ECLI:NL:RBDHA:2026:27524

ECLI:NL:RBDHA:2026:27524

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer NL26.53586
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Bewaring – 59, eerste lid, onder a, van de Vw – inspanningsverplichting – ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.53586

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. A. Hanna),

en

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.

3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

g) tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet, dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet;

p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaat;

t) verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

4. De aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden a, g, p, r, s en t zijn niet bestreden en zijn feitelijk juist. In de maatregel is echter nagelaten om nader toe te lichten waarom de gronden g en t bijdragen aan het risico op onderduiken. Verweerder heeft deze gronden daarom ter zitting laten vallen. Ten slotte is ook de s-grond onvoldoende toegelicht nu daarin slechts is opgemerkt dat eiser onvoldoende middelen heeft om zijn vertrek naar België te bekostigen. Los van de vraag naar de feitelijke juistheid van deze enkele opmerking wordt met de toelichting bij deze grond niet duidelijk hoe het veronderstelde ontbreken van middelen bijdraagt aan het risico op onderduiken. De overige gronden zijn voor zover nodig wel voldoende toegelicht en kunnen de maatregel zelfstandig dragen.

Inspanningsverplichting

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting om eisers uitzetting al eerder voor te bereiden. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat hij anderhalf jaar, van 19 maart 2025 tot en met 9 september 2026, in strafrechtelijke detentie heeft gezeten en dat verweerder, gezien de ongewenstverklaring, op de hoogte was van eisers identiteit en nationaliteit.

6. De rechtbank overweegt in dit verband dat dat eiser sinds de bekendmaking van de beschikking van 13 juli 2026 tot ongewenstverklaring verwijderbaar is. Verweerder heeft in zijn brief aan de rechtbank van 15 september 2026 en ter zitting toegelicht dat door DT&V eerst vanaf 7 augustus 2026 voorbereidingshandelingen zijn verricht voor de terugkeer van eiser. Niet is gebleken van een plausibele reden waarom niet al vanaf een eerder moment is gestart met de voorbereiding van eisers verwijdering. Hieruit moet worden afgeleid dat gedurende bijna een maand geen invulling is gegeven aan de op verweerder rustende inspanningsverplichting. De rechtbank ziet hierin echter geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het staat allereerst niet vast dat eiser onmiddellijk na afloop van de strafrechtelijke detentie had kunnen worden uitgezet, indien wel eerder was gestart met de voorbereiding daarvan. Verder is van belang dat eiser geen geldige reispapieren in zijn bezit had en dus niet kon worden uitgezet, terwijl hij heeft verklaard dat hij wél een paspoort heeft en hij geen aantoonbare pogingen heeft ondernomen om dit document te laten overkomen. In zoverre dient het voor eisers rekening te blijven dat hij niet onmiddellijk na afloop van de strafrechtelijke detentie heeft kunnen vertrekken.

Lichter middel

7. De maatregel vermeldt terecht dat het risico op onderduiken niet is te ondervangen met een lichter middel. Eiser heeft geen geldige reis- en identiteitsdocumenten en geen vaste woon- of verblijfplaats, zodat een aantoonbaar vertrek op eigen gelegenheid niet in de rede ligt.

8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 21 september 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. A.M. Verberne

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand