ECLI:NL:RBDHA:2026:27694

ECLI:NL:RBDHA:2026:27694

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer NL24.6812
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

VK; beëindiging van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan o.g.v. art. 8.12 van het Vb; ogg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.6812

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is geëindigd. Verder heeft verweerder bepaald dat eiseres Nederland binnen één maand moet verlaten.

Bij besluit van 26 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 22 februari 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 21 maart 2024 heeft zij de gronden van beroep ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen. De gemachtigde van eiseres is, met kennisgeving vooraf, evenmin verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1968 en heeft de Bulgaarse nationaliteit. Zij stelt sinds 2009 in Nederland te verblijven.

Eiseres heeft van 26 juni 2009 tot 15 november 2012 ingeschreven gestaan in de Basisregistratie personen (BRP). In de periode van 15 november 2012 tot en met 17 april 2019 heeft eiseres niet ingeschreven gestaan in de BRP. Vanaf 18 april 2019 staat eiser wel weer ingeschreven in de BRP. Verder is gebleken dat eiseres vanaf 21 mei 2018 in Nederland (enige) arbeid heeft verricht en dat zij van juli 2020 tot en met juni 2021 een afhankelijk verblijfsrecht heeft gehad van haar (inmiddels overleden) partner.

Op 6 oktober 2021 heeft verweerder van de gemeente Rotterdam een melding ontvangen dat eiseres vanaf 15 september 2021 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Naar aanleiding hiervan is verweerder een onderzoek gestart naar het rechtmatig verblijf van eiseres. Na eiseres in de gelegenheid te hebben gesteld een zienswijze in te brengen, heeft verweerder bij het primaire besluit van 13 september 2023 vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan is geëindigd.

Bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit houdt – samengevat weergegeven – het volgende in.

Verweerder heeft het bestaan van verblijfrecht beoordeeld met ingang van 28 maart 2016. Volgens verweerder heeft eiseres sindsdien, met uitzondering van de periode van juli 2020 tot en met juni 2021 (zie overweging 1.2), geen rechtmatig verblijf gehad als gemeenschapsonderdaan. Eiseres heeft in die periode, met uitzondering van voormelde tussengelegen periode, namelijk niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Dit betekent dat het verblijfsrecht van eiseres met ingang van 1 juli 2021 is geëindigd.

De in het kader van de verwijderingsmaatregel gemaakte belangenafweging tussen het belang van eiseres om in Nederland te mogen blijven en het belang van de Nederlandse staat om eiseres te mogen verwijderen, heeft verweerder in het nadeel van eiseres laten uitvallen, omdat eiseres volgens verweerder een onredelijke belasting vormt voor de Nederlandse algemene middelen.

Verwijdering van eiseres is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hiertoe heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat tussen eiseres en haar meerderjarige dochters en dat het belang van eiseres om haar privéleven in Nederland te mogen uitoefenen minder zwaar weegt dan het belang van de Nederlandse staat om eiseres te mogen verwijderen.

Het oordeel van de rechtbank

3. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de daartegen namens eiseres aangevoerde (summiere) beroepsgronden.

Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of zij kan worden aangemerkt als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan.

De rechtbank overweegt dat verweerder heeft vastgesteld dat eiseres vanaf 15 september 2021 tot en met de datum van het bestreden besluit (26 januari 2024) onafgebroken een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Dit is door en namens eiseres niet betwist. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat eiseres in die periode niet de beschikking heeft gehad over voldoende middelen van bestaan en dus niet kan worden aangemerkt als een economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb. Wat verweerder verder nog had moeten onderzoeken is door en namens eiseres niet nader toegelicht. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.

Eiseres stelt verder dat verweerder een summiere belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verricht en daarbij niet alles heeft meegewogen.

De rechtbank overweegt dat verweerder een zeer uitvoerig besluit heeft genomen, waarin hij ook een uitgebreide beoordeling en belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verricht. Verweerder heeft daarbij alle relevante en bekende feiten en omstandigheden betrokken en gewogen. Eiseres heeft in beroep niet concreet toegelicht op welke onderdelen deze beoordeling en belangenafweging tekort zouden schieten. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder de beoordeling en/of belangenafweging onjuist heeft verricht. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Nu geen van de (summiere) beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiseres geen gelijk krijgt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand