RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53373
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In deze maatregel is ook een verlengingsbesluit aan eiser opgelegd. Eiser is het niet eens met die maatregel. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet rechtmatig en deze zal worden opgeheven. De rechtbank kent daarnaast een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 9 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. Eiser is niet verschenen vanwege problemen met de telehoorverbinding met DTC Rotterdam. Het onderzoek is niet gesloten om eiser zo nodig nog te horen. De rechtbank acht dit niet nodig en heeft het onderzoek op 21 september 2026 gesloten.
Verlengingsbesluit
3. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring, onder het kopje ‘Verlengingsbesluit’, het volgende staat vermeld:
‘De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt. De bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.’
Volgens de maatregel en de voortgangsrapportage van 14 september 2026 heeft eiser de volgende periodes in bewaring verbleven:
30-09-2024: Inbewaringstelling
26-03-2025: Opheffing
16-05-2025: Inbewaringstelling
27-10-2025: Opheffing
Beide keren vond de inbewaringstelling plaats op grond van artikel 59, eerste lid onder a, van de Vw en beide keren is de bewaring opgeheven in verband met de belangenafweging na zes maanden.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, volgt dat iedere lidstaat een maximale bewaringsduur vaststelt die niet meer dan zes maanden mag bedragen. In artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn is bepaald, voor zover van belang, dat de hiervoor genoemde termijn slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd. In artikel 59, vijfde lid, van de Vw staat dat de bewaring in principe niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw is vervolgens bepaald dat die bewaring, onder de daar weergegeven voorwaarden, nog eens met ten hoogste twaalf maanden kan worden verlengd. De minister heeft in zijn beleid opgenomen dat de DTenV de vreemdeling vóór het verstrijken van de zes maanden moet informeren over de verlenging van de bewaring, als er redenen zijn om de bewaring met een termijn van maximaal twaalf maanden te verlengen.
Uit het arrest Aroja volgt onder meer, en voor zover hier van belang, dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit totaal niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarbij moeten alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, bij elkaar worden opgeteld. Daarnaast kan uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen.
De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 5 juni 2024 een terugkeerbesluit is opgelegd voor Algerije. Zoals onder 3.1 is overwogen, heeft eiser vervolgens tweemaal in bewaring gezeten op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Deze periode bedraagt meer dan 180 dagen (zes maanden). Deze rechtbank heeft de bewaring van eiser meermaals getoetst en in orde bevonden. Deze uitspraken staan in rechte vast en de rechtmatigheid van de voorgaande maatregelen ligt in zoverre ook niet ter toetsing voor. Voor het verlengingsbesluit ligt dat anders. De rechtbank dient, op dit moment, te beoordelen of aan de voorwaarden voor een verlengingsbesluit is voldaan. Zoals hierboven is weergegeven volgt uit het arrest Aroja dat een verlengingsbesluit moet worden genomen voordat de maximale bewaringsduur van zes maanden is bereikt. Het Europees Hof van Justitie heeft daarnaast voor recht verklaard dat artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn zo moeten worden uitgelegd dat: ‘alle perioden van bewaring die een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land op grond van artikel 15 van die richtlijn ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit in die lidstaat heeft uitgezeten, moeten worden samengeteld om te bepalen of de krachtens een van deze bepalingen vastgestelde maximale bewaringsduur is bereikt’. Dat de minister stelt dat ten tijde van het verstrijken van de 6 maanden termijn het arrest Aroja nog niet was gewezen, maakt dit oordeel niet anders. De uitleg die het Europees Hof van Justitie geeft aan een voorschrift van Unierecht verklaart en preciseert namelijk de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals dat vanaf het tijdstip van inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast. De rechtbank oordeelt daarom dat aan eiser geen verlengingsbesluit opgelegd had mogen worden, omdat de (opgetelde) maximale termijn van zes maanden al was verstreken. Het beroep is alleen al hierom gegrond.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.600,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving en 1 punt voor het verschijnen op de zitting. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van €1.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.