ECLI:NL:RBDHA:2026:27562

ECLI:NL:RBDHA:2026:27562

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer NL26.9088
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Syrië, Aleppo, 15c, willekeurig geweld

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.9088

(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),

en

(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Aleppo in Syrië. Eiser is het niet eens met dit besluit.

De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Syrië, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/13 en later gewijzigd met WBV 2026/6, terecht voor de provincie Aleppo een relatief lager niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen.

De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. In WBV 2025/13 heeft de minister ten onrechte aangenomen dat in de provincie Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarnaast is in het besluit ten onrechte niet ingegaan op de door eiser overgelegde recente landeninformatie over Aleppo. Nu in WBV 2026/6 echter terecht wordt uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en de recente geweldsincidenten daarin geen verandering brengen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gelet op zijn individuele omstandigheden en de minder uitzonderlijke veiligheidssituatie, een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook komt hij niet in aanmerking voor bescherming op grond van het traumatabeleid.

De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). Daarna beoordeelt de rechtbank onder 5 tot en met 9 het standpunt van de minister dat eiser geen risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld: daarbij zal ingegaan worden op de vraag of de minister in zijn beleid een volledige beoordeling heeft verricht (7), of de minister voor de provincie Aleppo een hogere gradatie van willekeurig geweld had moeten aannemen (8) en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser (9). Onder 10 gaat de rechtbank in op de vraag of eiser onder het traumatabeleid valt. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (11).

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en op 26 februari 2026 en 20 mei 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 15 mei 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser, geboren op [datum] 2002, komt uit [plaats 1] in de provincie Aleppo in Syrië. Vanwege de aanwezigheid van IS heeft hij zijn woonplaats in 2013 of 2014 verlaten en is hij met zijn ouders naar [plaats 2] verhuisd. In september 2016 heeft eiser Syrië verlaten. Daarna heeft hij tot augustus/september 2023 in Turkije verbleven, waar hij heeft gewoond en gewerkt, voordat hij naar Europa is gereisd. Eiser stelt te vrezen voor een voormalige buurman met wie hij in het verleden een conflict had over het begrazen van land. Volgens eiser is deze persoon hem nog steeds kwaadgezind en zal hij hem bij terugkeer problemen bezorgen. Daarnaast vreest eiser ontvoerd te worden omdat hij uit het Westen terugkeert. Verder heeft eiser verklaard in Nederland te willen blijven vanwege gezondheidsklachten, waaronder herbelevingen van gebeurtenissen uit het verleden. Tot slot wil hij niet terugkeren in verband met de algemene veiligheidssituatie in Aleppo.

Het bestreden besluit

4. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De door eiser gestelde vrees voor ernstige schade als gevolg van het conflict met zijn buurman, zijn gezondheidsklachten, de economische situatie in Syrië en zijn vrees voor ontvoering door IS of andere criminelen, acht de minister niet aannemelijk. Wat betreft de vrees voor willekeurig geweld heeft de minister voor de provincie Aleppo aangenomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van individuele omstandigheden die het risico op willekeurig geweld verhogen. Verder komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor bescherming op grond van het traumatabeleid.

Loop eiser het risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?

5. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van de minister over zijn vrees voor gericht geweld. Wel stelt hij dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer naar Aleppo een risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld. Hij heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Daaraan voorafgaand zal de rechtbank het toepasselijke beleid uiteenzetten.

Beleid van de minister

6. Na de val van het regime Assad heeft de minister met WBV 2025/13 het landgebonden asielbeleid over Syrië gewijzigd. Deze beleidswijziging, gebaseerd op het algemeen ambtsbericht over Syrië van de minister van Buitenlandse zaken (ambtsbericht) van mei 2025, is aangekondigd in de brief van 10 juni 2025. De minister heeft per provincie een 15c-beoordeling verricht en voor geheel Syrië, ook voor de provincie Aleppo, een relatief lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. Met WBV 2026/6 heeft de minister dit beleid, gebaseerd op het ambtsbericht van januari 2026, voortgezet.

Is het beleid volledig?

7. Eiser betoogt dat de minister in het beleid dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken. Hij verwijst daartoe naar de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Roermond van 29 december 2025. De minister had volgens eiser de beantwoording van die prejudiciële vragen moeten afwachten. Daarnaast wijst eiser op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, de notitie ‘Standpunt inzake humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15c Kwalificatierichtlijn’ van de Commissie Strategisch Procederen van 9 april 2026, een artikel in UPdate 2025, nr. 50 en een aantal uitspraken van verschillende zittingsplaatsen.

In haar uitspraak van 19 mei 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats overwogen dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië, voor zover sprake is van voldoende causaal verband met willekeurig geweld, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. De minister mocht deze humanitaire omstandigheden daarom buiten beschouwing laten bij het vaststellen van de gradatie van het huidige willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde humanitaire omstandigheden voldoende samenhangen met het huidige willekeurige geweld. Het beleid is in zoverre daarom niet onvolledig. Ook heeft eiser niet gesteld dat de beoordeling in het beleid op andere punten onvolledig is. Verder was de minister niet gehouden de beantwoording van de door de rechtbank, zittingsplaats Roermond, gestelde prejudiciële vragen af te wachten. De minister moet namelijk binnen de in artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) gestelde termijn op de aanvraag beslissen. Die termijn was ten tijde van het bestreden besluit ruimschoots verstreken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Had de minister voor Aleppo een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?

8. Eiser betoogt dat de minister voor de provincie Aleppo ten onrechte in het beleid een relatief lager niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. Volgens eiser is de veiligheidssituatie in Aleppo zorgwekkend vanwege de gevechten tussen de regering en de Koerden, waarop hij ook in de zienswijze heeft gewezen. Daarnaast zijn in de provincie nog altijd IS-cellen actief. Eiser wijst er verder op dat zich in Aleppo de meeste incidenten met ontplofbare oorlogsresten van Syrië voordoen en dat de humanitaire situatie in Aleppo zeer slecht is. Ter onderbouwing verwijst hij naar het ambtsbericht van mei 2025, brieven van VluchtelingenWerk Nederland van 2 februari 2026, 4 februari 2026 en 1 mei 2026, alsmede naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch.

De minister heeft in WBV 2025/13, dat ten grondslag ligt aan het besluit, voor geheel Syrië, dus ook voor de provincie Aleppo, een relatief lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. In de toelichting op dat beleid staat dat de minister uit het ambtsbericht van mei 2025 heeft afgeleid dat de algemene situatie in Syrië door de val van het regime van Assad redelijk verbeterd is en dat daarom voor geheel Syrië een lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. In de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van de minister van 10 juni 2025, die de minister ook noemt in het besluit, is onder andere een op het ambtsbericht van mei 2025 gebaseerde beschrijving gegeven van de veiligheidssituatie in Aleppo. In het voornemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit de ambtsberichten van mei 2025 en januari 2026 volgt dat de geweldsincidenten en gevechten voornamelijk incidenteel van aard zijn, dat het aantal burgerslachtoffers door willekeurig geweld relatief beperkt is en dat slachtoffers veelal vallen door gericht geweld. Hoewel de overgangsregering nog niet overal haar gezag heeft gevestigd, rechtvaardigt de veiligheidssituatie volgens de minister de conclusie dat in Syrië slechts sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld.

De rechtbank is van oordeel dat de minister in het aan het besluit ten grondslag liggende WBV 2025/13 niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in de provincie Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit het ambtsbericht van mei 2025 volgt dat de veiligheidssituatie in Aleppo gedurende de verslagperiode (27 november 2024 tot en met april 2025) werd gekenmerkt door aanhoudende en intensieve gewapende confrontaties tussen het door Turkije gesteunde Syrian National Army (SNA) en de Koerdisch geleide Syrian Democratic Forces (SDF). Daarbij vonden volgens het ambtsbericht hevige gevechten, beschietingen, luchtaanvallen en aanslagen met explosieven plaats, waarbij ook burgerdoelen en civiele infrastructuur werden getroffen en burgerslachtoffers vielen. Met name in december 2024 en januari 2025 werd intensief gevochten.

Uit het ambtsbericht van mei 2025 volgt verder dat in de provincie Aleppo in het vierde kwartaal van 2024 253 en in het eerste kwartaal van 2025 164 burgerdoden zijn geregistreerd. Daarmee behoort Aleppo tot de provincies met de hoogste aantallen geregistreerde burgerdoden in Syrië in de verslagperiode. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze cijfers volgens het ambtsbericht van mei 2025 slechts een minimumrepresentatie vormen van het werkelijke aantal slachtoffers. Hoewel over dit cijfermateriaal staat vermeld dat geen concreet onderscheid kan worden gemaakt tussen slachtoffers als gevolg van willekeurig geweld en gericht geweld, neemt dat niet weg dat deze aantallen burgerslachtoffers zo in negatieve zin afsteken ten opzichte van de aantallen in andere delen van Syrië, dat de minister nader had moeten motiveren waarom hij op grond daarvan ook voor Aleppo is uitgegaan van de laagste gradatie. De minister motiveert in het besluit ook niet waarop hij zijn conclusie baseert dat slachtoffers veelal vallen door gericht geweld.

Verder blijkt uit de in het ambtsbericht van mei 2025 opgenomen gegevens van Armed Conflict Location and Event Data dat in Aleppo gedurende het vierde kwartaal van 2024 1.171 geweldsincidenten zijn geregistreerd, waaronder 276 gevechten, 749 incidenten van explosies of geweld op afstand en 146 incidenten van geweld tegen burgers. Ook in het eerste kwartaal van 2025 bleef het aantal geregistreerde geweldsincidenten met 674 incidenten aanzienlijk. Deze cijfers wijzen op een conflict van substantiële omvang en intensiteit. Daarnaast leidde het geweld tot grootschalige ontheemding, vooral onder Koerdische burgers.

Gelet op de combinatie van de hoge aantallen incidenten, geregistreerde burgerdoden, de verschillen met andere provincies, de voortdurende gevechten tussen verschillende goed georganiseerde strijdende partijen, de wijze waarop de gevechten plaatsvinden (luchtaanvallen en aanslagen met explosieven), en het ontbreken van een stabiele veiligheidsstructuur in delen van de provincie, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in het besluit, waaraan WBV 2025/13 ten grondslag ligt, onvoldoende gemotiveerd waarom desondanks slechts sprake zou zijn van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Daarbij komt dat eiser in de zienswijze heeft gewezen op recente gevechten tussen de overgangsregering en de SDF. Ter onderbouwing van de veiligheidssituatie heeft hij verwezen naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 2 februari 2026, waarin melding wordt gemaakt van deze gevechten. De minister is hierop in het bestreden besluit niet ingegaan. Voor zover de minister zich in het besluit op het standpunt stelt dat eiser slechts in algemene zin heeft verwezen naar openbare bronnen over gevechten in Aleppo zonder deze te concretiseren, volgt de rechtbank dat standpunt niet. Eiser heeft immers ter onderbouwing verwezen naar de genoemde brief van VluchtelingenWerk Nederland. Ook de overweging in het besluit dat de keuze voor de gradatie ‘relatief lager niveau van willekeurig geweld’ uitvoerig is toegelicht in het recentste ambtsbericht voor Syrië is niet goed te volgen, nu in een ambtsbericht geen keuzes worden gemaakt over de gradatie van het willekeurig geweld.

Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet echter in het standpunt van de minister in het verweerschrift over het ambtsbericht van januari 2026 en de ontwikkelingen nadien aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Dat licht de rechtbank hierna onder 8.5 toe.

Uit het ambtsbericht van januari 2026, dat als verslagperiode mei tot en met december 2025 heeft, blijkt dat de fase van grootschalige en intensieve gevechten, die met name de periode eind 2024 en begin 2025 kenmerkten, nadien is afgenomen. Er is sprake geweest van een (informeel) staakt-het-vuren rond de Tishreen-dam en van afspraken tussen de overgangsregering en de SDF, waarna het geweld meer gefragmenteerd en plaatselijk van aard is geworden. Hoewel nog steeds sprake is van schermutselingen, beschietingen en incidenten, en het geweld soms plotseling oplaait, gaat het meestal om lokale confrontaties langs frontlinies of om gevechtshandelingen van korte duur.

Het aantal geregistreerde geweldsincidenten in de verslagperiode is flink gedaald ten opzichte van de voorgaande periode.

Ook het aantal burgerslachtoffers ligt aanzienlijk lager dan in de periode van de intensieve gevechten begin 2025, waarin in korte tijd honderden slachtoffers vielen.

Daarbij komt dat het geweld in de verslagperiode zich in belangrijke mate concentreert in specifieke gebieden (zoals rond Deir Hafer en de Tishreen-dam) en langs frontlinies. Verder hebben explosieve oorlogsresten slachtoffers tot gevolg, maar dat aantal neemt af en organisaties zijn actief om die mijnen op te ruimen. Verder was sprake van ontheemding in Aleppo tijdens de verslagperiode, maar daartegenover staat een grootschalige terugkeer van ontheemden.

De minister heeft zich op grond hiervan in beroep terecht op het standpunt gesteld dat aangenomen kan worden dat zich (thans) in Aleppo geen hogere gradatie dan een relatief lager niveau van willekeurig geweld voordoet. Dat komt ook overeen met de conclusie van de European Union Agency for Asylum. De gevechten in 2025 tussen Syrische regeringstroepen en de SDF rond Aleppo (‘Aleppo clashes’) maken dat niet anders. Deze gewelddadigheden passen in het beeld van incidentele kortstondige geweldsuitbarstingen en gevechten die de provincie Aleppo kenmerken. Bovendien hebben deze gewelddadigheden tot een beperkt aantal burgerslachtoffers geleid. Daaruit volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie daarmee in zijn algemeenheid dusdanig zou zijn verslechterd dat niet langer kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op 30 januari 2026 een akkoord is gesloten tussen de overgangsregering van president Al-Sharaa en de SDF waarbij een staakt het vuren is afgesproken en ook afspraken zijn gemaakt over de positie van de Koerden in Syrië.

Loopt eiser een verhoogd risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld

9. Eiser betoogt dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd dat eiser wegens zijn persoonlijke omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, geen verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Eiser heeft – samengevat weergegeven – de volgende individuele, risicoverhogende omstandigheden aangevoerd:

a. Het langdurig verblijf buiten Syrië en het feit dat hij grotendeels buiten Syrië is opgegroeid, waardoor geen vertrouwdheid meer bestaat met de lokale sociale en culturele omstandigheden.

b. Gestelde traumatische ervaringen als gevolg van het opgroeien in oorlogsomstandigheden.

c. Kwetsbaarheid bij terugkeer als gevolg van het ontbreken van een familie- en sociaal netwerk in Syrië, nu de naaste familieleden in Turkije en Jordanië verblijven, met daaruit voortvloeiende problemen bij het vinden van huisvesting en toegang tot basisvoorzieningen.

d. Terugkeer uit het Westen, dat leidt tot een verhoogd risico op ontvoering door criminele groeperingen, mede omdat geen vrije bewegingsruimte zou bestaan en geen bescherming van autoriteiten kan worden ingeroepen, waarbij ook is gewezen op eisers beugel als zichtbaar kenmerk van westerse herkomst.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, ook in samenhang bezien, onvoldoende is gebleken van individuele, risicoverhogende omstandigheden die maken dat eiser een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoewel de rechtbank onderkent dat de situatie voor eiser, mede gelet op het ontbreken van familie in Syrië, mogelijk bij terugkeer moeilijk zal zijn, is eiser een volwassen man, die in Syrië is opgegroeid, de taal beheerst en bekend is met de lokale sociale en culturele context. Voorts is gebleken dat eiser al op jonge leeftijd zelfstandig naar het buitenland is vertrokken en daar, onder meer in Turkije, een bestaan heeft opgebouwd en is gehuwd. Hieruit heeft de minister terecht afgeleid dat eiser in beginsel in staat moet worden geacht om in Syrië opnieuw een bestaan op te bouwen, waardoor hij minder kwetsbaar zal zijn voor willekeurig geweld. Ten aanzien van de gestelde traumatische klachten overweegt de rechtbank dat deze niet met objectieve medische stukken of anderszins zijn onderbouwd. Alleen daarom al kan daaraan niet de gewenste betekenis toekomen bij de beoordeling of sprake is van risicoverhogende omstandigheden. Verder blijkt uit het ambtsbericht niet dat terugkeerders uit het buitenland in het bijzonder structureel doelwit zijn van geweld. Eiser heeft deze informatie ook niet weersproken. Voor zover in individuele gevallen incidenten zijn gemeld, betreft dit gericht geweld en niet willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ook de stelling dat eiser door het dragen van een beugel herkenbaar zou zijn als terugkeerder uit het Westen leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet onderbouwd, en de rechtbank is ook niet gebleken, dat eiser hierdoor een verhoogd risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De rechtbank wijst er bovendien op dat uit openbare informatie volgt dat orthodontische zorg ook in Aleppo beschikbaar is. De rechtbank concludeert daaruit dat ook in Aleppo diverse mensen met beugels aanwezig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Traumatabeleid

10. Eiser betoogt dat hij ten onrechte geen verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van het traumatabeleid. Hij voert aan dat hij als kind getuige is geweest van de moord op zijn oom door IS en dat deze gebeurtenis, in samenhang met zijn psychische klachten, aanleiding is geweest voor het vertrek uit Syrië. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte het causaal verband tussen deze traumatische gebeurtenis en zijn vertrek niet aangenomen, nu hij – buiten zijn schuld als minderjarige – het land niet binnen zes maanden heeft kunnen verlaten en bovendien uit zijn verklaringen volgt dat de traumatische ervaringen wel degelijk een rol speelden bij zijn vertrek. Verder voert eiser aan dat in Syrië geen sprake is van effectieve bescherming tegen de daders en dat het standpunt van de minister dat deze bestraft kunnen worden, onjuist is. Gelet op het voorgaande meent eiser dat hij voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid en dat de minister dit onvoldoende zorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd heeft beoordeeld.

In paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vc 2000 staat onder “eerdere confrontatie met wandaden” dat iemand die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, door de IND onder gestelde voorwaarden in het bezit gesteld kan worden van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, aan de vreemdeling die verder voldoet aan alle volgende voorwaarden:

• de vreemdeling is geconfronteerd met een gebeurtenis in het land van herkomst, waarbij de daders van die gebeurtenissen in het land van herkomst niet bestraft worden;

• de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat deze gebeurtenis aanleiding is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser het vereiste causale verband niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij is van belang dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat de verhuizing naar [plaats 2] werd ingegeven door de bombardementen en beschietingen in zijn woonomgeving. De door eiser gestelde moord op zijn oom door IS heeft hij in dat verband niet genoemd. Ook heeft eiser als reden voor zijn vertrek uit Syrië de oorlogssituatie genoemd en niet de dood van zijn oom. Tegen deze achtergrond heeft de minister de verklaringen van eiser onvoldoende mogen achten om aannemelijk te achten dat de gestelde traumatische gebeurtenis de aanleiding vormde voor zijn vertrek uit Syrië. Alleen daarom al slaagt de beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen het besluit van 12 februari 2026 is gegrond, omdat dat besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en ook de overige beroepsgronden niet slagen. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 februari 2026;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, en mr. Y. Yeniay - Cenik en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand