[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Inleiding
Met het besluit van 16 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoekster heeft op 18 oktober 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Op 24 januari 2024 heeft verzoekster verweerder in gebreke gesteld.
Op 26 februari 2024 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
Met het besluit van 13 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep mede gericht tegen het bestreden besluit.
Op 30 augustus 2024 heeft verzoekster beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op 10 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
Op 13 en 26 februari 2026 heeft verzoekster aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens verzoekster zijn verder verschenen [persoon A] (referent) en [persoon B] (broer van referent). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Op 9 juli 2026 heeft verzoekster haar beroep ingetrokken, onder gelijktijdig verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 21 juli 2026 gereageerd op dit verzoek om proceskostenveroordeling.
Op 4 september 2026 heeft verzoekster een schriftelijke reactie ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Overwegingen
Beroep ingetrokken?
1. Verzoekster heeft haar beroep op 9 juli 2026 ingetrokken. De reden hiervoor is dat verweerder aan haar bij besluit van 23 juni 2026, naar aanleiding van een later ingediende visumaanvraag, alsnog een visum voor kort verblijf heeft toegekend. Bij schrijven van 4 september 2026 heeft verzoekster echter laten weten dat de feitelijke visumafgifte nog niet heeft plaatsgevonden en gesteld dat zij daarom nog belang heeft bij onderhavige procedure. Voor zover verzoekster hiermee heeft bedoeld de intrekking van haar beroep ongedaan te maken, overweegt de rechtbank dat dit in dit geval niet mogelijk is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 19 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:676, volgt namelijk dat een bevoegd gedane intrekking van een beroep na afloop van de beroepstermijn in beginsel niet meer ongedaan kan worden gemaakt, tenzij de intrekking van het beroep het gevolg is van een situatie van dwaling, dwang of bedrog. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de feitelijke afgifte van het toegekende visum nog niet heeft plaatsgevonden, is niet aan te merken als een dergelijke situatie. De rechtbank blijft het beroep daarom beschouwen als ingetrokken.
De rechtbank beoordeelt hierna het, gelijktijdig met de intrekking van het beroep ingediende verzoek van verzoekster om verweerder te veroordelen in haar proceskosten.
Juridisch kader
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Proceskostenveroordeling in verband met beroep niet tijdig beslissen?
Hoewel verweerder hangende het beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog op het bezwaar heeft beslist, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die verzoekster in verband met het beroep niet tijdig beslissen heeft gemaakt. Dit legt de rechtbank hierna uit.
Het primaire besluit is op 16 oktober 2023 genomen. Verzoekster heeft daartegen op 18 oktober 2023 bezwaar gemaakt. Bij brief van 30 oktober 2023 heeft verweerder de termijn om te beslissen op het bezwaar met zes weken verlengd. Dit betekent, gelet op artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Awb, dat de termijn om te beslissen op het bezwaar eindigde op 5 februari 2024. Verzoekster heeft op 23 januari 2024 een ingebrekestelling ingediend. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken, wat betekent dat die ingebrekestelling prematuur is ingediend. Vervolgens heeft verzoekster op 26 februari 2024 het beroep niet tijdig beslissen ingediend. Zoals uit het voorgaande volgt, berust dit beroep niet tijdig beslissen op een prematuur ingediende ingebrekestelling.
Gelet op voorgaande zou het beroep niet tijdig beslissen, indien het niet zou zijn ingetrokken, door de rechtbank niet-ontvankelijk zijn verklaard. De omstandigheid dat verzoekster op 27 februari 2024 en 26 maart 2024 opnieuw ingebrekestellingen heeft ingediend, maakt dit niet anders. Immers, op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Het op 26 februari 2024 ingestelde beroep voldoet niet aan dit vereiste. Gelet hierop kan een proceskostenveroordeling in verband met dit beroep niet aan de orde zijn.
Proceskostenveroordeling in verband met beroep tegen het bestreden besluit?
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816 en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487, volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake is, indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het rechtsmiddel gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
De rechtbank overweegt dat verweerder met het besluit van 23 juni 2026 weliswaar alsnog een visum voor kort verblijf aan verzoekster heeft toegekend, maar dat dit niet binnen het bestek van onderhavige visumprocedure waarin het bestreden besluit is genomen is gebeurd. Immers, het visum is toegekend naar aanleiding van een nieuwe, eind 2025/begin 2026 ingediende visumaanvraag. Verweerder heeft het bestreden besluit ook niet ingetrokken, gewijzigd of aangepast. Bovendien geldt dat verweerder pas in de bezwaarfase van die nieuwe visumprocedure tot visumtoekenning is overgegaan, op basis van informatie die eerst in de bezwaarfase van die nieuwe visumprocedure, en daarmee dus ná het nemen van het bestreden besluit in onderhavige visumprocedure, was overgelegd.
Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dat verweerder in onderhavige visumprocedure waarin het bestreden besluit is genomen aan verzoekster is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De intrekking van het beroep tegen het bestreden besluit berust dan ook niet op de omstandigheid dat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen. Daarom bestaat er geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die verzoekster in verband met het beroep tegen het bestreden besluit heeft gemaakt.
Conclusie en gevolgen
5. De rechtbank zal, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, in samenhang bezien, het verzoek van verzoekster om verweerder te veroordelen in de proceskosten afwijzen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.