RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42425
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),
en
(gemachtigde: mr. E.M. den Hollander).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. In beroep voert hij een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Er is geen sprake van onzorgvuldige besluitvorming. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers bekering tot het Christendom ongeloofwaardig is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 28 mei 2023 een asielaanvraag ingediend.
Eiser heeft op 3 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Verweerder heeft de asielaanvraag met het besluit van 22 december 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft op 21 januari 2026 kenbaar gemaakt dat hij het niet eens is met het besluit op zijn asielaanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat betrekt de rechtbank bij haar beoordeling?
3. Eiser bezit de Chinese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1979. Aan zijn asielaanvraag legt hij het volgende ten grondslag. Eiser is in 2019 in aanraking gekomen met het Christendom. Eiser is gaan geloven in god en is bekeerd tot het Protestantisme. Hij bezocht huiskerk bijeenkomsten, las de Bijbel, volgde online diensten en is gedoopt. Op 20 februari 2023 kwam de politie bij eiser langs om zijn huis te doorzoeken. Hierbij namen zij een bijbel en andere spullen in beslag. Eiser moest een garantiebrief ondertekenen waarin hij beloofde niet langer naar huiskerk bijeenkomsten te gaan. De politie dreigde dat eiser problemen zou krijgen als hij weer naar de huiskerk bijeenkomsten zou gaan. Vervolgens is eiser nog één keer naar een huiskerk bijeenkomst gegaan. Daarna is eiser op 18 mei 2023 samen met zijn echtgenote naar Nederland gekomen. Eiser gaat in Nederland naar de kerk, volgt Bijbelstudie en doet vrijwilligerswerk. Eiser vreest voor problemen met de autoriteiten bij terugkeer naar China.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Verweerder acht het eerste motief geloofwaardig maar het tweede niet. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Daarom beoordeelt verweerder of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens verweerder niet het geval omdat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Eiser is geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd aan eiser, hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.
Heeft verweerder eiser in zijn belangen geschaad door de nieuwe Werkinstructie 2025/9 toe te passen?
5. Eiser voert aan dat hij is gehoord en zijn verklaringen heeft afgelegd op basis van het beoordelingskader zoals neergelegd in Werkinstructie (WI) 2022/3. Verweerder heeft zijn asielrelaas echter getoetst aan het beoordelingskader zoals neergelegd in WI 2025/9 van 4 december 2025. Eiser wist tijdens de voorbereiding en tijdens het gehoor niet welk beoordelingskader gehanteerd zou worden om zijn verklaringen te beoordelen. Door achteraf de nieuwe WI 2025/9 toe te passen is eiser in zijn belangen geschaad. Verweerder had eiser aanvullend moeten horen aan de hand van het nieuwe beoordelingskader in WI 2025/9. Ook heeft verweerder onvoldoende specifiek gevraagd naar wat het geloof heeft opgeleverd voor eiser, iets waar volgens hem in WI 2025/9 veel waarde aan wordt gehecht.
De rechtbank volgt eiser niet dat hij in zijn belangen geschaad is doordat verweerder WI 2025/9 heeft toegepast bij de beoordeling van zijn asielrelaas. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat voor alle asielmotieven geldt dat samenhangend verklaard moet worden, ongeacht welke WI gehanteerd wordt als beoordelingskader. Daarbij komt dat de rechtbank vaststelt dat WI 2022/3 en WI 2025/9 in grote lijnen dezelfde elementen wegen bij het toetsen van de geloofwaardigheid van een bekering. Namelijk de motieven voor bekering, het proces van bekering, de kennis over het nieuwe geloof en de activiteiten die ondernomen worden binnen de nieuwe geloofsovertuiging. De stelling van eiser dat aan hem onvoldoende specifiek is gevraagd wat het geloof voor hem heeft opgeleverd, volgt de rechtbank evenmin. Deze vraag wordt in het nader gehoor immers direct aan eiser gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de asielmotieven van eiser juist geduid?
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de inval en de huiszoeking door de Chinese autoriteiten niet als zelfstandige asielmotieven heeft beoordeeld. De conclusie dat eisers problemen met de autoriteiten niet gevolgd worden, kan niet getrokken worden uit het feit dat de verklaringen over zijn bekering niet worden gevolgd.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft de tegenwerpingen die specifiek zien op de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over de gestelde problemen met de autoriteiten opgenomen in het bestreden besluit. Het is niet zo dat verweerder de ongeloofwaardigheid van de gestelde problemen met de autoriteiten alleen aan de ongeloofwaardigheid van de bekering heeft opgehangen. Dit staat verder ook los van hoe de asielmotieven zijn geduid. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder eisers bekering terecht ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser voert aan dat verweerder zijn bekering tot het Christendom ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. Eiser geeft meerdere redenen waarom verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn bekering ongeloofwaardig is. De rechtbank zal deze hierna verder bespreken.
Verdieping, indruk, activiteiten, introductie huiskerk en stelling over doorvragen
8. Eiser voert aan dat verweerder zijn relaas te beperkt heeft opgevat door te stellen dat hij zich enkel is gaan verdiepen in het Christendom vanwege zijn ziekte. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte gesteld dat eiser weinig inzicht heeft gegeven in wat precies indruk op hem heeft gemaakt binnen het geloof en wat de activiteiten binnen het geloof voor hem betekenen. Verder werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser wisselend verklaart over zijn introductie aan de huiskerk. Eiser voert ook aan dat verweerder meer had moeten doorvragen wanneer hij onvoldoende verklaart.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op de bovenstaande stellingen van eiser. De rechtbank volgt verweerder waar hij aangeeft dat eiser zelf meerdere keren heeft verklaard dat hij zich is gaan verdiepen in het Christendom wegens zijn lichamelijke problemen. Verweerder heeft het relaas van eiser op dit punt dus niet te beperkt opgevat. Ook sluit de rechtbank zich aan bij de stelling van verweerder dat eiser niet duidelijk verklaart over wat indruk op hem heeft gemaakt tijdens de ontdekking van het geloof en wat de activiteiten binnen het geloof voor hem betekenen. Wanneer verweerder hem hiernaar vraagt, blijft eiser vaag en geeft hij geen concrete antwoorden. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser terecht tegenwerpt dat hij wisselend verklaart over zijn introductie aan de huiskerk en dat eiser niet heeft uitgelegd hoe hij verweerders vragen zodanig verkeerd kon begrijpen. Eiser heeft ook niet aangegeven wat aan verweerders reactie op zijn punten in de zienswijze niet klopt. De stelling van eiser dat verweerder had moeten doorvragen wanneer hij onvoldoende verklaart, volgt de rechtbank evenmin. Eiser heeft immers niet toegelicht wat hij meer had willen verklaren noch dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn asielmotieven toe te lichten.
Uitgangspositie, stroming en vrienden uit Canada
9. Eiser voert aan dat uit WI 2025/9 volgt dat verweerder zijn uitgangspositie in kaart moet brengen en moet betrekken bij de beoordeling. Dit heeft verweerder niet gedaan. Verder voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet kan benoemen tot welke stroming hij hoort en dat hij vragen over zijn vrienden in Canada niet kan beantwoorden.
De rechtbank stelt vast dat verweerder wel degelijk de uitgangspositie van eiser in kaart heeft gebracht. In het nader gehoor vraagt verweerder uitdrukkelijk naar eisers geloofsovertuigingen voordat hij in aanraking kwam met het Christendom, de dingen die hij op aanraden van zijn vrienden in Canada probeerde voordat hij in 2019 begon met bidden en waarom hij bang werd van verhalen over god terwijl hij nog niet in god geloofde. Verweerder betrekt de uitgangspositie van eiser ook voldoende in de besluitvorming door in te gaan op eisers geloof voor zijn bekering in 2019. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder eiser niet tegenwerpt dat hij zijn stroming niet kan benoemen maar dat eiser pas bij de vierde keer benoemt dat hij Protestants is. Dat verweerder eiser een gebrek aan kennis tegenwerpt volgt de rechtbank daarom niet. Hetzelfde geldt voor eisers stelling dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij vragen over zijn vrienden in Canada niet kan beantwoorden. Verweerder werpt eiser niet tegen dat hij onvoldoende voorbeelden kan noemen van dingen die hij is gaan doen op aanraden van zijn vrienden in Canada voor 2019, maar wel dat hij geen antwoord geeft op vragen. De rechtbank kan verweerder hierin volgen.
Zoektocht, verandering, atheïsme en voorouderverering, tradities en feestdagen, kennis en tijdlijn
10. Eiser voert aan dat verweerder hem onterecht tegenwerpt dat hij oppervlakkig heeft verklaard over zijn zoektocht naar het geloof. Verweerder stelt ook onterecht dat eiser de gestelde veranderingen in zijn karakter niet aan het geloof relateert en dat hij niet kan uitleggen waarom hij bang was toen hij de Bijbel voor het eerst las terwijl hij nog niet in god geloofde. Verder werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser niet duidelijk maakt wat hij aanvankelijk niet begreep aan de christelijke tradities en feestdagen. Ook de stelling van verweerder dat eiser zijn favoriete Bijbelpassage slechts oppervlakkig weet te duiden wordt onterecht aan hem tegengeworpen, aldus eiser. Verder blijkt uit de besluitvorming niet duidelijk hoe de consistente verklaringen van eiser over de tijdlijn van zijn bekering positief zijn meegewogen.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het nader gehoor vraagt naar eisers zoektocht. Eiser verklaart vervolgens dat de zoektocht verandering heeft gebracht omdat hij zich niet meer zoveel zorgen maakt en dat hij geluk en blijdschap terugkrijgt als hij anderen helpt, in plaats van medelijden. Eiser verklaart niet meer bang te zijn, geen minderwaardigheidscomplex meer te hebben en dat het hem niet meer interesseert wat andere mensen van hem denken. Verder in het nader gehoor probeert eiser uit te leggen dat het allemaal gepland is door god: zijn ziekte, het evangeliseren van vrienden en de stress die hij vroeger ervaarde. De rechtbank constateert dat verweerder hier uitgebreid op door heeft gevraagd. De rechtbank volgt verweerders stelling dat eiser met zijn verklaringen niet duidelijk maakt hoe zijn proces van bekering precies is gelopen. Eiser blijft herhalen wat hij uiteindelijk is gaan geloven maar hij verklaart niet welk proces daaraan voorafging. Voor wat betreft verweerders stelling dat eiser de gestelde veranderingen in zijn karakter niet aan het geloof relateert, overweegt de rechtbank dat eisers verwijzing naar zijn verklaringen in het nader gehoor, onvoldoende zijn om dit te weerleggen. Eiser maakt hier niet duidelijk hoe deze veranderingen in zijn karakter gerelateerd zijn aan het geloof. De rechtbank overweegt dat eisers verwijzing naar de ‘oude man in de hemel’ niet onderbouwt waarom hij bang was toen hij de Bijbel voor het eerst las, terwijl hij nog niet in god geloofde. Dit alleen al omdat eiser zelf zegt dat dit iets anders is dan de god uit de Bijbel. Of de oude man in de hemel een concept is van de Chinese cultuur kan daarom buiten beschouwing blijven. De rechtbank overweegt verder dat de stelling van verweerder dat eiser niet duidelijk maakt wat hij aanvankelijk niet begreep aan de Christelijke tradities en feestdagen, volledig losstaat van eisers verwijzing naar de Chinese cultuur en de geschiedenis van de Israëlieten. Ook met zijn uitleg over de Chinese maankalender maakt eiser dit niet duidelijk. Dit zegt immers alleen iets over de data van bepaalde feestdagen in het jaar. Verweerder werpt naar het oordeel van de rechtbank terecht tegen dat eiser de passage uit Romeinen, die hem het meest raakt, slechts oppervlakkig weet te duiden en onvoldoende aan zijn leven relateert. Dat eiser ook heeft verklaard dat hij zich zwervende voelde en zich bij god als een hervonden zoon voelt, is onvoldoende. Eiser onderscheidt zich hiermee immers niet van een willekeurige andere de stelt zich te hebben bekeerd. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder wel degelijk is ingegaan op de vraag hoe de consistente tijdlijn positief is meegewogen in het bestreden besluit. Verweerder stelt hierover in het bestreden besluit dat eisers consistente verklaringen over de tijdlijn niet opwegen tegen het niet inzichtelijk maken van veel details binnen die tijdlijn. De rechtbank volgt dit.
Bezoek huiskerk na inval autoriteiten
11. Eiser voert aan dat verweerder hem onterecht tegenwerpt dat hij een week na de inval van de autoriteiten alweer naar de huiskerk is gegaan. Eiser vond het belangrijk om afscheid te nemen van zijn broeders en om samen te bidden zodat hij kon beslissen wat de volgende stap ging worden. Dit vond hij zo belangrijk dat hij het waard vond om het risico te nemen om de huiskerk te bezoeken.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verklaring dat hij afscheid wilde nemen en nog een keer samen wilde bidden, terecht als onaannemelijk heeft beoordeeld. Eiser heeft bijvoorbeeld niet uitgelegd dat hij alleen bij een bijeenkomst van de huiskerk afscheid heeft kunnen nemen en niet ergens anders.
Documenten
12. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet individueel op elk ingebracht document is ingegaan. Verweerder had duidelijker moeten stellen welk gewicht aan de ingebrachte documenten is toegekend.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de bij de aanvraag ingebrachte documenten heeft beoordeeld in de besluitvorming. Het is voldoende duidelijk welk gewicht verweerder aan de documenten heeft toegekend. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank niet volgt dat dit per document geduid moet worden. Ten aanzien van de verklaringen van de Protestantse Wijkgemeente Nootdorp van 10 december 2025, die eiser bij zijn zienswijze heeft overgelegd, stelt de rechtbank echter vast dat uit de besluitvorming niet kan worden afgeleid dat verweerder die heeft meegenomen. Dat is onzorgvuldig. Verweerder heeft echter in het voornemen over de eerder overgelegde pastorale verklaringen wel duidelijk gemaakt dat verklaringen van derden op zichzelf iemands asielmotief niet kunnen onderbouwen. De rechtbank volgt dit standpunt. Dit geldt ook voor de bij de zienswijze overgelegde verklaringen. De rechtbank beoordeelt deze documenten daarom als onvoldoende om de door eiser gestelde bekering aannemelijk te maken. Nu de documenten alsnog beoordeeld zijn en de conclusie dat deze documenten niet tot een andere uitkomst konden leiden kon worden afgeleid uit het voornemen, acht de rechtbank eiser niet in zijn belangen geschaad en zal zij dit gebrek passeren.
Conclusie geloofwaardigheid
13. Gezien het bovenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bekering van eiser tot het Christendom ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Gaat verweerder ten onrechte niet in op de negatieve aandacht voor eisers activiteiten in Nederland?
14. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet ingaat op de negatieve aandacht van de Chinese autoriteiten voor zijn activiteiten in Nederland, zoals zijn speech op [locatie] in [plaats] .
De rechtbank stelt vast dat eiser enkel heeft verwezen naar landeninformatie waaruit blijkt dat critici van de Chinese overheid in het buitenland worden gemonitord. Hij heeft desgevraagd niet aan kunnen geven waarom hij als criticus moet worden gezien of anderszins concreet gemaakt waarom hij specifiek in de negatieve aandacht staat. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.E.C. de Groot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.