RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4919
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Verweerder heeft eiser op 29 november 2023 kenbaar gemaakt dat hij op
[datum] 2023 om [tijd] per vliegtuig (vluchtnummer [nummer] ) zal worden uitgezet
naar Tbilisi, Georgië.
Bij besluit van 15 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de (voorgenomen) feitelijke verwijdering kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Inleiding
Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Georgische nationaliteit. Bij besluit van 9 augustus 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Bij uitspraak van 2 oktober 2023 heeft de rechtbank het door eiser tegen dit besluit ingediende beroep ongegrond verklaard.
Verweerder heeft op 29 november 2023 te kennen gegeven dat eiser op [datum] 2023 zal worden uitgezet. Op 30 november 2023 heeft eiser tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting – zijnde een handeling van verweerder die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met een besluit gelijk is gesteld – bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen teneinde de uitzetting te voorkomen. Bij uitspraak van 4 december 2023, NL23.37669, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, eisers verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiser is vervolgens op [datum] 2023 uitgezet naar Georgië.
Bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de feitelijke uitzetting kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft gesteld dat de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een feitelijke uitzetting beperkt is tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt en dat het maken van bezwaar daarnaast bij uitzondering mogelijk is als de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het uitzettingsbesluit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Van dit laatste is volgens verweerder in dit geval geen sprake. Verweerder heeft, ten overvloede, gesteld dat de voorzieningenrechter bij uitspraak van 4 december 2023 uitvoerig is ingegaan op de gronden die eiser in bezwaar heeft aangevoerd en kortheidshalve naar deze uitspraak verwezen.
Standpunten eiser
3. Eiser betoogt dat zijn situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke overdracht mag worden uitgegaan. Volgens eiser heeft verweerder bij de feitelijke uitzetting onvoldoende rekening gehouden met een mogelijke schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verweerder heeft, in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nagelaten de vertrekgesprekken van 5 oktober en 23 november 2023 bij de beslissing tot feitelijke uitzetting te betrekken. Deze onderbouwen namelijk de medische situatie van eiser, die kampt met verslavingsproblematiek. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geen advies ingewonnen bij een arts van het Bureau Medische Advisering (BMA) voor hij tot feitelijke uitzetting overging.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Ter zitting heeft zijn gemachtigde bevestigd nog contact met eiser te hebben. Eiser heeft aangegeven door zijn uitzetting naar Georgië schade te hebben geleden, aangezien hij daar onvoldoende opvang kreeg en enige tijd op straat heeft moeten leven. Eiser wil een schadevergoeding vorderen van de Nederlandse Staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarom procesbelang bij zijn beroep.
De rechtbank overweegt dat, los van de vraag of het op de weg van eiser of van verweerder had gelegen de in het bewaringsdossier opgenomen verslagen van vertrekgesprekken over te leggen in de procedure over de feitelijke uitzetting, vaststaat dat deze verslagen geen medische stukken zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn medische situatie niet met medische stukken onderbouwd, zodat verweerder niet gehouden was advies in te winnen bij een arts van het BMA inzake een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. Door eiser is niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie zodanig anders was dan ten tijde van het uitzettingsbesluit dat niet langer van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.