ECLI:NL:RBDHA:2026:27550

ECLI:NL:RBDHA:2026:27550

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer NL25.63006
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Syrië, Hama, 15c, willekeurig geweld, Alawitische afkomst

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.63006

mede namens haar minderjarige zoon

[naam] , v-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),

en

(gemachtigde: mr. J. Kennis).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit tot afwijzing van haar asielaanvraag. Volgens de minister kan eiseres terugkeren naar de provincie Hama in Syrië. Eiseres is het niet eens met dit besluit.

De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Syrië, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/13, terecht voor de provincie Hama een relatief lager niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in WBV 2025/13 voor de provincie Hama terecht niet is uitgegaan van een hoger niveau van willekeurig geweld. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, in Hama wegens haar individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het risico loopt om slachtoffer te worden van gericht geweld in verband met de eerdere bedreiging/poging tot ontvoering of met haar status als alleenstaande vrouw.

De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). Daarna bespreekt de rechtbank het betoog van eiseres dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op bedreiging of ontvoering (5) of vanwege haar status als alleenstaande vrouw (6). Vervolgens gaat de rechtbank in op het beroep van eiseres op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en bespreekt zij het gewijzigde landenbeleid voor Syrië (7-11). Daarbij beoordeelt de rechtbank eerst of de minister de humanitaire omstandigheden in Syrië voldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het beleid (9). Daarna bespreekt zij de veiligheidssituatie in de provincie Hama en de vraag of de minister terecht is uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld (10). Vervolgens wordt beoordeeld of eiseres vanwege haar persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld (11). De rechtbank bespreekt daarna de beroepsgrond of de belangen van het kind van eiseres voldoende in de besluitvorming zijn betrokken (12). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (13).

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 17 december 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 5 januari 2026 en 10 februari 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 16 februari 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres is geboren op [datum] 1994 in Riyad, Saoedi-Arabië en heeft daar tot haar vijfde gewoond. Daarna heeft eiseres een periode in Egypte en op verschillende plekken in Syrië gewoond. Voordat eiseres en haar zoon Syrië gezamenlijk hebben verlaten, op [datum] 2022, waren zij samen woonachtig in de provincie Hama. Haar familie is in 2013 en 2014 bedreigd vanwege hun etniciteit of religieuze overtuiging. In 2022 is geprobeerd om eiseres te ontvoeren, waarna zij heeft besloten om te vertrekken. Bij terugkeer vreest eiseres opnieuw bedreigd of ontvoerd te worden. Eiseres vreest daarnaast voor de algemene situatie, ook omdat haar moeder Alawiet is en omdat eiseres een gescheiden vrouw is. Daarnaast heeft eiseres geen bescherming, omdat ze geen vader of broer (meer) heeft. Ook heeft eiseres discriminatie ondervonden waardoor ze niet aan het werk kwam.

Het bestreden besluit

4. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig.

De geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres over de ondervonden dreigementen en de poging tot ontvoering heeft hij in het midden gelaten. Eiseres loopt op grond hiervan volgens de minister geen persoonlijk risico bij terugkeer. Dat risico loopt eiseres ook niet omdat zij een alleenstaande vrouw is. Wat betreft de vrees voor willekeurig geweld neemt de minister voor Hama, de laatste woon- en verblijfplaats van eiseres, aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiseres heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van omstandigheden die het risico op het willekeurig geweld verhogen.

Loopt eiseres het risico slachtoffer te worden van gericht geweld?

Heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op bedreiging of ontvoering?

5. Eiseres betoogt dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer heeft te vrezen voor bedreigingen of ontvoeringen. De familie van eiseres is Alawiet en die achtergrond vormde reden voor de eerdere bedreigingen. Alawieten lopen nog altijd gevaar in Syrië en daarom vreest eiseres opnieuw voor bedreigingen. Ook stelt eiseres, onder verwijzing naar de zienswijze, dat gelet op de huidige landeninformatie Syrische vrouwen op dagelijkse basis ontvoerd worden.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Syrië opnieuw te vrezen heeft voor bedreigingen of ontvoeringen. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat de door eiseres gestelde bedreigingen plaatsvonden in 2013 en 2014 en dat deze zich daarna niet meer hebben voorgedaan. Hoewel eiseres heeft verklaard dat deze bedreigingen aan haar familie waren gericht en verband hielden met de Alawitische achtergrond van haar moeder en de vermeende sympathieën van haar vader voor het voormalige regime, heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze bedreigingen ruim elf jaar later opnieuw zouden plaatsvinden. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiseres heeft verklaard dat ook andere personen in haar omgeving destijds met soortgelijke bedreigingen werden geconfronteerd. Dat de bedreigingen specifiek op haar persoon waren gericht, heeft zij daarom niet aannemelijk gemaakt. Voor zover eiseres heeft gewezen op een poging tot ontvoering in 2022, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een verband tussen dit incident en de eerdere bedreigingen. Eiseres heeft zelf verklaard niet te weten of een dergelijk verband bestaat. De minister heeft ook terecht in aanmerking genomen dat de familieleden van eiseres, onder wie haar moeder die nog steeds in Hama verblijft, geen vergelijkbare problemen hebben ondervonden.

Dat wat eiseres heeft aangevoerd over de positie van Alawieten en de ontvoering van Syrische vrouwen leidt niet tot een ander oordeel. De door eiseres overgelegde algemene informatie, waaronder de stukken van Amnesty International en DeWereldMorgen.be, bevat geen aanknopingspunten waaruit volgt dat juist eiseres persoonlijk in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan. Ook blijkt daaruit niet dat vrouwen van Alawitische afkomst in Syrië stelselmatig het slachtoffer worden van ontvoering of bedreiging. De minister heeft in dit verband terecht gewezen op het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Syrië (ambtsbericht) van januari 2026, waarin is vermeld dat onderzoek is gedaan naar meldingen van verdwijningen en ontvoeringen van Alawitische vrouwen en meisjes. Hoewel verschillende bronnen vraagtekens plaatsen bij de objectiviteit van dit onderzoek, volgt uit de beschikbare informatie in ieder geval niet dat sprake is van een zodanig patroon van ontvoeringen of bedreigingen dat alleen daarom al moet worden aangenomen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Loopt eiseres als alleenstaande vrouw bij terugkeer naar Syrië een risico?

6. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande vrouw risico loopt bij terugkeer naar Syrië. De minister heeft daarbij ten onrechte van belang geacht dat zij eerder als alleenstaande vrouw in Syrië heeft verbleven, terwijl zij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat zij in die periode herhaaldelijk is lastiggevallen. Haar verklaringen komen overeen met de in de zienswijze aangehaalde passages uit het ambtsbericht van mei 2025. Volgens eiseres is de situatie voor vrouwen bovendien verslechterd en is ontvoering van vrouwen in Syrië aan de orde van de dag. Ter onderbouwing verwijst zij naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 3 februari 2026 en naar een artikel van Reuters van 27 juni 2025 over ontvoeringen van Alawitische vrouwen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande Alawitische vrouw bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Uit de door de minister betrokken landeninformatie, waaronder de ambtsberichten van mei 2025 en januari 2026, volgt dat alleenwonende vrouwen te maken kunnen krijgen met sociale en maatschappelijke kwetsbaarheid, zoals stigmatisering, uitsluiting, druk tot (her)trouwen en in sommige gevallen gendergerelateerd of seksueel geweld. De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat deze informatie onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat alleenwonende vrouwen daarom al te vrezen hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade. Daarbij is van belang dat uit het ambtsbericht van mei 2025 volgt dat de positie van alleenwonende vrouwen per regio verschilt, de machtsovername geen invloed heeft gehad op de positie van alleenstaande vrouwen, vrouwen in Syrië in beginsel kunnen werken en studeren en dat landelijke voorschriften over kleding en make-up ontbreken. Verder volgt uit het ambtsbericht van januari 2026 dat Syrië partij is bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en dat in de grondwettelijke verklaring rechten en bescherming van vrouwen zijn neergelegd. Dat deze waarborgen niet steeds effectief worden nageleefd, maakt nog niet dat alleenwonende vrouwen als groep voor vervolging te vrezen hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiseres overgelegde informatie, waaronder de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 3 februari 2026, dit niet anders maakt omdat deze een vergelijkbaar beeld laat zien van de positie van alleenstaande vrouwen. Voor zover eiseres heeft gewezen op een artikel van Reuters over vermeende ontvoeringen van Alawitische vrouwen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze informatie onvoldoende concrete aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel, waarbij de rechtbank ook verwijst naar de overwegingen hiervoor onder 5.1. De minister heeft verder de individuele omstandigheden van eiseres bij zijn beoordeling betrokken. Daarbij heeft hij terecht van belang geacht dat eiseres eerder, van medio 2021 tot augustus 2022, als alleenstaande vrouw in Syrië heeft verbleven, zonder dat is gebleken van zodanig ernstige problemen dat daaruit een gegronde vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade bij terugkeer kan worden afgeleid. Dat eiseres in die periode volgens haar verklaring herhaaldelijk is lastiggevallen, is door de minister onderkend, maar de minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit op zichzelf onvoldoende is om dat risico aan te nemen. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres, ook gelet op haar Alawitische afkomst en de algemene situatie voor vrouwen in Syrië, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer als alleenstaande vrouw een reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.

Loopt eiseres het risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?

7. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij bij terugkeer naar Syrië, specifiek de provincie Hama, geen risico loopt op ernstige schade wegens willekeurige geweld. Eiseres heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank ingaan op het toepasselijke beleid.

Beleid van de minister

8. Na de val van het regime Assad heeft de minister met WBV 2025/13 het landgebonden asielbeleid over Syrië gewijzigd. Deze beleidswijziging, gebaseerd op het ambtsbericht van mei 2025, is aangekondigd in de brief van 10 juni 2025. De minister heeft per provincie een 15c-beoordeling verricht en voor geheel Syrië, ook voor de provincie Hama, een lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. In het beleid zijn humanitaire omstandigheden niet betrokken in de beoordeling. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daartoe geen noodzaak bestond, omdat ze niet relevant zijn voor de beoordeling van het willekeurig geweld in Syrië.

Is het beleid volledig?

9. Ter onderbouwing van haar betoog dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij bij terugkeer naar Syrië geen risico loopt op ernstige schade wegens willekeurige geweld, heeft eiseres gewezen op uitspraken van zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025 en de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Roermond van 29 december 2025. De rechtbank begrijpt dat eiseres met deze verwijzing heeft willen betogen dat de minister in zijn beleid humanitaire omstandigheden onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken.

In haar uitspraak van 19 mei 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats overwogen dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië, voor zover sprake is van voldoende causaal verband met willekeurig geweld, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. De minister mocht deze humanitaire omstandigheden daarom buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld. Het beleid is in zoverre daarom niet onvolledig. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het voorliggende geval, waarin gewezen is op dezelfde uitspraken, tot een ander oordeel te komen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vraag van zittingsplaats Roermond, af te wachten. Ook heeft eiseres niet gesteld dat de beoordeling in het beleid op andere punten onvolledig is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Had de minister voor Hama een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?

10. Eiseres betoogt dat de minister voor Syrië ten onrechte een relatief lager niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. Ter onderbouwing wijst eiseres op de onder 9 genoemde uitspraken.

Uit het arrest CF en DN volgt dat de minister bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn moet uitgaan van de daadwerkelijke bestemming bij terugkeer naar het land van herkomst. Indien de betrokkene voorafgaand aan het vertrek in het land van herkomst heeft verbleven, kan die bestemming in beginsel worden bepaald aan de hand van zijn laatste woon- of verblijfplaats. Omdat eiseres tot haar vertrek woonachtig was in de provincie Hama, dient de beoordeling van het gestelde risico op willekeurig geweld plaats te vinden aan de hand van de situatie in die provincie.

De minister heeft in WBV 2025/13, dat ten grondslag ligt aan het besluit, voor geheel Syrië, dus ook voor de provincie Hama, een relatief lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. In de toelichting op dat beleid staat dat de minister uit het ambtsbericht van mei 2025 heeft afgeleid dat de algemene situatie in Syrië door de val van het regime van Assad redelijk verbeterd is en dat daarom voor geheel Syrië een lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. In de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van de minister van 10 juni 2025, die aan het beleid ten grondslag ligt, is onder andere een op het ambtsbericht van mei 2025 gebaseerde beschrijving gegeven van de veiligheidssituatie in Hama. In het voornemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit het algemene ambtsbericht van mei 2025 volgt dat de geweldsincidenten en gevechten voornamelijk incidenteel van aard zijn, dat het aantal burgerslachtoffers door willekeurig geweld relatief beperkt is en dat slachtoffers veelal vallen door gericht geweld. Hoewel de overgangsregering nog niet overal haar gezag heeft gevestigd, rechtvaardigt de veiligheidssituatie volgens de minister de conclusie dat in Syrië slechts sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. In aanvulling hierop heeft de minister zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit recente landeninformatie, in het bijzonder de European Union Agency for Asylum (EUAA) Country Guidance Syria van 2 december 2025, volgt dat in de provincie Hama weliswaar sprake is van willekeurig geweld, maar niet van een zodanig hoog niveau dat reeds daarom een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bestaat. Volgens de minister sluit deze conclusie aan bij het geldende landenbeleid voor Syrië. Verder heeft de minister erop gewezen dat eiseres geen informatie heeft overgelegd die aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van deze beoordeling.

De rechtbank volgt dit standpunt. Uit het ambtsbericht van mei 2025 volgt dat in delen van de provincie Hama de veiligheidssituatie tijdens de verslagperiode zeer fragiel was, maar dat het geweld hoofdzakelijk gericht was tegen Alawieten. Dit had in belangrijke mate te maken met een verleden van sektarisch geweld, onder andere op delen van het platteland van de provincie Hama, waar de bevolking zeer divers is. In deze gebieden werden destijds bloedbaden aangericht in verschillende (met name soennitische) gemeenschappen. Het Assad-regime had daarvoor lokale milities (veelal bestaand uit Alawieten) ingezet. De rechtbank onderkent de ernst van dit geweld, maar de gebeurtenissen wijzen vooral op gericht geweld en niet zozeer op willekeurig geweld en lijken bovendien tijdelijk van aard te zijn geweest.

Voorts volgt uit het ambtsbericht van januari 2026 dat zich in Hama in de verslagperiode (mei 2025 – december 2025) volgens Armed Conflict Location & Event Data 217 incidenten hebben voorgedaan. Uit deze gegevens blijkt dat het aantal incidenten vanaf september 2025 een dalende lijn vertoont, wat wijst op een afnemende intensiteit van het geweld. Het Syrian Network for Human Rights maakt in het ambtsbericht van januari 2026 melding van 398 burgerdoden, maar in de toelichting op dat aantal blijkt dat, hoewel ook sprake was van willekeurig geweld, veel burgerdoden het gevolg waren van gericht geweld, waarbij de daders en de motieven voor deze moorden veelal onbekend bleven, of moorden op voormalige leden van het veiligheidsapparaat, die naar hun aard ook niet als willekeurig geweld kunnen worden gekwalificeerd.

In Hama vonden meerdere incidenten plaats met ontplofbare oorlogsresten. Volgens International NGO Safety Organisation werden tussen 1 mei en 15 augustus 2025 23 incidenten geregistreerd met 10 doden en 26 gewonden, en tussen 15 augustus en 15 oktober 2025 nog eens 13 incidenten met 3 doden en 16 gewonden. Daar staat tegenover dat opruimingsactiviteiten plaatsvinden: het ministerie van Noodhulp en Rampenbestrijding en genie-eenheden van het Syrische leger zijn betrokken bij het ruimen van deze explosieven.

Bij deze cijfers is van belang dat het aantal inwoners van Hama in december 2025 werd geschat op 1.974.478.

Het UNHCR schatte het aantal binnenlands ontheemden in Hama op 11 december 2025 op 194.395 personen. Uit informatie van IOM volgt dat in de verslagperiode sprake was van ontheemding in Hama. Uit deze informatie volgt niet in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Volgens UNHCR keerden tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 naar schatting 316.702 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Hama.

Alles in onderlinge samenhang bezien – het hoofdzakelijk gerichte geweld in Hama, de afnemende intensiteit van dat geweld, het beperkte aantal slachtoffers als gevolg van mijnen en de aanwezige opruimingsactiviteiten en de aanwezigheid van ontheemding maar ook terugkerende ontheemden – biedt de landeninformatie onvoldoende grond voor het oordeel dat zich in de provincie Hama een hogere gradatie dan een relatief lager niveau van willekeurig geweld voordoet. Dat komt ook overeen met de conclusie in het door de minister in het verweerschrift aangehaalde rapport van de European Union Agency for Asylum. Dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser geen landeninformatie heeft overgelegd en de door eiser ingeroepen, en onder 9 genoemde, uitspraak van zittingsplaats Haarlem gaat over een andere provincie, namelijk Homs. De beroepsgrond slaagt niet.

Loopt eiseres een verhoogd risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld

11. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat haar persoonlijke omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Zij wijst daarbij op haar minderjarige kind en op de ligging van haar woning in een gebied waar veel bombardementen plaatsvinden, waardoor volgens haar sprake is van een verhoogd risico. Ook heeft eiseres naar voren gebracht dat zij een gescheiden vrouw is, waardoor zij sterk gestigmatiseerd zal worden door de Syrische samenleving en een groot risico loopt op bijvoorbeeld seksueel geweld en

dakloosheid.

Zoals volgt uit het arrest X en Y en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres hierin niet is geslaagd. Eiseres wijst erop dat zij een kind heeft en stelt te wonen in een risicogebied. Zonder nadere concretisering of onderbouwing is dat echter onvoldoende om als risicoverhogende factoren aangemerkt te worden. Ook in beroep heeft eiseres dit niet nader onderbouwd. Ten aanzien van de stelling dat eiseres als gescheiden vrouw verhoogd risico zou lopen op stigmatisering, seksueel geweld en dakloosheid, heeft de minister terecht overwogen dat dit niet betekent dat zij een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres niet kan terugvallen op opvang bij haar moeder. De beroepsgrond slaagt niet.

Zijn de belangen van het minderjarige kind van eiseres voldoende kenbaar betrokken in het bestreden besluit?

12. Eiseres betoogt dat de belangen van haar minderjarige kind niet kenbaar zijn betrokken in het bestreden besluit. Zij verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 13 februari 2025.

De rechtbank volgt eiseres hier niet in. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit expliciet is ingegaan op het beroep van eiseres op artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en heeft toegelicht dat het belang van het kind is verankerd in het toepasselijke beleid en in de besluitvorming wordt betrokken. De minister heeft daarbij gemotiveerd dat eiseres niet concreet heeft gemaakt welke specifieke belangen van het kind onvoldoende zouden zijn meegewogen en ook niet op welke wijze deze tot een andere uitkomst hadden moeten leiden. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister de minderjarigheid van het kind kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling, namelijk in het kader van de vraag of zich risicoverhogende omstandigheden voordoen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam leidt daarom niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft terecht geweigerd aan eiseres een verblijfsvergunning asiel te

verlenen. Het voorgaande brengt met zich dat de minister ook terecht een

terugkeerbesluit heeft opgelegd en een inreisverbod heeft uitgevaardigd.

Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand