RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24570
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, E. Battaloglu als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Heeft eiser procesbelang bij zijn procedure?
5. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 21 mei 2026 medegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 9 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 26 juni 2026 heeft de
gemachtigde van eiser desgevraagd medegedeeld nog contact te hebben met eiser en dat hij belang hecht aan deze procedure.
6. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland.2 Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat
hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
7. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij bang is om op de opvanglocatie te verblijven na de aanval en mishandeling op zijn opvanglocatie in Nederland. Eiser en gemachtigde hebben meermaals contact gehad over de procedure en de voortgang daarvan, voor het laatst op 26 juni 2026 per mail. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onder deze omstandigheden procesbelang bij zijn procedure.
Had de minister de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich moeten trekken?
8. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is sprake geweest van (seksueel) misbruik, wat diepe sporen bij eiser heeft achtergelaten. Eiser werd bedreigd door de daders. Daarnaast had de dader een leidinggevende functie op de opvang, waardoor eiser niet durfde te klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten over de Oostenrijkse autoriteiten. Verder is eiser in Nederland aangevallen en mishandeld. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan, maar ook dit heeft diepe indruk op hem gemaakt. Eiser heeft een hersenschudding opgelopen en heeft rust nodig.
9. Het is aan de minister om te beoordelen of sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank moet deze beoordeling terughoudend toetsen.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd niet voldoende bijzonder zijn om van de overdracht aan Oostenrijk af te zien vanwege onevenredige hardheid. Eiser heeft verder niet met (medische) stukken onderbouwd dat sprake is van psychische klachten door zijn ervaringen in Oostenrijk. De beroepsgrond slaagt niet.
2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eiser mag overdragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 juli 2026
Documentcode:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.