RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52405
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 en op 18 september 2026 op zitting behandeld. Eiser, mr. M. Rasul als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank is aangevangen met het horen van eiser op 11 september 2026. Omdat de tolk een andere afspraak had en de voorgaande zitting was uitgelopen, heeft de tolk de zitting moeten verlaten voordat de behandeling van de zaak was afgerond. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen voortzetting van de zitting zonder tolk. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 11 september 2026 gesloten nadat de tolk de zitting had verlaten. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 18 september 2026 heropend en vervolgens wederom gesloten op 18 september 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De minister heeft op de zitting grond e laten vallen.
Te late rechterlijke toets in de vorige maatregel
6. Eiser stelt dat de huidige maatregel onrechtmatig is, omdat de maatregel van
31 augustus 2026 niet tijdig door de rechter is getoetst. Daarnaast stelt eiser dat de maatregel van 31 augustus 2026 onrechtmatig was vanwege een gebrek in het voortraject en dat de gronden die aan die maatregel ten grondslag waren gelegd, de maatregel niet konden dragen. Volgens eiser was de vorige maatregel daarom onrechtmatig en werkt deze onrechtmatigheid door in de huidige maatregel, nu de vorige maatregel is omgezet naar de huidige maatregel.
7. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank van 21 september 2026. De rechtbank heeft in deze uitspraak overwogen dat de noodzaak tot spoedige toetsing van de maatregel was vervallen omdat de maatregel op 7 september 2026 was opgeheven en omgezet. De procedure kon daarom niet meer leiden tot opheffing van de maatregel en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser. De procedure zag enkel op de behandeling van het verzoek om (aanvullende) schadevergoeding. Daarnaast heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat er geen gebrek was in het voortraject en dat de gronden de maatregel konden dragen. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat deze beroepsgronden van eiser de maatregel van 31 augustus 2026 niet onrechtmatig maken. Er is dus geen sprake van onrechtmatigheid die kan doorwerken in de huidige maatregel.
Voortraject
8. Eiser stelt dat het voortraject onrechtmatig is geweest omdat uit het proces-verbaal van gehoor van 7 september 2026 volgt dat eiser is gehoord met behulp van een beëdigde telefonische tolk zonder dat de naam van deze beëdigde tolk is vermeld in het proces-verbaal. Enkel het tolkennummer van deze tolk is vermeld. Eiser stelt dat hij op deze manier niet kan controleren of de beëdigde tolk die aan dat nummer gekoppeld is, daadwerkelijk het telefonische gesprek heeft gevoerd. Eiser stelt dat het proces-verbaal daarmee niet voldoende inzichtelijk is en het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
De rechtbank stelt voorop dat uit het proces-verbaal van gehoor van 7 september 2026 volgt dat gebruik is gemaakt van een beëdigde telefonische tolk met tolkennummer 40594. Het nummer is herleidbaar naar een Arabisch (Algerijns) beëdigde tolk via de website https://zoekeentolkvertaler.bureauwbtv.nl/. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat deze persoon het gesprek heeft gevoerd. Bovendien heeft eiser deze stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft daarnaast geen aanleiding om aan de inhoud van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. Bovendien heeft eiser volgens het proces-verbaal tijdens dit gehoor aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan in de Arabische taal. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Grondslag
9. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft de asielaanvraag van eiser van 15 november 2025 bij beschikking van 30 januari 2026 afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit naar Algerije en inreisverbod voor twee jaren opgelegd. Op 3 juli 2026 heeft eiser opnieuw een asielverzoek ingediend, dat met de beschikking van 31 juli 2026 is afgewezen, waarbij verwezen is naar het eerder aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod van 30 januari 2026. Deze staan in recht vast. Op 31 augustus 2026 heeft eiser tijdens de voorgenomen inbewaringstelling opnieuw asiel aangevraagd, dat hij later op 4 september 2026 heeft ingetrokken. Het terugkeerbesluit van 30 januari 2026 is van toepassing en eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
10. De rechtbank is van oordeel dat grond a, anders dan eiser stelt, terecht aan hem is opgelegd. Deze grond is feitelijk juist omdat eiser niet beschikt over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en hij heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Daarnaast blijkt uit eisers verklaringen voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij zijn paspoort in Frankrijk zou hebben achtergelaten. Daarnaast heeft eiser verklaard in Spanje en Frankrijk te hebben verbleven, voordat hij naar Nederland kwam. Dit betekent dat eiser zich zonder toestemming binnen de lidstaten van de Europese Unie heeft begeven. Dat eiser ter zitting stelt dat hij middels een claim vanuit Duitsland, Nederland is ingereisd en dat hij hierdoor legaal is ingereisd maakt dit oordeel niet anders. De grondslag is immers feitelijk juist. Grond b is ook feitelijk juist. Eiser heeft op 30 januari 2026 en op 31 juli 2026 afwijzende beschikkingen ontvangen en tot dusver geen opvolging gegeven aan het opgelegde besluit om Nederland te verlaten. De rechtbank volgt de stelling van eiser niet dat deze grond niet feitelijk juist is omdat hij deze beschikkingen niet heeft ontvangen. Volgens het rapport van bevindingen is het voornemen van 26 januari 2026 ter inzage gelegd in Ter Apel omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Daarnaast is volgens het uitreikingsblad de beschikking van 31 juli 2026 aan eiser uitgereikt op 3 augustus 2026 in Ter Apel. Ook grond c is feitelijk juist. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij geen actie heeft ondernomen om in bezit te raken van (vervangende) identiteitsdocumenten. Dat eiser stelt dat zijn identiteitsdocumenten veilig liggen bij familieleden, maakt dit oordeel niet anders. Eiser heeft niet aangetoond dat hij moeite heeft gedaan om weer in het bezit van deze documenten te raken. Ook de stelling van eiser dat het vanuit het detentiecentrum in Rotterdam niet mogelijk is om documenten te regelen, volgt de rechtbank niet. Ook grond h is feitelijk juist. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel te kennen gegeven niet te willen terugkeren naar Algerije. Ook blijkt dit uit de vertrekgesprekken van 11 en 12 augustus 2026. Dat eiser stelt dat hij niet wil terugkeren omdat hij gevaar loopt in Algerije, is niet nader toegelicht. Ook heeft eiser deze stelling desgevraagd tijdens de zitting van 18 september 2026 niet nader toegelicht. Bovendien heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken. Ook grond o is terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser is meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken. Ook grond p is feitelijk juist. Zoals eerder vermeld is eiser niet in het bezit van identiteitsdocumenten en heeft hij geen actie ondernomen om hier gedurende zijn verblijf in Europa alsnog aan te komen. Daarnaast is eiser meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken. Ook grond q is feitelijk juist. Eiser heeft meerdere malen asiel aangevraagd, welke niet hebben geleid tot een verblijfsvergunning. Daarnaast is eiser meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken. Ook is grond r terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser staat niet ingeschreven in het BRP en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Eiser heeft verklaard dat hij afhankelijk is van het COA. Daarnaast is grond s feitelijk juist. Eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan en is ook hierin afhankelijk van het COA. Dat eiser stelt dat van asielzoekers niet kan worden verwacht dat zij voldoende middelen van bestaan en een vaste woon- of verblijfplaats hebben, maakt dit oordeel niet
Lichter middel
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onderduiken is gegeven.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarend handelen
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft ter zitting toegelicht dat op 18 augustus 2026 een laissez-passer aanvraag is opgestart en dat op 20 augustus 2026 en op 8 september 2026 is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast heeft de minister toegelicht dat een presentatie zal worden gepland. De datum van deze presentatie is op dit moment nog niet bekend. Ook heeft op 10 september 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
14. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. In zijn algemeenheid mag worden aangenomen dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.
Conclusie en gevolgen
15. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.