RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53315
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Met het besluit van 9 september 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Maatregel opgeheven?
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat de hier ter toetsing voorliggende maatregel reeds is opgeheven. In het dossier zit namelijk een M113 waaruit blijkt dat er op 9 september 2026 een maatregel is opgeheven.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de hier ter toetsing voorliggende maatregel van bewaring, die is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw, is opgeheven. Nog daargelaten dat een M113-formulier geen constitutief vereiste is voor de opheffing van een maatregel maar slechts een administratief document betreft, kan er naar het oordeel van de rechtbank geen misverstand over bestaan dat het M113-formulier dat in het dossier zit niet ziet op de hier ter toetsing voorliggende maatregel van bewaring die op 9 september 2026 om 19.54 uur is opgelegd, maar betrekking heeft op de daaraan voorafgaande maatregel van bewaring die was opgelegd op 9 september 2026 om 12.50 uur (op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw). Weliswaar is in het M113-formulier geen tijdstip genoemd, maar daarin is wel genoemd dat de opgeheven maatregel wordt opgevolgd door een nieuwe inbewaringstelling. Daarmee is voldoende duidelijk dat de M113 ziet op de eerste maatregel en niet op de tweede, hier ter toetsing voorliggende maatregel. Hierbij komt nog dat uit het HV21-formulier blijkt dat eiser na oplegging van de eerste maatregel (op grond van artikel 59 van de Vw) is bezocht door zijn gemachtigde en vervolgens alsnog asiel heeft aangevraagd. Daarmee moet het voor eiser, althans zijn gemachtigde, duidelijk zijn geweest dat er een omzetting van de maatregel aan zou komen, hetgeen in de avond van 9 september 2026 dus ook is gebeurd.
Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat de hier ter toetsing voorliggende maatregel niet is opgeheven, maar nog voortduurt. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag en gronden van de maatregel
2. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien eiser niet in bewaring zou worden gehouden (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft in dit verband, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder zich in de maatregel van bewaring op het standpunt gesteld dat (1°) eiser in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) eiser reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat eiser zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw).
Verweerder heeft grond h op de zitting laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer aan de maatregel ten grondslag.
Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring niet op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw kan worden opgelegd. Eisers identiteitsgegevens zijn namelijk reeds bekend en daarnaast is er geen sprake van een onderduikrisico. Eiser betwist in dit kader alle aan de maatregel ten grondslag gelegde (en gehandhaafde) gronden en voert hiertoe kort samengevat aan dat hij Nederland met een geldig document is ingereisd (grond a), dat hij alle documenten waarover hij beschikt heeft overgelegd (grond c) en dat uit het besluit onvoldoende blijkt aan welke verplichtingen hij zich niet heeft gehouden (grond p). Daarnaast heeft eiser meerdere documenten overgelegd waaruit volgt dat hij bij zijn partner kan verblijven (grond r) en dat zijn partner voldoende inkomen heeft en voor eiser garant wil staan (grond s).
De rechtbank stelt vast dat de bewaringsmaatregel berust op drie grondslagen, namelijk: artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b én c van de Vw. Uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw volgt dat een vreemdeling die een asielaanvraag heeft gedaan in bewaring kan worden gesteld, indien die bewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag en die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2852), die naar het oordeel van de rechtbank zijn gelding heeft behouden na de invoering van het Asiel- en Migratiepact, volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een onderduikrisico – door middel van de in artikel 5.6, tweede lid van het Vb opgenomen gronden – ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag en die zonder bewaring niet zouden kunnen worden verkregen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat grond a zich feitelijk voordoet. Eiser is niet in het bezit van een paspoort en kan niet aantonen dat hij ten tijde van zijn inreis in Nederland wél beschikte over een paspoort alsmede een toestemming tot inreis/verblijf. Daarnaast heeft eiser zich bij inreis, maar ook in de periode daarna, nooit gemeld bij de autoriteiten. Gelet hierop stelt verweerder terecht dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat grond c zich feitelijk voordoet. Eiser is namelijk niet in het bezit van een paspoort of een ander identiteitsdocument en heeft, ondanks dat hij al een tijd in Nederland is, geen aantoonbare inspanningen ondernomen om zich van documenten te voorzien. Verweerder stelt gelet hierop dan ook terecht dat eiser niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder (in ieder geval) de gronden a en c aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De overige bestreden gronden behoeven gelet hierop geen inhoudelijke bespreking.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder de maatregel van bewaring terecht op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw heeft gebaseerd. De rechtbank overweegt verder dat eiser de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw niet heeft betwist. Ook op deze grondslag, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaat, kan verweerder de maatregel van bewaring baseren. Gelet hierop en nu één grondslag al voldoende is om de maatregel op te baseren, behoeft niet meer te worden beoordeeld of de bewaringsmaatregel ook kan worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
De onder 2.2. weergegeven beroepsgrond treft gezien het voorgaande geen doel.
Lichter middel
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser kan namelijk bij zijn partner verblijven en zij heeft ook aangegeven dat zij eiser wil ondersteunen en garant voor hem wil staan.
Gelet op de onder 2.5. genoemde dragende gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser Nederland illegaal is ingereisd, zich gedurende zijn verblijf in Nederland van ruim twee jaar nooit zelfstandig heeft gemeld en niet in het bezit is van documenten terwijl hij zich ook niet inspant om daaraan te komen, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een flink onderduikrisico voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat eiser bij zijn partner kan en wil verblijven en dat zij hem wil ondersteunen is in het licht van voormelde gronden en omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder met een lichter middel moet volstaan. Dit neemt namelijk het uit voormelde omstandigheden voortvloeiende onderduikrisico niet weg. Eiser heeft in het verleden, naar eigen zeggen, ook bij zijn partner verbleven, maar heeft zich toen ook niet bij de autoriteiten gemeld.
De beroepsgrond dat een lichter middel moet worden toegepast slaagt gezien het voorgaande niet.
Slotsom beroepsgronden
4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
5. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858).
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.