongegrond verklaard.
Eiseressen hebben hiertegen beroep ingesteld.
Op 27 juli 2026 heeft verweerder zijn besluiten van 4 september 2025 ingetrokken. Op 5 augustus 2026 heeft verweerder de asielaanvragen van eiseressen ingewilligd.
De rechtbank heeft de beroepen op 6 augustus 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen, de gemachtigde van eiseressen, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseressen hebben de Egyptische nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1982, [geboortedatum 2] 2007 en [geboortedatum 3] 2006. Eiseres 1 legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij koptisch christen is. Op haar werk heeft zij met een collega genaamd [naam 2] gesproken over het christendom. [naam 2] is uiteindelijk tot het christendom bekeerd. Eiseres heeft [naam 2] toen in contact gebracht met een klooster. Een non zou [naam 2] helpen om naar Canada te reizen. In februari 2021 is eiseres 1 gearresteerd en ondervraagd over de situatie van [naam 2] . Eiseres 1 heeft vervolgens drie maanden in detentie gezeten. Zij is daar seksueel misbruikt. In mei 2021 is eiseres 1 weer vrijgelaten. Daarna is zij driemaal opgeroepen om te verschijnen voor de rechtbank. Tweemaal is zij verschenen en beide keren is zij ondervraagd. Op 17 maart 2022 heeft eiseres 1 Egypte verlaten, samen met haar twee dochters. Eiseres 1 heeft nadien vernomen dat zij in november 2022 is veroordeeld door de Egyptische rechtbank voor een gevangenisstraf van één jaar en een hoge boete. Bij terugkeer naar Egypte vreest eiseres 1 voor haar vrijheid. Ook vreest zij voor ontvoering, een gedwongen huwelijk en een gedwongen bekering van haar dochters, omdat haar dochters jonge, christelijke vrouwen zijn.
Eiseres 1 heeft haar asielaanvraag mede namens haar jongste dochter ingediend, die ten tijde van de asielaanvraag nog minderjarig was. De oudste dochter van eiseres, eiseres 2, heeft zelf een asielaanvraag ingediend. De problemen van eiseres 1 liggen ook ten grondslag aan de asielaanvragen van haar dochters.
De bestreden besluiten
4. Daags voor de zitting heeft verweerder de bestreden besluiten ingetrokken. Eén dag voor de zitting heeft verweerder de asielaanvragen van eiseressen ingewilligd. Eiseres 1 heeft een verblijfsvergunning asiel zoals bedoeld in artikel 29 van de Vw gekregen. De dochters van eiseres 1 hebben een verblijfsvergunning asiel zoals bedoeld in artikel 29b van de Vw gekregen. Er wordt een verblijfspas verstrekt voor drie jaar. De verblijfsvergunningen zijn geldig vanaf 6 augustus 2026.
Ingangsdatum verblijfsvergunning asiel
5. De dag voor de zitting hebben eiseressen aangegeven dat zij hun beroepen niet willen intrekken. Zij voeren aan dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunningen in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en gelijke behandeling. Eiseressen hebben immers al op 22 maart 2022 asiel aangevraagd en verweerder heeft pas na ruim vier jaar de verblijfsvergunningen verleend. Eiseressen zijn hierdoor bestolen van kostbare tijd. Als zij in 2022 een verblijfsvergunning hadden gekregen, dan zouden zij al in 2027 in aanmerking komen voor naturalisatie. De thans verleende verblijfsvergunningen sluiten naturalisatie uit tot in ieder geval 6 augustus 2031. Eiseressen verzoeken de rechtbank verweerder op te dragen om de ingangsdatum van de thans verleende verblijfsvergunningen te veranderen naar 22 maart 2022.
Ter zitting heeft verweerder hierop gereageerd. Verweerder heeft niet om aanhouding verzocht en heeft zijn besluiten gehandhaafd.
De rechtbank volgt eiseressen en voorziet zelf in de zaak. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Artikel 44, tweede lid en artikel 34 van de Vw zoals die luidden ten tijde van de asielaanvragen, bepaalden dat bij inwilliging een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen, voor de duur van vijf jaar. De sinds 12 juni 2026 van toepassing zijnde artikelen 44, tweede lid en artikel 9, derde lid van de Vw, die zijn ingevoerd met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (Implementatiewet), bepalen dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking en dat een verblijfstitel wordt verleend voor de duur van drie jaar. De Implementatiewet bevat in artikel IX, zesde lid, het overgangsrecht voor de behandeling van asielaanvragen die zijn ingediend vóór 12 juni 2026. Dit overgangsrecht houdt in dat voorschriften van de tot 12 juni 2026 geldende Vw die betrekking hebben op een achttal specifiek genoemde onderwerpen, van toepassing blijven op de aanvragen van vóór 12 juni 2026. De voorschriften voor de ingangsdatum en geldigheidsduur van een verleende asielvergunning of verblijfstitel zijn niet genoemd in dit overgangsrecht. Hierdoor zouden voor eiseressen niet langer de ten tijde van hun asielaanvragen geldende regels gelden, namelijk dat de asielvergunning ingaat op de datum van de aanvraag en een geldigheidsduur van vijf jaar heeft. In plaats daarvan zou de vergunning ingaan op de dag na de verlening ervan en een verblijfstitel worden verleend met een geldigheidsduur van drie jaar.
Die opvatting acht de rechtbank vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming niet aanvaardbaar.
De rechtbank verwijst in dit verband ten eerste naar de adviesbrief van de Afdeling advisering van de Raad van State (de Raad van State) van 22 oktober 2025, waarin de Raad van State ook heeft aangegeven dat de wijziging van de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel en het ontbreken van overgangsrecht hiervoor op gespannen voet staat met het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Het in het Nader rapport naar aanleiding van dit advies gegeven weerwoord van de regering is niet van toepassing op eiseressen. De regering heeft erop gewezen dat het juist is dat het van de beslissingssnelheid van verweerder zal afhangen wanneer de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel krijgt, maar dat evenwel de verwachting bestaat dat verweerder met de in de Implementatiewet aangepaste asielprocedure binnen de termijnen die het Asiel- en migratiepact stelt, kan gaan beslissen op asielaanvragen. De aangepaste asielprocedure gold voor eiseressen nog niet en er is niet beslist binnen de termijnen die op grond van het Unierecht golden of thans gelden voor asielaanvragen.
Ten tweede overweegt de rechtbank dat de aangevoerde redenen voor de invoering van de wijziging van de ingangsdatum van de verblijfsvergunning en verkorting van de geldigheidsduur, zoals verwoord in de Memorie van Toelichting bij de Implementatiewet, niet nopen tot directe inwerkingtreding van die wijzigingen. Het Asiel- en Migratiepact noopt ook niet tot de directe inwerkingtreding. Het Asiel- en Migratiepact staat de wijziging van de ingangsdatum en verkorting van de geldigheidsduur op zich toe, zodat deze wijzigingen niet in strijd lijken met het Unierecht. Dat betekent echter niet dat het ontbreken van overgangsrecht gerechtvaardigd is. Verweerder heeft niet onderbouwd dat het ontbreken van overgangsrecht gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel. In dit verband is van belang dat – zonder nadere toelichting – niet duidelijk is waarom de wijzigingen ertoe zouden leiden dat de druk op de asielketen wordt ontlast, al dan niet door een lagere instroom. Dat betekent dat ook niet duidelijk is dat een eerdere inwerkingtreding van de wijzigingen tot eerdere verlaging van die druk leidt. Het is de vraag of het doel om te gaan behoren tot de strengste lidstaten als het gaat om asieltoelating er op zich toe leidt dat de instroom van asielzoekers zal verminderen. Of het doel om de verdeling van asielzoekers binnen de EU te beïnvloeden door een relatief streng nationaal asielbeleid, zoals is verwoord bij de behandeling van de Implementatiewet in de Eerste Kamer, een legitiem doel is van de wijzigingen en, in het verlengde, het ontbreken van overgangsrecht, is ook niet duidelijk. Verder is duidelijk dat de werkdruk in de asielketen in eerste instantie zal toenemen door de Implementatiewet. Procedures als deze over de ingangsdatum en geldigheidsduur van verblijfsrechten naar aanleiding van oude aanvragen leiden tot verdere verhoging van de werkdruk in de gehele asielketen. De onmiddellijke werking van deze wetswijzigingen lijkt daarmee contraproductief te werken. Voorts verwacht de rechtbank dat verweerder prima in staat is om gedurende een overgangsperiode met verschillende sets regels voor de ingangsdatum en duur van de verblijfstitel in asielzaken te werken.
Ten derde overweegt de rechtbank dat het asielrelaas van eiseressen altijd gelijk is gebleven. De extra omstandigheden die eiseressen in beroep hebben aangevoerd zijn het gevolg van tijdsverloop. Daarbij heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 17 april 2025 geoordeeld dat verweerder nieuwe besluiten moest nemen, omdat verweerder tijdens de gehoren onvoldoende aandacht heeft besteed aan de door eiseres 1 gestelde gebeurtenissen in detentie. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat het late beslissen van verweerder het gevolg is van het handelen van eiseressen.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke toepassing van de Vw en de Implementatiewet dus met zich mee dat aan eiseressen een vergunning moet worden verleend met ingang van de datum van hun asielaanvragen, met een geldigheidsduur van vijf jaar.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht zelf een beslissing. De rechtbank draagt verweerder op om per direct aan eiseres 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw, met als ingangsdatum 22 maart 2022, geldig tot 22 maart 2027. Daarnaast draagt de rechtbank verweerder op om per direct aan de beide dochters van eiseres 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29b, van de Vw, met als ingangsdatum 22 maart 2022, geldig tot 22 maart 2027.
De beroepen zijn gegrond en daarom krijgen eiseressen een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van twee inhoudelijk dezelfde beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van
€ 934,- bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 5 augustus 2026;
- draagt verweerder op om per direct aan eiseres 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw, met als ingangsdatum 22 maart 2022, geldig tot 22 maart 2027;
- draagt verweerder op om per direct aan de beide dochters van eiseres 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29b, van de Vw, met als ingangsdatum 22 maart 2022, geldig tot 22 maart 2027;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.