RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9998
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven omdat de minister het gebrek heeft hersteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 18 februari 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, waarin staat dat hij binnen vier weken moet vertrekken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de Syrische nationaliteit heeft en dienstplichtig is. Vanwege de oorlog heeft eiser Syrië in 2013 verlaten. Bij terugkeer heeft hij te vrezen voor de algemene (veiligheids)situatie.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister één asielmotief, namelijk eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. De minister acht dit asielmotief geloofwaardig, maar stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft. Het enkele feit dat hij uit Syrië komt, is niet genoeg om een vluchteling te zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook volgt de minister eiser niet in zijn standpunt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft met een verwijzing naar algemene informatie gemotiveerd dat in Syrië sinds de val van Assad geen dienstplicht meer geldt. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen.
Gradatie van willekeurig geweld
5. Eiser stelt dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat er in Syrië sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (15c). De minister is voorbijgegaan aan de door eiser in de zienswijze genoemde bronnen. Ook heeft de minister de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een aantal uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank. Zo heeft de zittingsplaats Roermond prejudiciële vragen gesteld over de toepassing van het actor-vereiste bij het betrekken van humanitaire omstandigheden bij de 15c-beoordeling en heeft zittingsplaats Den Bosch geoordeeld dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft dat er in Syrië slechts sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. Eiser wijst in het bijzonder op een uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 4 februari 2026, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat ook de humanitaire omstandigheden die (in)direct het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, bij de 15c-beoordeling moeten worden betrokken. In die uitspraak werd daarnaast geconcludeerd dat de minister niet kon volstaan met een verwijzing naar het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025, te meer nu uit meerdere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister de situatie in Syrië op goede gronden heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. De rechtbank ziet in de zaak van eiser geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat uit het algemeen ambtsbericht van januari 2026 niet volgt dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is veranderd. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de minister in zowel het voornemen als het bestreden besluit is ingegaan op de in de zienswijze genoemde bronnen. De minister heeft in dat verband terecht opgemerkt dat eiser met het enkel noemen van artikelen en uitspraken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Aleppo in Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Met wat eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
Ten aanzien van het meewegen van de humanitaire omstandigheden en de uitleg van het actor-vereiste, verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Daarin is geoordeeld dat humanitaire omstandigheden relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15c wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een actor die partij is bij een gewapend conflict. De rechtbank wijst ook op een uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 19 mei 2026, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank neemt dit oordeel over. In het bestreden besluit en aanvullend in het verweerschrift heeft de minister terecht opgemerkt dat de situatie in Syrië niet of slechts in (zeer) beperkte mate te wijten is aan een lopend gewapend conflict, maar veel meer het gevolg is van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering Assad, die inmiddels geen actor meer is binnen het gewapende conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn daarmee niet in overwegende mate te herleiden tot het handelen van partijen die betrokken zijn bij het actuele gewapende conflict.
Individuele omstandigheden
6. Eiser stelt daarnaast dat ook bij een lager niveau van willekeurig geweld, hij vanwege zijn individuele omstandigheden bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser heeft geen familie in Syrië en heeft dus geen netwerk om op terug te vallen. Daarnaast zal hij vanwege zijn jonge leeftijd moeten werken en daardoor eerder slachtoffer kunnen worden van geweld. Deze omstandigheden maken hem kwetsbaar. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of deze individuele omstandigheden, tezamen met de aangenomen gradatie van willekeurig geweld, voldoende zijn om de drempel van artikel 15c te bereiken.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst naar overweging 5.1. van deze uitspraak, waar zij heeft geoordeeld dat de minister terecht is uitgegaan van een 15c situatie in de laagste gradatie. Uit het arrest X en Y volgt dat bij een lager niveau van willekeurig geweld de individuele omstandigheden van de vreemdeling bij de beoordeling van het reële risico op ernstige schade moeten worden betrokken. Hierbij gaat het met name om omstandigheden die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de vreemdeling en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het reële risico op ernstige schade vergroten. Gelet op de glijdende schaal van artikel 15c moeten bij een lager niveau van willekeurig geweld de naar voren gebrachte risico verhogende omstandigheden meer gewicht hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. Het is aan eiser om deze omstandigheden aannemelijk te maken. Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De minister heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die als risico verhogend moeten worden aangemerkt. In het verweerschrift en op de zitting heeft de minister terecht gesteld dat de in beroep aangevoerde omstandigheden eiser niet onderscheiden van de algemene bevolking van Syrië. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat zijn individuele omstandigheden niet bij de beoordeling van het risico op willekeurig geweld zijn betrokken.
Artikel 3 van het EVRM
7. Eiser stelt dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Syrië risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Onder verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 23 februari 2026 en het arrest Sufi en Elmi stelt eiser dat de minister bij deze beoordeling niet slechts mag verwijzen naar zijn beoordeling in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Op de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat de reactie van de minister in het verweerschrift op dit punt niet volstaat. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat wanneer de humanitaire omstandigheden niet in overwegende mate voortvloeien uit een gewapend conflict, deze aan een zeer hoge drempel moeten voldoen om een schending van artikel 3 van het EVRM op te leveren. De minister heeft deze zware toets toegepast, maar heeft in het verweerschrift onvoldoende gemotiveerd waarom de humanitaire situatie in Syrië niet het gevolg is van het gewapende conflict. Eiser stelt subsidiair dat de humanitaire omstandigheden in Syrië zodanig slecht zijn dat wordt voldaan aan deze zware toets en een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar heeft beoordeeld of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser stelt terecht dat artikel 15c en artikel 3 van het EVRM een eigen toetsingskader hebben en deze artikelen autonoom beoordeeld moeten worden. Hoewel de minister in het bestreden besluit in het kader van artikel 15c heeft gemotiveerd dat de humanitaire omstandigheden niet in overwegende mate zijn veroorzaakt door de strijdende partijen, heeft hij nagelaten te motiveren waarom terugkeer gelet op de algemene humanitaire omstandigheden niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank volgt de minister niet in de stelling dat er geen aanleiding bestond voor een beoordeling van artikel 3 van het EVRM, omdat eiser het beroep daarop pas bij aanvullende gronden heeft gedaan. Het gaat hier immers om een absoluut verbod dat bij het opleggen van een terugkeerbesluit ambtshalve door de minister moet worden getoetst. Vanwege dit motiveringsgebrek zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. In de aanvullende motivering van de minister – gegeven in het verweerschrift en tijdens de zitting – ziet de rechtbank echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
In het arrest Sufi en Elmi worden twee situaties onderscheiden. In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. Schending van artikel 3 van het EVRM wordt in die situatie alleen aangenomen bij 'very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling.'
De minister heeft in verweerschrift deugdelijk gemotiveerd uiteengezet dat de humanitaire situatie in Syrië zich in het kader van artikel 3 van het EVRM niet afspeelt in de context van een gewapend conflict. De minister heeft daarom op goede gronden aansluiting gezocht bij de zware toets uit Sufi en Elmi en gemotiveerd gesteld dat deze niet is gehaald. De minister heeft zich in dat verband terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Syrië sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. Daarbij heeft de minister onder meer kunnen wijzen op de beslissing van het EHRM van 24 september 2025, waarin is geoordeeld dat uitzetting van een verzoeker naar Syrië niet in strijd was met artikel 3 van het EVRM. In dit verband heeft de minister kunnen stellen dat eiser een gezonde jongvolwassen man is, hij tot 2013 in Aleppo heeft gewoond en daar naar school is geweest. Daarnaast heeft de minister van belang kunnen achten dat eiser jarenlang zelfstandig in Turkije heeft gewoond en heeft gewerkt en, anders dan eiser stelt, uit zijn verklaringen blijkt dat hij familie heeft in Syrië. Eiser heeft dit in beroep niet gemotiveerd betwist. Daartoe acht de rechtbank de stelling op zitting dat in Syrië alleen ooms en tantes van eiser verblijven waarmee hij geen contact heeft, onvoldoende.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. Eiser krijgt gelijk in zijn argument dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd. De minister heeft dit echter hersteld met zijn aanvullende motivering. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet de vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.