RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32644
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Abouzarad als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is eiseres tijdig gehoord?
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om overname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Is de loopbrief tijdig overgelegd?
5. Eiseres voert aan dat de loopbrief ten onrechte niet tijdens de besluitvormingsfase aan het dossier is toegevoegd. De loopbrief is namelijk relevant voor de berekening van de termijn voor het indienen van een verzoek tot overname.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Een loopbrief is naar zijn aard vergelijkbaar met het document in de zaak die voorlag in het arrest Mengesteab.2 Dit betekent dat een eiseres ten tijde van de afgifte van een loopbrief geacht wordt een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening te hebben ingediend. Vanaf deze datum begint de termijn te lopen voor het indienen van een terugnameverzoek.3 Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat het zorgvuldiger is om de loopbrief standaard reeds aan het dossier in de besluitvormingsfase toe te voegen, bestaat er geen verplichting om dat te doen. Eiseres kan in beroep aanvoeren of de termijn voor het doen van een terugnameverzoek ten onrechte verstreken is. De loopbrief is samen met het bestreden besluit aan het dossier toegevoegd.. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiseres voert aan dat artikel 5 van de Dublinverordening is geschonden, door haar niet zo spoedig mogelijk na haar asielverzoek te horen. De minister heeft zich niet ingespannen om eiseres tijdig te horen. Eiseres wijst op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 30 november 2023 in de zaak CZA.4 Daarbij komt dat de minister eiseres had moeten horen voordat het verzoek tot terugname werd ingediend. De informatie uit het gehoor is van belang voor de inhoud van het verzoek tot terugname en voor de beantwoording van de vraag of er überhaupt een verzoek tot terugname kan worden ingediend. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 september 20245 waarin is overwogen dat het persoonlijk onderhoud een uitgelezen kans biedt om ervoor te zorgen dat de minister géén verzoek tot terugname zal indienen. Verder wijst eiseres op het rapport van de Nationale Ombudsman van 2 september 2014 met kenmerk 2014/099. De vreemdeling in die zaak had geklaagd over de vermoedelijke vaste werkwijze van de IND om reeds een terugnameverzoek in te dienen terwijl de vreemdeling nog niet was gehoord en de IND dus per definitie de aangezochte lidstaat niet volledig kon informeren. De Nationale ombudsman oordeelt dat de gedraging niet behoorlijk is. Thans blijkt echter in de uitvoeringspraktijk van de minister dat er standaard ná het versturen van de Dublinclaim wordt gehoord. Het besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb, omdat dit volgens eiseres niet zorgvuldig is.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5, derde lid, van de Dublinverordening dient het persoonlijk onderhoud plaats te vinden voordat het overdrachtsbesluit is genomen. Hier is in geval van eiseres aan voldaan. Uit de Dublinverordening volgt niet dat er een persoonlijk onderhoud moet plaatsvinden voordat een Dublinclaim uitgaat. Door de werkwijze van de minister om eiseres pas te horen na het claimverzoek, is het echter mogelijk dat eiseres na het claimverzoek informatie aandraagt die in het claimverzoek had moeten worden vermeld om de aangezochte lidstaat in de gelegenheid te stellen om te beoordelen of het claimverzoek zou moeten worden aanvaard.
2 HvJEU, 26 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:587.
3 Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3569.
4 ECLI:EU:C:2023:934.
5 ECLI:NL:RVS:2024:3455.
Indien in beroep blijkt dat dit het geval is, kan de rechtbank oordelen dat een onvolledig claimverzoek geen rechtsgeldig claimakkoord oplevert en dat een besluit dat op een dergelijk claimakkoord is gebaseerd dus moet worden vernietigd. Het claimverzoek dient alle relevante informatie te bevatten voor de beoordeling.6 Of hiervan sprake is, zal de rechtbank hierna bespreken.
Is het claimverzoek aan Oostenrijk volledig?
9. Eiseres voert aan dat het claimverzoek onvolledig is. Uit het door eiseres overgelegde paspoort blijkt dat zij op 18 augustus 2025 is vertrokken van het grondgebied van de lidstaten en dat zij op 6 januari 2026 het grondgebied van de lidstaten weer is ingereisd. Daarmee heeft zij aangetoond dat zij meer dan drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten heeft verbleven. Hierdoor is de verantwoordelijkheid van Oostenrijk beëindigd op grond van artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening. Het paspoort en de relevante pagina’s zijn ten onrechte niet bij het verzoek tot overname overgelegd. Daarnaast is er foutieve informatie aan de Oostenrijkse autoriteiten verstrekt. In het claimverzoek aan Oostenrijk staat dat de verblijfsvergunning geldig is van 11 april 2024 geldig tot 11 april 2026. Uit het verblijfsdocument zelf blijkt echter dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning 11 april 2025 is. De minister gaat hier in het bestreden besluit ten onrechte niet op in. Verder voert eiseres aan dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar haar verblijfsstatus in Oostenrijk. Eiseres heeft namelijk aangegeven dat het goed mogelijk dat haar Oostenrijkse verblijfsvergunning is ingetrokken per 18 augustus 2025. Eiseres had een verblijfsvergunning wegens gezinshereniging bij haar ex-man en zij wonen sinds 18 augustus 2025 niet meer feitelijk samen. Hiermee voldoet zij niet meer aan de beperking van haar Oostenrijkse verblijfsvergunning. Eiseres heeft een begin van bewijs geleverd door te wijzen op de stukken van de Oostenrijkse autoriteiten, waarin staat dat de officiële uitschrijving in gang is gezet. De minister had daarom op grond van artikel 34 van de Dublinverordening nadere informatie bij de Oostenrijkse autoriteiten moeten inwinnen.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Oostenrijk heeft het claimverzoek geaccepteerd op grond van artikel 12, derde lid, van de Dublinverordening. Hieruit volgt dat eiseres, ten tijde van de asielaanvraag in Nederland7, een geldige verblijfsvergunning had in Oostenrijk. Voor de bepaling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres is daarom in beginsel niet van belang of eiseres het grondgebied van de lidstaten (voor meer dan drie maanden) heeft verlaten, omdat dit de verantwoordelijkheid van Oostenrijk niet zou veranderen. De informatie dat eiseres (mogelijk) het grondgebied van de lidstaten voor meer dan drie maanden heeft verlaten, is daarom, op zichzelf, geen relevante informatie voor de beoordeling van het verzoek.
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze informatie echter in het licht van het betoog van eiseres dat zij mogelijk geen rechtsgeldige verblijfstitel meer heeft in dit specifieke geval mogelijk wel relevant zijn. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening kan voornoemd artikel 12, derde lid, van de Dublinverordening weliswaar ook worden toegepast wanneer de verzoeker houder is van een verblijfstitel die minder dan twee jaar is verlopen, maar dit kan alleen zolang de verzoeker het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.
6 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van, 24 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2289.
7 Dit is het peilmoment volgens artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening.
Eiseres heeft in het aanmeldgehoor aangegeven dat zij in kader van gezinshereniging in Oostenrijk bij haar (ex-)man verbleef, dat zij sinds 18 augustus 2025 niet meer samenwonen omdat zij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten en dat zij religieus gescheiden zijn. Deze verklaringen van eiseres uit het aanmeldgehoor, in combinatie met het document van de officiële uitschrijving bij haar ex-man in Oostenrijk, betreffen de grondslag van de verblijfsvergunning van eiseres. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verblijfsvergunning daadwerkelijk is ingetrokken. Echter, deze verklaringen over de grondslag van haar verblijfstitel in combinatie met het (door de minister onderkende) feit dat eiseres meer dan drie maanden buiten de het grondgebied van de lidstaten heeft verbleven, maken wel dat het niet valt uit te sluiten dat de Oostenrijkse autoriteiten, wanneer zij hiervan op de hoogte zouden zijn geweest, de verblijfsvergunning van eiseres zouden hebben ingetrokken, al dan niet met terugwerkende kracht tot 18 augustus 2025. Vanwege dit mogelijke gevolg is de informatie over het vertrek van eiseres van het grondgebied van de lidstaten en de grondslag van haar verblijfstitel relevante informatie voor Oostenrijk om te kunnen beoordelen of zij verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Deze informatie had daarom in het claimverzoek aan Oostenrijk moeten staan.
De stelling van de minister ter zitting dat de Oostenrijkse autoriteiten zelf kunnen nagaan dat eiseres uit Oostenrijk is vertrokken, maakt dit niet anders. De Oostenrijkse autoriteiten konden niet weten dat eiseres het grondgebied van de lidstaten voor een periode van meer dan drie maanden heeft verlaten. Ook is Oostenrijk niet geïnformeerd over de verklaring van eiseres dat zij sinds 18 augustus 2025 niet meer samenwoont met haar ex-man en dat zij religieus gescheiden zijn.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onvolledig claimverzoek. Hierdoor is geen rechtsgeldig claimakkoord tot stand gekomen, waardoor het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Aangezien de termijn voor het doen van een (volledig) claimverzoek is verlopen, leidt dit ertoe dat de minister verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
11. De overige beroepsgronden, ten aanzien van de vrees voor haar ex-man, het beroep op het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van 11 mei 2011 en het beroep op artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening, behoeven daarom geen verdere bespreking.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond en vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, en dat de minister de asielaanvraag van eiseres in behandeling moet nemen, omdat de termijn voor het versturen van een (volledig) claimverzoek inmiddels is verlopen.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde
krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 juli 2026
Documentcode:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.