RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18100
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),
en
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw., Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van eisers beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft wel voldoende gemotiveerd dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, maar heeft ten onrechte geen refoulementbeoordeling gemaakt met betrekking tot Soedan, Eritrea of Ethiopië. Hierna legt de rechtbank dit oordeel en de gevolgen uit.
Procesverloop
2. Eiser heeft zich op 2 februari 2023 gemeld en heeft op 3 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van 15 september 2025 is dit beroep gegrond verklaard door deze rechtbank en zittingsplaats.
De minister heeft met het bestreden besluit van 5 maart 2026 opnieuw op de asielaanvraag van eiser beslist en deze afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en is aan eiser medegedeeld dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Soedan, Eritrea of Ethiopië.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft drie verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] en van Eritrese nationaliteit te zijn. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Soedan geboren is uit een Ethiopische moeder en Eritrese vader. Eiser heeft verklaard dat hij zijn hele leven in Soedan heeft gewoond en te maken heeft gehad met discriminatie. Verder heeft eiser problemen gehad met zijn oom in Soedan. Eiser vreest in Eritrea voor de militaire dienstplicht. Ter onderbouwing heeft eiser (kopieën van) vluchtelingendocumenten van zijn gestelde moeder en (half)zus overgelegd, en een schoolrapport.
De besluitvorming
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister acht het eerste asielmotief niet geloofwaardig. De minister heeft het tweede asielmotief daarom niet getoetst. Eiser heeft geen documenten overgelegd om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen. De minister vindt dat eiser onvoldoende documenten heeft en daarvoor geen goede verklaring heeft. Ook is tegengeworpen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Tot slot beschouwt de minister eiser in grote lijnen als niet geloofwaardig. De minister heeft een terugkeerbesluit opgelegd dat ziet op Soedan, Eritrea en Ethiopië. Volgens de minister behoefde hij geen extra onderzoek te doen om vast te stellen naar welk land eiser (veilig) kan terugkeren. Ter onderbouwing is gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024 en het IB 2024/35.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Geloofwaardigheidsbeoordeling van WI 2024/6
5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de geloofwaardigheidsbeoordeling aan de hand van de WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Volgens eiser moet de minister motiveren waarom een tegengeworpen voorwaarde doorslaggevend is. Daarom moet gemotiveerd worden ingegaan op elke van de vijf cumulatieve voorwaarden. Ook moet de minister aan het einde een integrale en volledige beoordeling maken.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het kader van de beoordeling van de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, in de besluitvorming alle relevante aspecten heeft betrokken en een integrale beoordeling heeft gemaakt. Eiser heeft niet onderbouwd welke relevante aspecten in dit verband onvoldoende zijn betrokken. Van een geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht is daarom niet gebleken.
Wijzigingen ten opzichte van eerdere asielbeschikking
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom zijn geloofwaardigheidsbeoordeling en standpunt over misleiding zijn gewijzigd ten opzichte van het eerdere besluit op de asielaanvraag van eiser. Volgens eiser is het vreemd dat de minister niet langer tegenwerpt dat hij niet voldoende inspanningen heeft verricht (onder a), maar wel dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd (onder b). Ook had de minister moeten motiveren waarom eisers relaas eerder wel in hoofdlijnen geloofwaardig werd geacht, maar nu niet meer, terwijl in de eerdere rechtbankuitspraak is geoordeeld dat onvoldoende was gemotiveerd dat eisers verklaringen tegenstrijdig zijn.
De beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient de minister de wijziging van een geloofwaardigheidsstandpunt deugdelijk te motiveren. Dit doet zich in het geval van eiser niet voor. Ook in de eerdere asielbeschikking van 3 juli 2025 is de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig geacht. Bovendien is dit standpunt en de eerdere asielbeschikking enkel met betrekking tot de minderjarigheid van eiser getoetst door de rechtbank. Het rechtbankoordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd had dat eisers verklaringen over zijn leeftijd en registratie in Italië tegenstrijdig waren, laat onverlet dat de minister andere onduidelijkheden kan tegenwerpen. Het stond de minister in zoverre vrij om zijn motivering voor het standpunt te wijzigen in een nieuw besluit. Ook stond het de minister vrij om terug te komen van de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond. Geen van beide mogelijkheden zijn door wet of rechtspraak uitgesloten. De minister heeft in dit verband op zitting terecht gesteld dat artikel 30b van de Vw een facultatieve bevoegdheid betreft. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat de minister een wijziging in tegenwerpingen moet toelichten. Eiser is in de gelegenheid geweest om op de gewijzigde motivering te reageren in beroep en in zijn zienswijze(n) op het nieuwe voornemen en de daarin opgenomen tegenwerpingen. De stelling van eiser dat de minister zijn asielrelaas eerder wel in hoofdlijnen geloofwaardig achtte, miskent dat artikel 4, vijfde lid, onder e, van de KRi, ziet op de geloofwaardigheid van de verzoeker, en niet van het relaas. Ook volgt niet zonder meer uit de omstandigheid dat de voorwaarde onder e niet in de eerdere beschikking is tegengeworpen dat de minister eiser eerder wel geloofwaardig vond.
Referentiekader
7. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat de minister in de beoordeling van het relaas onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn minderjarigheid ten tijde van de gebeurtenissen en ten tijde van het aanmeldgehoor, zijn beperkte opleidingsniveau en zijn culturele achtergrond. De minister heeft het referentiekader wel benoemd, maar heeft in de waardering van eisers verklaringen hier geen rekening mee gehouden. Dat eiser vijf jaar basisonderwijs op een UNESCO-school volgde is onvoldoende om te concluderen dat eiser over adequate en communicatieve vaardigheden beschikte om consistente gedetailleerde verklaringen af te leggen. Eiser heeft verklaard beperkt te kunnen lezen en schrijven. Dit wordt ondersteund door het medisch advies, waar hij dit ook heeft aangegeven. Dat eiser werkte en zelfstandig heeft gereisd, betekent niet dat hij complexe informatie begrijpt en kan reproduceren. Ter onderbouwing wijst eiser op zijn verklaringen in het aanmeldgehoor, waaruit volgens hem blijkt dat hij niet goed begrijpt hoe een nationaliteit wordt verkregen. Bovendien was eiser tijdens zijn reis afhankelijk van reisgenoten en smokkelaars. Vanwege de Eritrese culturele achtergrond met een norm van respect en terughoudend, is het bovendien niet gepast dat eiser zijn moeder bevraagt over persoonlijke of gevoelige informatie, zoals de relatie met zijn vader. Dit wordt versterkt door de afstand en het sporadische contact tussen eiser en zijn moeder. Dat eiser niet veel weet over de relatie van zijn ouders is dan ook geen aanwijzing voor ongeloofwaardigheid. Ter onderbouwing is een passage overgelegd uit een rapportage van het VN-Kinderrechtencomité over Eritrea.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het niet in geschil is dat de minister alle aspecten van het referentiekader van eiser heeft benoemd. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende rekening heeft gehouden in de beoordeling van de verklaringen van eiser. Dat eiser heeft aangegeven beperkt te kunnen lezen en schrijven en dat hij met een norm van respect en terughoudendheid omgaat met zijn moeder, maakt niet dat van hem geen consistente verklaringen kunnen worden verwacht. De minister heeft van eiser mogen verwachten dat hij zijn gestelde personalia aannemelijk kan maken, nu hij 16 jaar oud was ten tijde van zijn vertrek en omdat hij nog altijd contact onderhoud met zijn moeder. Tijdens de procedure heeft eiser namelijk wel bepaalde informatie van zijn gestelde moeder ontvangen en overgelegd. De omstandigheden die eiser stelt en informatie waar hij op wijst, maken niet dat van hem geen consistente en aannemelijke verklaringen kunnen worden verwacht, of nadere informatie en stukken via zijn ouders over een geboorteregistratie, land van verblijf op jonge leeftijd en zijn nationaliteit. Het is namelijk aan eiser om zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken.
Geloofwaardigheid van identiteit, nationaliteit en herkomst
8. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig acht. Volgens eiser verbindt de minister te weinig consequenties aan zijn minderjarigheid ten tijde van de asielaanvraag, terwijl de minister nu wel van deze minderjarigheid uitgaat. Ook is de motivering onduidelijk, omdat eisers identiteit toch ongeloofwaardig is geacht en in het besluit verschillende personalia zijn genoemd, alsof eiser heeft gelogen. De minister gaat volgens eiser in andere vergelijkbare zaken wel uit van de gestelde personalia, ondanks andere registraties in Italië. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde van eiser gedeeltes van gehoren met andere vreemdelingen overgelegd. Ook werpt de minister ten onrechte verklaringen uit het aanmeldgehoor tegen aan eiser. Dit is in strijd met artikel 3.108, vijfde lid, van de Vb. Eiser betwist met klem dat hij onvoldoende samenhangend over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft verklaard. Hij heeft steeds dezelfde naam en geboortedatum genoemd en dezelfde nationaliteit van zijn ouders en gelijk verklaard over zijn geboorte in Soedan. Volgens eiser heeft de minister niet gemotiveerd waarom de overgelegde (kopieën van) vluchtelingdocumenten van moeder en zus en het schoolrapport van eiser geen begin van bewijs vormen, gelet op het arrest LH. In beroep zijn deze stukken in het origineel overgelegd. Voor zover er onduidelijkheid bestaat over de school, stelt eiser dat hij de namen mogelijk heeft omgedraaid maar wel heeft genoemd, dat de school mogelijk met sluiting wordt bedreigd of andere prioriteiten heeft, dan wel dat de minister zijn samenwerkingsplicht heeft geschonden door zelf geen navraag te doen bij de school. Namens eiser is dit gedaan, maar kan de e-mail niet worden teruggevonden. Ook heeft de minister ten onrechte niet aannemelijk geacht dat eisers moeder voor hem geen geboorteregistratie of verblijfsdocumenten in Soedan heeft verkregen. Zij beschikte zelf over een vorm van vluchtelingendocumentatie en uitreispapieren naar Ethiopië. Dat betekent niet dat zij in staat was zelfstandige documenten voor eiser te regelen. Daarbij had de minister moeten betrekken dat registratie van vluchtelingen in Soedan zeer beperkt is en dat eiser is opgegroeid in Kassala, buiten een formeel vluchtelingenkamp. Ook is het niet juist dat het uitblijven van navraag door de moeder bij instanties afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het relaas. Gelet op de afstand, beperkte middelen en de gebrekkige toegankelijkheid van instanties in Soedan, kan van de moeder van eiser redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij dergelijke stappen onderneemt. De minister werpt verder ten onrechte tegen dat eisers document in Frankrijk is ingenomen en legt hem een onevenredige bewijslast op door te verlangen dat hij op de hoogte is van geboorteregistratie in Soedan.
Ook stelt eiser dat hij van zijn moeder heeft vernomen dat zijn vader Eritrees is en dat hij in Soedan is geboren en heeft geleefd. Als dit onjuist is, kan hem dit niet worden tegengeworpen. Ten onrechte werpt de minister tegen dat de tweetaligheid van eiser geen sluitend bewijs vormen voor de verklaringen over zijn stamafkomst. Voor zover uit een door eiser overgelegd document volgt dat zijn moeder in 2008 in Ethiopië woonde, kan de minister niet van eiser verlangen dat hij met verifieerbare verklaringen onderbouwt waar zijn moeder zich bevond ten tijde van zijn geboorte, of waar hij woonde als peuter. Dit geldt temeer nu eiser sporadisch contact heeft met zijn moeder. Evenmin kan de minister aan eiser tegenwerpen dat nadere informatie over zijn vader ontbreekt, of dat hij dit niet heeft nagevraagd. Eiser heeft verklaard dat sprake is van emotionele afstand en familiale gevoeligheid. De minister kan niet stellen dat dit voor rekening en risico van eiser komt en heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de islamitische opvoeding van eiser op voorhand onaannemelijk zou zijn.
Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het relaas van eiser in hoofdlijnen niet geloofwaardig is. De reis van eiser is geen hoofdlijn van het asielrelaas. De minister heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom het niet aanvragen van asiel in andere Europese landen, afbreuk doet aan zijn asielrelaas.
9. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze op goede gronden niet geloofwaardig heeft geacht. Daartoe overweegt zij als volgt.
De minister heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd, en daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister heeft terecht gesteld dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd en dat de documenten die wel zijn overgelegd niet zonder meer op eiser zien, kopieën betreffen of maar in gedeelte zijn overgelegd. De minister kon tegenwerpen dat een (geboorte)registratie van eiser in Soedan ontbreekt. Eiser heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. De rechtbank volgt eiser niet in de stellingen dat registratie onmogelijk was omdat hij niet in een vluchtelingekamp verbleef, dan wel dat dit voor zijn moeder te risicovol was. Eiser stelt immers dat hij gedurende een periode van 14 of 15 jaar in Soedan heeft verbleven en heeft wel vluchtelingdocumenten overgelegd van – naar gesteld – zijn moeder en zus. Niet valt in te zien dat eisers moeder deze documenten wel voor zichzelf en haar dochter kon verkrijgen en kon verlengen, maar dat registratie van eiser niet mogelijk was. Verder volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat een onevenredige bewijslast aan hem wordt opgelegd. Van iedere vreemdeling wordt verlangd dat zij hun personalia aannemelijk maken, dan wel een aannemelijke verklaring geven voor het ontbreken van documenten.
De minister heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat de overgelegde vluchtelingendocumenten van moeder en zus en het overgelegde schoolrapport van eiser onvoldoende zijn om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. De minister heeft daartoe terecht gesteld dat de familierechtelijke relatie met eiser niet is aangetoond en dat het schoolrapport geen pasfoto of geboortedatum bevat. De stukken onderbouwen daarom niet de gestelde identiteit, of Eritrese nationaliteit. Het schoolrapport is hooguit een begin van bewijs dat eiser in Soedan heeft verbleven. De in beroep overgelegde originele versies van deze documenten doen niet aan deze motivering af, ook al is het schoolrapport positief beoordeeld. De stelling dat de stukken een begin van bewijs vormen en de verwijzing naar het arrest LH slagen daarom niet. Anders dan eiser meent zijn de stukken gemotiveerd betrokken, maar komt hieraan niet de waarde toe die hij hieraan gehecht wenst.
De minister heeft verder op goede gronden tegengeworpen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Eiser stelde in eerste instantie dat hij altijd in Soedan heeft verbleven. Een door eiser overgelegd document plaatst zijn moeder echter in 2008 in Ethiopië. In reactie hierop heeft eiser eerst gesteld dat zijn moeder deze Ethiopische woonverklaring via andere vluchtelingen heeft verkregen, maar dat zij feitelijk in Soedan verbleef. Anderzijds heeft eiser aangegeven dat zij rond 2008 toch tijdelijk in Ethiopië hebben gewoond. De stelling dat eiser zijn verklaringen baseert op wat hij heeft vernomen van zijn moeder, dan wel dat verwarring mogelijk is ontstaan door een verschillende jaartelling, maakt niet dat zijn verklaringen niet wisselend zijn.
De minister heeft in dit verband verder kunnen stellen dat eiser ook anderszins zijn nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser stelt te vrezen in Eritrea, maar heeft verklaard dat hij de Eritrese nationaliteit niet heeft, dan wel dat hij dit niet weet. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat ten onrechte verklaringen uit de aanmeldfase zijn tegengeworpen, omdat deze niet betrokken zijn in de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag, maar ten behoeve van het vaststellen van de identiteit, nationaliteit en herkomst. Daar is het aanmeldgehoor voor bedoeld. De hier genoemde verklaringen zijn door eiser niet gecorrigeerd in de correcties een aanvullingen. In dit verband is enkel aangevuld dat hij het verschil tussen nationaliteit en afkomst niet begrijpt en is namens eiser op zitting zelf gewezen naar verklaringen in de aanmeldfase. De rechtbank volgt deze stelling niet, nu niet is uitgesloten dat iemand een nationaliteit verkrijgt van het land waar diegene is geboren (ius soli). Aan eiser is bovendien in het aanmeldgehoor voorgehouden dat een nationaliteit van bepaalde landen ook via de ouders verkregen kan worden (ius sanguinis). Eiser stelt wat dat betreft ook dat hij van zijn moeder heeft vernomen dat hij de Eritrese nationaliteit van zijn Eritrese vader heeft verkregen. Anderzijds heeft eiser echter gesteld dat zijn afstamming van een Ethiopische moeder niet betekent dat hij daadwerkelijk de Ethiopische nationaliteit bezit of kan effectueren. Dit betoog is innerlijk tegenstrijdig. De minister heeft dan ook kunnen tegenwerpen dat het niet in de rede ligt dat eiser en zijn moeder geen nader onderzoek hebben gedaan naar het verkrijgen van een Ethiopische nationaliteit, indien eiser illegaal in Soedan verbleef. Dit geldt temeer nu eiser eerder met zijn moeder en zus in Ethiopië hebben verbleven en zijn moeder en zus in 2022 opnieuw naar Ethiopië zijn vertrokken.
De minister heeft verder kunnen stellen dat eiser afwijkend heeft verklaard over zijn leeftijd in Italië en Nederland. Eiser heeft in Nederland verklaard dat hij geboren is op [datum] , maar heeft anderzijds verklaard dat hij in Italië (in januari 2023) zich expres heeft voorgedaan als meerderjarig door enkel een geboortejaar te noemen, terwijl hij op dat moment minderjarig was. De rechtbank is, anders dan in haar eerdere uitspraak ten aanzien van het vernietigde besluit, van oordeel dat de minister de tegenwerping in het nu bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd. In de eerdere asielbeschikking wierp de minister namelijk tegen dat eiser in Italië met opzet een hele (meerderjarige) geboortedatum had opgegeven, terwijl dit niet uit zijn verklaringen volgt. De minister heeft zich nu bovendien deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn stamafkomst (Al Habab, substam Ben Amer) en zijn talenkennis van het Tigrinya en Arabisch niet zonder meer de Eritrese nationaliteit en herkomst aannemelijk maken, omdat de stam ook voorkomt in Soedan en deze talen ook in Ethiopië en Soedan worden gesproken. De stelling dat de talenkennis de stamafkomst aannemelijk maakt, laat deze motivering onverlet.
De minister heeft tot slot aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij in grote lijnen als niet geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat eiser zich in Italië bewust heeft voorgedaan als meerderjarig, terwijl hij in Nederland heeft gesteld op dat moment minderjarig te zijn. De minister heeft kunnen stellen dat hieruit blijkt dat eiser bereid is om gegevens achter te houden bij de autoriteiten. Ook heeft de minister kunnen tegenwerpen dat het niet aanvragen van asiel in Italië of Frankrijk afdoet aan de gestelde noodzaak tot internationale bescherming. De stelling van eiser dat hij in Italië alleen een geboortejaar heeft opgegeven, laat onverlet dat hij verklaard heeft dit expres te hebben gedaan om zijn minderjarigheid te verhullen. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de genoemde omstandigheden het asielrelaas van eiser in hoofdlijnen ongeloofwaardig maakt. De stelling miskent dat de voorwaarde e ziet op de geloofwaardigheid (in grote lijnen) van de verzoeker, en niet het asielrelaas. Evenmin betwist het de gegeven motivering.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, alle omstandigheden in samenhang bezien, deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt vanwege vage en wisselende verklaringen. De rechtbank volgt eiser, gelet op het voorgaande, niet in de stellingen dat hij consequent en aannemelijk heeft verklaard. Noch in de stelling dat de motivering onduidelijk is, omdat minderjarigheid van eiser ten tijde van de aanvraag wordt verondersteld, maar de identiteit ongeloofwaardig is geacht. Voor zover eiser meent dat uit het besluit volgt dat eiser heeft gelogen, overweegt de rechtbank dat in de aanhef enkel expliciet de in Nederland gestelde personalia en de registratie in Italië zijn opgenomen. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in de verwijzing naar beslissingen over andere vreemdelingen, omdat eiser niet heeft onderbouwd dat sprake is van gelijke gevallen. Voor eiser geldt niet enkel dat documenten ontbreken en de registratie in Italië afwijkt, maar ook dat hij wisselend heeft verklaard over zijn verblijf in Soedan en nationaliteit. De overige argumenten van eiser laten het voorgaande onverlet.
Refoulementbeoordeling
10. De rechtbank beoordeelt tot slot op grond van Europese rechtspraak ambtshalve het refoulementrisico.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte geen actuele refoulementbeoordeling heeft gemaakt. Hij is daartoe gehouden op grond van het arrest Ararat. Uit het arrest Hardeker volgt dat de minister meerdere landen voor terugkeer mag benoemen in een terugkeerbesluit, zolang verwijdering van de vreemdeling in het licht van de non-refoulementbeginsel mogelijk is naar ten minste één van de in dat besluit genoemde landen. Dat betekent dat de minister deze beoordeling had moeten maken bij het nemen van het terugkeerbesluit, met betrekking tot Soedan, Eritrea of Ethiopië. Het Hof van Justitie heeft in Hardeker, maar ook eerder in het arrest Tadmur, geoordeeld dat het juridisch onmogelijk is om een terugkeerbesluit te nemen zonder een land van bestemming aan te wijzen waarnaar terugkeer kan plaatsvinden onder eerbiediging van het non-refoulementbeginsel. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat dit oordeel enkel op een bewaringscontext ziet, dan wel dat een refoulementbeoordeling eerst noodzakelijk is op het moment van daadwerkelijke verwijdering van eiser. In de genoemde arresten ziet de overweging van het Hof op het nemen van een terugkeerbesluit en de terugkeer van een vreemdeling, en niet eerst op de daadwerkelijke verwijdering van een vreemdeling.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het terugkeerbesluit eiser heeft medegedeeld dat hij moet terugkeren naar Soedan, Eritrea of Ethiopië. De minister was daarom, gelet op het voorgaande, gehouden om een refoulementbeoordeling te maken met betrekking tot tenminste één van deze landen. Dat de identiteit en/of nationaliteit van eiser niet vaststaat, doet daar niet aan af. De enkele stelling in het voornemen dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade in Eritrea, omdat de Eritrese nationaliteit niet geloofwaardig is geacht, is onvoldoende in dit verband. Hieruit volgt enkel impliciet dat de minister meent dat eiser niet kan terugkeren naar Eritrea, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt de nationaliteit van dat land te hebben. Niet valt in te zien waarom de minister in dat geval geen beoordeling heeft gemaakt van de mogelijkheid van terugkeer naar Ethiopië, of Soedan. De rechtbank volgt de minister niet in de verwijzingen in het besluit naar de Afdelingsuitspraak van 8 mei 2026 en het IB 2024/35, noch in de verwijzing in het derde verweerschrift naar de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 8 mei 2026. Daartoe heeft eiser op zitting terecht gesteld dat deze dateren van voor de arresten Ararat en Hardeker. Nu de minister heeft nagelaten een refoulementbeoordeling te maken ten aanzien van een van de door hem in het terugkeerbesluit genoemde landen is er sprake van een gebrek. De minister heeft namelijk niet onderzocht en onvoldoende gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar Soedan, Eritrea of Ethiopië.
De rechtbank overweegt verder dat zij zelf in deze zaak ook geen actuele refoulementbeoordeling kan maken nu de minister drie mogelijke landen heeft opgenomen in het terugkeerbesluit. Daarbij is van belang dat uit het dossier onvoldoende duidelijk wordt of eiser kan terugkeren naar Soedan, Eritrea of Ethiopië. De minister heeft dit onvoldoende onderzocht. Ten aanzien van de vraag of eiser terug zou kunnen keren naar Eritrea zou de refoulementbeoordeling betekenen dat alsnog een inhoudelijke beoordeling dient plaats te vinden van eisers vrees voor de dienstplicht. Ten aanzien van Soedan en Ethiopië zou eiser moeten worden gehoord en moet worden onderzocht of eiser daarnaar (veilig) kan terugkeren. De rechtbank meent dat het aan de minister is om eiser te horen en om te onderzoeken naar welke van deze landen vertrek mogelijk zou zijn onder eerbiediging van het non-refoulementbeginsel.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf te voorzien, omdat nader onderzoek nodig is. De minister moet onderzoeken of terugkeer naar Soedan, Eritrea of Ethiopië mogelijk is, onder eerbiediging van het non-refoulementsbeginsel. Dat betekent ook dat de asielaanvraag van eiser, het verzoek om internationale bescherming, zonder nader onderzoek en motivering niet kon worden afgewezen.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.