RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50637
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Omdat de maatregel na het vervallen van de hiervoor genoemde bewaringsgrond te laat is omgezet heeft eiser wel recht op een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De minister heeft de maatregel van vreemdelingenbewaring op 7 september 2026 opgeheven omdat eiser zijn asielverzoek heeft ingetrokken. Vervolgens is aan eiser op
7 september 2026 een nieuwe maatregel opgelegd die nog voortduurt. Omdat de bewaringsmaatregel te laat is omgezet, heeft de minister eiser op 9 september 2026 een schadevergoeding aangeboden van € 480,- (verblijf in een huis van bewaring van
4 september 2026 tot 7 september 2026 (4 dagen) x € 120,-) en een proceskostenvergoeding van € 934,-.
Het beroep stond aanvankelijk geagendeerd op 4 september 2026. Vanwege de afwezigheid van een tolk heeft de rechtbank het beroep opnieuw geagendeerd voor
11 september 2026. De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 en op 18 september 2026 op zitting behandeld. Eiser, mr. M. Rasul als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank is aangevangen met het horen van eiser op
11 september 2026. Omdat de tolk een andere afspraak had en de voorgaande zitting was uitgelopen, heeft de tolk de zitting moeten verlaten voordat de behandeling van de zaak was afgerond. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen voortzetting van de zitting zonder tolk. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 11 september 2026 gesloten nadat de tolk de zitting had verlaten. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 18 september 2026 heropend en vervolgens wederom gesloten op 18 september 2026.
Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van betrokkene en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze gronden voor vreemdelingenbewaring zijn aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
Daarnaast kan de minister een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, van de Vw 2000 voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in vreemdelingenbewaring stellen als de vreemdeling
1) in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;
2) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en
3) op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
Uitspraak binnen 15 dagen
4. Eiser betoogt dat de rechtbank te laat uitspraak doet en dat eiser niet binnen de wettelijke termijn gehoord is. Eiser is op 31 augustus 2026 in bewaring gesteld. Dit betekent dat de rechtbank uiterlijk 14 september 2026 uitspraak moest doen. Dit betekent volgens eiser dat de bewaring onrechtmatig was en dat hij op die grond recht heeft op schadevergoeding.
5. De rechtbank stelt voorop dat ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn is bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen, of in uitzonderlijke omstandigheden uiterlijk 21 dagen, na de aanvang van de bewaring. Indien de bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw.
6. Verder is in artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn bepaald dat, indien de toetsing ertoe leidt dat de bewaring als onrechtmatig wordt beoordeeld, de betrokken verzoeker onmiddellijk wordt vrijgelaten. Deze bepaling in de Opvangrichtlijn is overgenomen in artikel 94, zesde lid, van de Vw.
7. Doordat de rechtbank tijdens de zitting van 11 september 2026 geen kennis heeft kunnen nemen van de beroepsgronden van eiser die zich richtten op de rechtmatigheid van de bewaring en het verzoek om schadevergoeding, heeft de rechtbank het onderzoek op
18 september 2026 heropend. De rechtbank is van oordeel dat de noodzaak tot spoedige toetsing in dit geval is vervallen, omdat de maatregel inmiddels was opgeheven en omgezet. De procedure kan namelijk niet meer leiden tot opheffing van de maatregel en onmiddellijke invrijheidstelling van eiser. De huidige procedure ziet daarom alleen op de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding. Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
8. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vw. Dit betekent dat de minister de vreemdelingenbewaring noodzakelijk acht met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (sub a) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag (sub b). Bovendien is gebleken dat er sprake is van een onderduikrisico en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft op de zitting grond e laten vallen.
Daarnaast acht de minister sub c van toepassing omdat eiser (1°) in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
9. Eiser stelt dat het voortraject onrechtmatig is geweest omdat uit het proces-verbaal van gehoor van 31 augustus 2026 volgt dat eiser is gehoord met een beëdigde tolk zonder dat de naam van deze beëdigde tolk is vermeld. Enkel het tolkennummer van deze tolk is vermeld. Eiser stelt dat hij op deze manier niet kan controleren of de beëdigde tolk die aan dat nummer gekoppeld is, daadwerkelijk het gesprek heeft gevoerd. Eiser stelt dat het proces-verbaal daarmee niet voldoende inzichtelijk is en het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De bewaring is daarmee onrechtmatig.
De rechtbank stelt voorop dat uit het proces-verbaal van gehoor van 31 augustus 2026 volgt dat gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk in persoon met tolkennummer 5368. Het nummer is herleidbaar naar een Arabisch (Algerijns) beëdigde tolk via de website https://zoekeentolkvertaler.bureauwbtv.nl/. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat deze persoon het gesprek heeft gevoerd. Bovendien heeft eiser deze stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft daarnaast geen aanleiding om aan de inhoud van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. Bovendien heeft eiser volgens het proces-verbaal tijdens dit gehoor aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan in de Arabische taal. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Grondslag
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister de maatregel op de juiste grondslag heeft gebaseerd. Zoals hierna zal worden overwogen heeft de minister het onderduikrisico deugdelijk gemotiveerd. De minister kon de maatregel van bewaring dan ook baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Nu de bewaringsmaatregel al op die grondslag kan worden gebaseerd, hoeft niet meer (ambtshalve) te worden beoordeeld of de bewaringsmaatregel ook kan worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a, en c van de Vw. Eén bewaringsgrondslag is immers al voldoende om de maatregel op te baseren.
Gronden
11. De rechtbank is van oordeel dat grond a, anders dan eiser stelt, terecht aan hem is opgelegd. Deze grond is feitelijk juist omdat eiser niet beschikt over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en hij heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Daarnaast blijkt uit zijn verklaringen voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij zijn paspoort in Frankrijk zou hebben achtergelaten. Daarnaast heeft eiser verklaard in Spanje en Frankrijk te hebben verbleven, voordat hij naar Nederland kwam. Dit betekent dat eiser zich zonder toestemming binnen de lidstaten van de Europese Unie heeft begeven. Dat eiser ter zitting stelt dat hij middels een claim vanuit Duitsland, Nederland is ingereisd en dat hij hierdoor legaal is ingereisd maakt dit oordeel niet anders. De grondslag is immers feitelijk juist. Grond b is ook feitelijk juist. Eiser heeft op 30 januari 2026 en op 31 juli 2026 afwijzende beschikkingen ontvangen en tot dusver geen opvolging gegeven aan het opgelegde besluit om Nederland te verlaten. De rechtbank volgt de stelling van eiser niet dat deze grond niet feitelijk juist is omdat hij deze beschikkingen niet heeft ontvangen. Volgens het rapport van bevindingen is het voornemen van 26 januari 2026 ter inzage gelegd in Ter Apel omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Daarnaast is volgens het uitreikingsblad de beschikking van 31 juli 2026 aan eiser uitgereikt op 3 augustus 2026 in Ter Apel. Ook grond c is feitelijk juist. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij geen actie heeft ondernomen om in bezit te raken van (vervangende) identiteitsdocumenten. Dat eiser stelt dat zijn identiteitsdocumenten veilig liggen bij familieleden, maakt dit oordeel niet anders. Eiser heeft niet aangetoond dat hij moeite heeft gedaan om weer in het bezit van deze documenten te raken. Ook de stelling van eiser dat het vanuit het detentiecentrum in Rotterdam niet mogelijk is om documenten te regelen, volgt de rechtbank niet. Ook grond h is feitelijk juist. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel te kennen gegeven niet te willen terugkeren naar Algerije. Ook blijkt dit uit de vertrekgesprekken van 11 en 12 augustus 2026. Dat eiser stelt dat hij niet wil terugkeren omdat hij gevaar loopt in Algerije, is niet nader toegelicht. Eiser heeft deze stelling desgevraagd tijdens de zitting van 18 september 2026 ook niet nader toegelicht. Bovendien heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken. Ook grond o is terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser is meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken. Ook grond p is feitelijk juist. Zoals eerder vermeld, is eiser niet in het bezit van identiteitsdocumenten en heeft hij geen actie ondernomen om hier gedurende zijn verblijf in Europa alsnog aan te komen. Daarnaast is eiser meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken. Ook grond q is feitelijk juist. Eiser heeft meerdere malen asiel aangevraagd, wat niet heeft geleid tot een verblijfsvergunning. Daarnaast is eiser meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken. Ook is grond r terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser staat niet ingeschreven in het BRP en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Eiser heeft verklaard dat hij afhankelijk is van het COA. Daarnaast is grond s feitelijk juist. Eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan en is ook hierin afhankelijk van het COA. Dat eiser stelt dat van asielzoekers niet kan worden verwacht dat zij voldoende middelen van bestaan en een vaste woon- of verblijfplaats hebben, maakt dit oordeel niet anders.
Lichter middel
12. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Zoals hierboven genoemd is de rechtbank van oordeel dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico vaststaat. Dat eiser stelt niet meer te willen rondzwerven in Nederland en Europa, maakt dit oordeel niet anders.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De minister heeft er terecht op gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig maken voor eiser is niet gebleken.
Voortvarendheid
14. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. Inmiddels heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken.
Zicht op uitzetting
15. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Opheffing maatregel en schadevergoeding
16. De maatregel is op 7 september 2026 opgeheven en de minister heeft eiser een schadevergoeding aangeboden (zie onder 2.2.). Eiser stelt dat de aangeboden schadevergoeding onvoldoende is omdat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is geweest. Daartoe voert eiser aan dat hij al eerder dan op 4 september 2026 kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken, maar dat hem daartoe geen mogelijkheid is geboden. Eiser stelt dat de maatregel daarom vanaf de oplegging daarvan onrechtmatig was. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem schadevergoeding moet worden toegekend vanaf het moment dat de maatregel werd opgelegd tot het moment waarop deze werd omgezet. Daarnaast stelt eiser dat hem ten onrechte geen hogere proceskostenvergoeding is aangeboden omdat hij drie keer op de zitting is verschenen.
17. De minister stelt dat de maatregel pas onrechtmatig is geworden vanaf het moment dat eiser zijn asielaanvraag had ingetrokken. De minister heeft eiser schadevergoeding aangeboden vanaf de dag waarop eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, omdat de minister de maatregel te laat heeft omgezet. De minister stelt dat de asielaanvraag tot die tijd nog liep en rechtmatig was en dat daarom geen schadevergoeding vanaf het moment van opleggen van de maatregel hoeft te worden aangeboden.
18. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser terecht een schadevergoeding heeft aangeboden omdat de maatregel te laat is omgezet. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de maatregel eerder had moeten worden omgezet omdat eiser eerder, aan de balie van het DTC in Rotterdam, te kennen zou hebben gegeven dat hij zijn asielaanvraag wenste in te trekken. Deze stelling van eiser is namelijk niet nader onderbouwd. Ook is niet duidelijk geworden op welke datum deze wens zou zijn geuit. De enkele verklaring van eiser dat hij eerder heeft gemeld dat hij zijn aanvraag wilde intrekken is onvoldoende. Daarmee heeft de minister terecht aan eiser een schadevergoeding aangeboden vanaf het moment dat eiser de intrekkingsverklaring heeft ondertekend. De rechtbank is wel van oordeel dat eiser een hogere proceskostenvergoeding moet worden aangeboden. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,-. De rechtbank rekent één punt voor de kennisgeving en drie punten voor het verschijnen op de zitting.
Conclusie en gevolgen
19. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
20. Het beroep is gegrond omdat de bewaring te laat is omgezet. Omdat de bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de vergoeding zal worden bepaald op € 480,-.
21. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving en drie punten voor het verschijnen op de zitting.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- kent aan eiser een vergoeding toe van € 480,- over de periode van 4 september 2026 tot en met 7 september 2026, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.