ECLI:NL:RBDHA:2026:27674

ECLI:NL:RBDHA:2026:27674

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer NL26.16520, NL26.16521 en NL26.16522
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Afwijzing asiel Syrië. Grootouders + kleinkind. 15c Aleppo/Afrin. Onvoldoende gemotiveerd dat gegronde vrees voor vervolging wegens politieke overtuiging en activiteiten niet aannemelijk is. Onvoldoende gemotiveerd dat eisers vanwege individuele omstandigheden geen reëel risico lopen op willekeurig geweld. Onvoldoende onderzocht en gemotiveerd of adequate opvang aanwezig is. Beroepen gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser 1,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.16520, NL26.16521 en NL26.16522

geboren op [datum] 1953,

V-nummer: [nummer] ,

[naam] , eiseres,

geboren op [datum] 1956,

V-nummer: [nummer] ,

[naam] , eiser 2,

geboren op [datum] 2010,

V-nummer: [nummer] ,

allen van Syrische nationaliteit,

hierna tezamen: eisers

(gemachtigden: mr. H.J. Janse en mr. G.M. Bouius),

en

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw., Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt de beroepen mede aan de hand van eisers beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben zich op 5 september 2023 in Nederland gemeld en hebben aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft deze aanvragen afgewezen als ongegrond met de afzonderlijke besluiten van 17 maart 2026 (hierna: de bestreden besluiten). Aan eiser 1 is voorlopig uitstel van vertrek verleend. Daarom gelden de bestreden besluiten niet als terugkeerbesluiten.

Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

De rechtbank heeft de beroepen op 7 augustus 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigden, een tolk en de gemachtigde van de minister. Ook was de Nidos-voogd van eiser 2 aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

3. Eisers betreffen grootvader, grootmoeder en hun kleinkind. Zij zijn afkomstig uit de omgeving van Afrin in de regio Aleppo. Eisers leggen aan hun asielaanvragen ten grondslag dat zij te vrezen hebben in Syrië vanwege de politieke overtuiging van eiser 1. Hij was van jongs af politiek betrokken en was lid van de Koerdische Democratische partij (PKD-s). Ook nam eiser 1 deel aan demonstraties in 2012 en uit hij zijn politieke mening online en in gesprekken. Eiser 1 heeft verklaard dat hij voor de PKK is gevlucht, maar dat zijn zwager door hen is meegenomen en mishandeld in detentie. Verder heeft eiseres aangegeven dat zij gediscrimineerd wordt vanwege haar Koerdische etniciteit. Eiser 2 heeft verklaard dat hij te vrezen heeft omdat hij de islam niet praktiseert en omdat hij gerekruteerd zal worden. Daarnaast vrezen eisers vanwege de algemene veiligheidssituatie en de slechte omstandigheden in Syrië. Tot slot hebben eiser 1 en eiseres verklaard dat hun grond en winkel in de omgeving van Afrin in beslag zijn genomen en dat zij bij terugkeer vrezen om te worden gedood als zij de eigendom hiervan opeisen. Ter onderbouwing hebben eisers onder meer een kopie van een verklaring van het Kurdistan National Assembly (KNA) overgelegd, van 24 augustus 2025, waarin staat dat eiser 1 gezocht wordt vanwege zijn politieke activiteiten.

Eiser 1 en eiseres hebben verklaard dat zeven kinderen hebben. Een zoon en dochter verblijven in Nederland en bezitten de Nederlandse nationaliteit. Twee andere zoons wonen in Duitsland of Noorwegen. De ouders van eiser 2 verblijven met zijn jongere broer in Turkije. In Syrië verblijven volgens eisers nog een dochter van eiser 1 en eiseres, twee broers van eiseres en de grootouders (moederskant) van eiser 2.

De besluitvorming

4. De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers;

de politieke overtuiging van eiser 1;

de Koerdische etniciteit van eiseres;

de algemene situatie;

de vrees voor de PKK;

inbeslagname van grond in de buurt van Afrin.

De minister acht alle asielmotieven geloofwaardig, maar acht niet aannemelijk dat eisers hierdoor te vrezen hebben bij terugkeer. Volgens de minister zijn in geval van eiser 2 de vrees vanwege een politieke overtuiging van eiser 1, de vrees voor ernstige schade en de vrees voor rekrutering geen asielmotieven. De minister heeft deze op aannemelijkheid beoordeeld, net als alle (geloofwaardig geachte) asielmotieven van eisers.

De minister heeft gemotiveerd dat eiser 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft vanwege een politieke overtuiging. Eiser 1 heeft zich kritisch geuit tegen de PKK maar deze beweging is opgeheven. Volgens de minister volgt uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 dat onder de overgangsregering (HTS) meer ruimte is voor kritiek. Sindsdien zijn geen berichten bekend over arrestaties van opposanten. Ook heeft eiser 1 op sociale media een beperkt bereik en heeft hij niet toegelicht waarop de overgelegde verklaring dat hij gezocht wordt is gebaseerd. Eiser 1 heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de huidige Syrische autoriteiten. In het verlengde hiervan acht de minister niet aannemelijk dat eiseres en eiser 2 te vrezen hebben, omdat zij deze vrees niet persoonlijk hebben gemaakt.

De minister heeft verder gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor vervolging te vrezen heeft vanwege haar etniciteit, omdat geen sprake is van dusdanige discriminatie waardoor het voor haar onmogelijk is om te functioneren op sociaal en maatschappelijk gebied. Ter onderbouwing is gewezen op het UK Home Office rapport van december 2025 en is gesteld dat eiseres in Syrië kon wonen en werken, dat zij scholing en toegang tot medische voorzieningen heeft gehad en dat haar documenten zijn verleend. Daarnaast heeft eiser 2 volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft vanwege het niet-praktiseren van de islam, omdat uit algemene informatie niet blijkt van vervolging in Syrië voor het niet navolgen van islamitische leefregels. Ter onderbouwing is gewezen op informatie in de Algemene Ambtsberichten van mei 2025 en januari 2026 en in de EUAA-rapporten van juli en december 2025. Ook heeft eiser 2 volgens de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor rekrutering door Koerdische groepen, omdat terugkeer niet ziet op een regio dat onder hun controle staat, zoals het Daanes-gebied. Terugkeer ziet op de regio Aleppo en dit gebied staat onder de macht van HTS en niet van de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF).

Tot slot heeft de minister gemotiveerd dat in de regio Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister heeft onder meer de aantallen geweldsincidenten, ontheemden, burgerslachtoffers en het bevolkingsaantal betrokken. Ook is betrokken dat in januari 2026 gevochten werd in de regio, maar dat deze sindsdien onder controle staat van HTS. Verder zijn de humanitaire omstandigheden globaal betrokken. Volgens de minister is niet gebleken dat deze in overwegende mate veroorzaakt worden door de strijdende partijen in het lopende gewapend conflict. Eisers hebben volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege individuele omstandigheden een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van het willekeurig geweld, omdat zij geen individuele omstandigheden hebben gesteld. Ook is volgens de minister geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. Volgens de minister hebben eisers daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM of op grond van artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn (hierna: de 15c-situatie).

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Gestelde vrees wegens etniciteit en niet-praktiseren islam

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat eiseres te vrezen heeft vanwege de Koerdische etniciteit, dan wel dat eiser 2 te vrezen heeft vanwege het niet-praktiseren van de islam. De minister heeft dit standpunt, weergegeven onder 4.3., onderbouwd met landeninformatie. Eisers hebben dit in beroep niet betwist of weerlegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel dan de conclusie in de besluiten van de minister.

Vrees opeisen inbeslaggenomen eigendom

6. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat zij te vrezen hebben voor ernstige schade wanneer zij de eigendom van hun inbeslaggenomen grond opeisen. Zij riskeren dan afpersing en intimidatie door gewapende groepen of arrestatie door veiligheidstroepen, zoals het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 vermeldt op pagina 106.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door het opeisen van hun eigendom een reëel risico lopen op ernstige schade. Daartoe heeft de minister kunnen wijzen op het ambtsbericht, pagina 149, wat vermeldt dat de Syrische autoriteiten lokale commissies en rechtbanken hebben aangewezen om eigendomsgeschillen te beslechten. Voor zover eisers verklaard hebben dat op hun grond een militaire basis staat, heeft de minister op zitting kunnen stellen dat dit kan worden opgelost door de aangewezen autoriteiten. Eisers hebben dit niet weerlegd. Dat het ambtsbericht op pagina 106 ook vermeldt dat sommige terugkeerders te maken kregen met afpersing, intimidatie of geweld door lokale gewapende groepen of met arrestatie door veiligheidstroepen, maakt niet zonder meer dat dit ook voor eisers persoonlijk geldt. Eisers hebben namelijk aangegeven dat zij over eigendomsbewijzen beschikken, zodat het mogelijk is om dit voor te leggen aan de aangewezen autoriteiten in Syrië. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat mogelijke problemen waar eisers in dit verband tegen aanlopen, geen zwaarwegende problemen zijn in de zin van artikel 3 van het EVRM.

Vrees voor rekrutering

7. Eisers hebben in beroep verder aangevoerd dat eiser 2 te vrezen heeft voor rekrutering, omdat dit volgens het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 voorkomt in het noordoosten van Syrië. Ook maakt het ambtsbericht melding van een vermoedelijk geval van gedwongen rekrutering in Aleppo in augustus 2025 door de SDF. Het EUAA-rapport van december 2025 benoemt gedwongen rekrutering door SDF en de Kurdish People’s Protection Units (YPG). Volgens dit rapport zijn Koerden het doelwit en lopen kinderen in een vluchtelingenkamp extra risico. Eiser 2 stelt dat dit beide voor hem geldt.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser 2 de vrees voor rekrutering niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe heeft de minister kunnen stellen dat terugkeer ziet op de regio Aleppo in het noordwesten van Syrië. De informatie waar eiser op wijst ziet op het Daanes-gebied in het noordoosten van Syrië, dat onder controle staat van Koerden. Uit de landeninformatie die partijen bezigen blijkt dat Aleppo sinds januari 2026 onder controle staat van HTS. De informatie in het ambtsbericht en het EUAA-rapport over rekrutering door de SDF en de YPG maakt daarom niet aannemelijk dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering bij terugkeer naar de regio Aleppo. De rechtbank volgt eiser tot slot niet zonder meer in de stelling dat hij zal moeten terugkeren naar een vluchtelingenkamp, omdat familie van hem in Syrië woonachtig is.

Weging politieke overtuiging eiser 1

8. Eisers hebben in beroep daarnaast aangevoerd dat de politieke overtuiging van eiser 1 door de minister ten onrechte als noch zwak, noch sterk wordt beschouwd. Eiser 1 is zijn hele leven politiek betrokken geweest. De minister stelt ten onrechte dat eiser 1 gestopt is met politieke uitingen, omdat hij dit doet met de middelen die tot zijn beschikking staan in het buitenland. De minister neemt ten onrechte aan dat eiser 1 op dezelfde manier politiek actief zal zijn in geval van terugkeer naar Syrië. Hij heeft bij terugkeer te vrezen, omdat de PKK is geïntegreerd in HTS en hij eerder door hen is vervolgd. Ook blijkt volgens eisers uit openbare bronnen dat leden van PKD-s een risico lopen. Ter onderbouwing is gewezen op het eerdergenoemde UK Home Office-rapport, op artikelen van de NOS, van de Volkskrant, van de BBC en op informatie van het ICG en STJ. De minister heeft verder ten onrechte in het nadeel van eiser 1 betrokken dat de overgelegde verklaring dat hij gezocht wordt een kopie betreft. In beroep heeft eiser een originele verklaring overgelegd van het KNA, van 26 augustus 2025, waarin eveneens staat dat hij gezocht wordt door de huidige autoriteiten vanwege zijn politieke uitingen. Dat eiser 1 te vrezen heeft voor de huidige regering blijkt ook uit de EUAA-rapporten van juli 2025 en juli 2026, die arrestaties benoemen van opposanten die zich kritisch online uitten. Dat geldt voor eiser. Dat kritiek op de overheid tot repercussies leidt, wordt volgens eisers ook onderstreept door informatie in diezelfde rapporten dat journalisten geconfronteerd worden met geweld. Eiseres en eiser 2 vrezen voor toegedichte politieke overtuiging en problemen.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. De rechtbank overweegt dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser 1 in Syrië politiek actief was, in de oppositie heeft gezeten tegen de PKK en deelnam aan demonstraties tegen Assad. Uit de besluitvorming blijkt echter niet dat de minister in zijn beoordeling heeft betrokken hoe eiser 1 zijn politieke overtuiging zal uiten in Syrië in geval van terugkeer. In weerwil van het Informatiebericht 2024/10 heeft de minister eiser 1 hier niet naar gevraagd. De rechtbank volgt de minister daarom niet in de stelling op zitting dat hij in zijn beoordeling van de vrees de situatie bij terugkeer heeft betrokken. De minister heeft verder niet weersproken dat leden van de PKK zijn opgenomen in de HTS regering, noch dat eiser eerder door de PKK gezocht werd waarna zijn zwager is opgepakt en mishandeld. Evenmin is weersproken dat eiser 1 zich online ook kritisch uit met betrekking tot de huidige autoriteiten in Syrië. Eisers hebben ter onderbouwing verklaringen overgelegd van de vicevoorzitter en de president van het KNA die stellen dat eiser 1 gezocht wordt door de huidige autoriteiten. De minister is hier onvoldoende gemotiveerd aan voorbij gegaan in het licht van landeninformatie en de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser 1. De minister heeft namelijk ten onrechte gesteld dat er geen berichten bekend zijn met betrekking tot arrestaties of problemen in verband met kritische uitlatingen tegen de huidige autoriteiten. Eisers hebben terecht gewezen op de EUAA-rapporten van juli 2025 en van juli 2026, die hiervan melding maken. De verwijzing van de minister naar het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 is daarom ontoereikend. Nu de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vrees van eiser 1 niet aannemelijk is, is eveneens onvoldoende gemotiveerd dat eiseres en eiser 2 niet te vrezen hebben vanwege de politieke overtuiging van eiser 1.

Al om het voorgaande zijn de beroepen gegrond en komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting bespreekt de rechtbank de overige beroepsgronden van eisers.

Algemene veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden

9. Eisers hebben verder aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in de regio Aleppo sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. Volgens eisers heeft de minister de ernstige humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken. Primair hebben eisers gesteld dat uit EUAA-rapporten blijkt dat nog pro-Assad milities betrokken zijn in het gewapende conflict, zodat geen sprake is van een nieuwe actor en de omstandigheden die veroorzaakt zijn door Assad betrokken moeten worden. Subsidiair hebben eisers gesteld dat de minister onvoldoende heeft onderzocht in hoeverre de slechte omstandigheden worden veroorzaakt door de strijdende partijen, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2026. Meer subsidiair hebben eisers gesteld dat de omstandigheden ten gevolgen van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest, ten onrechte niet zijn betrokken in de beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025. In dit verband betogen eisers dat het actor-vereiste binnen 15c niet restrictief moet worden uitgelegd, dat het een autonome beschermingsgrond vormt en niet samenvalt met artikel 3 van het EVRM. Tot slot hebben eisers gesteld dat de lagere maatstaf uit het arrest Sufi en Elmi geldt: of eisers kunnen voorzien in hun basisbehoeften, omdat de slechte omstandigheden in Syrië in overwegende mate zijn veroorzaakt door het conflict. Volgens eisers kunnen zij niet voorzien in hun basisbehoeften, omdat uit landeninformatie volgt dat 90% van de Syrische bevolking dat niet kan. Ter onderbouwing is in het dossier landeninformatie overgelegd, samengesteld door Vluchtelingenwerk Nederland bij brieven van 2 en 4 februari 2026.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Ook is geoordeeld dat uit de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 volgt dat omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol meer spelen bij de beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld. In de nieuwe landeninformatie en in wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan dat van de meervoudige kamer. Eisers hebben de omstandigheden die door de minister zijn betrokken niet betwist, waaronder het aantal geweldsincidenten, slachtoffers, ontheemden en het bevolkingsaantal in de regio Aleppo. In geschil is of sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld, vanwege de slechte humanitaire omstandigheden.

De rechtbank heeft in haar meervoudige uitspraak geoordeeld dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. De rechtbank volgt eisers niet in het primaire standpunt dat deze actor niet is verdwenen. De EUAA-informatie waar eisers op wijzen vermeldt namelijk dat nieuwe pro-Assad milities zijn gevormd na de val van Assad, zodat sprake is van nieuwe actoren. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank eisers niet volgt in hun subsidiaire tot meest subsidiaire standpunten. Uit de landeninformatie blijkt de rechtbank dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele gewapende conflict en willekeurige geweld, waardoor niet de lagere maatstaf van het arrest Sufi en Elmi geldt.

Individuele omstandigheden

10. Eisers hebben verder aangevoerd dat de minister hun individuele omstandigheden niet goed heeft betrokken in de beoordeling van een reëel risico op ernstige schade door willekeurig geweld, conform de EUAA Guidance Note. Eisers zijn zeventigplussers en kampen met gezondheidsproblemen. Eiseres is slecht te been en haar werd tijdens het gehoor een rolstoel aangeboden. Eiser 2 is minderjarig, hij is 16 jaar oud en op driejarige leeftijd uit Syrië vertrokken. Hij heeft daardoor weinig kennis van het land. Zowel de hoge leeftijd van eiser 1 en eiseres als de jonge leeftijd van eiser 2 maakt dat zij zich minder vlug kunnen onttrekken aan willekeurig geweld. Ook is er volgens eisers geen familie meer in Syrië en zijn hun eigendommen in Afrin inbeslaggenomen. Dit maakt dat eisers een verhoogd risico lopen op willekeurig geweld.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de in beroep aangevoerde omstandigheden niet risico-verhogend zijn. De rechtbank volgt eisers weliswaar niet in de stelling dat zij geen familie in Syrië hebben, omdat zij over familieleden in Syrië hebben verklaard. Ook heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de inbeslaggenomen eigendommen van eisers in Syrië niet maakt dat zij een hoger risico lopen op willekeurig geweld. Eisers hebben dit niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de overige omstandigheden, waaronder de hoge en jonge leeftijd van eisers en hun gezondheidsproblemen niet risico-verhogend zijn. Eisers hebben niet ten onrechte gesteld dat eiser 2 vanwege zijn vlucht uit Syrië op driejarige leeftijd, vrijwel onbekend is met het land en dat eiser 1 en eiseres minder mobiel zijn. De minister is hier onvoldoende gemotiveerd op ingegaan.

Humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 3 van het EVRM

11. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat in Syrië sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. Daarom is geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi. In dit verband heeft de minister kunnen wijze op de beslissing van het EHRM van 24 september 2025, waarin geoordeeld is dat uitzetting naar Syrië niet in strijd was met artikel 3 van het EVRM. Eisers hebben dit in beroep niet gemotiveerd betwist.

Adequate opvang

12. Eisers hebben tot slot aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft onderzocht dat in Syrië adequate opvang aanwezig is voor eiser 2. Volgens eisers zijn er ten onrechte geen vragen gesteld naar de omstandigheden waarin eiser 2 in Syrië kan worden opgevangen en zijn de problemen waarvoor zijn ouders zijn gevlucht niet betrokken. Ter onderbouwing is gewezen op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Arnhem en Middelburg. Ook zijn stukken overgelegd over de wettelijke zorgplicht van ouders van alleenstaande minderjarige vreemdelingen en de verantwoordelijkheid van de staat in dat kader. Volgens Nidos rust op de ouders van eiser 2 op dit moment geen zorgplicht, omdat zij geen gezag hebben. Dit gezag ligt bij Nidos en zal bij uitzetting moeten worden overgedragen. Dat vereist onderzoek van de minister. Het is bovendien niet aan eiser om te bewijzen dat zijn ouders niet kunnen voldoen aan de zorgplicht. Daarom is niet voldaan aan artikel 10, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en het arrest T.Q.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser 2 een niet-begeleide minderjarige is. In het besluit waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen is geen terugkeerbesluit opgenomen. De minister heeft vervolgens in de artikel 64-procedure voor eiser 1 wel bepaald dat eisers terug moeten naar Syrië. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat en onderzocht of voor eiser 2 in Syrië adequate opvang aanwezig is. De minister heeft eiser 2 namelijk onvoldoende daadwerkelijk gehoord over de omstandigheden waarin hij in Syrië kan worden opgevangen. Eiser 2 is hier niet, dan wel summier over gehoord. De motivering van de minister dat eiser 2 contact heeft met zijn ouders, dat zij een zorgplicht hebben en voor opvang in Syrië moeten zorgen is in dit verband onvoldoende. De minister mag weliswaar wijzen op de zorgplicht van de ouders van eiser 2, ondanks dat zij in Turkije verblijven, maar dat laat onverlet dat de minister had moeten onderzoeken onder welke omstandigheden eiser 2 in Syrië kan worden opgevangen. De stelling van de minister dat eiser 2 familie in Syrië heeft is daarvoor onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De minister heeft de asielaanvragen ten onrechte afgewezen. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat zij nader onderzoek noodzakelijk acht. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

15. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van beroepschriften in samenhangende zaken en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken, omdat de werkzaamheden in de drie zaken nagenoeg identiek zijn geweest. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand