Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/173941-24
Datum uitspraak: 22 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de basisregistratie personen:
[adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 maart 2026 (pro forma) en 8 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.Z.D. Nasrullah naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 24 mei 2024 te ’s-Gravenhage zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]
- te duwen, slaan, stompen, bijten en/of te schoppen tegen haar hoofd en/of in haar buik (terwijl zij zwanger was), althans tegen het lichaam,
- tegen kast(deuren) en/of muur te slaan en/of gooien,
- haar keel vast te pakken en/of (dicht) te knijpen,
- een mes op haar keel te zetten, en/of
- aan haar haren te trekken;
2
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 24 mei 2024 te ’s-Gravenhage een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2014), heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]
- te stompen, slaan en/of duwen in haar gezicht, tegen haar hoofd en/of in haar buik, althans tegen het lichaam, en/of
- bij haar keel vast te pakken en/of (dicht) te knijpen en/of aan haar keel op te tillen tegen de muur;
3
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 24 mei 2024 te ’s-Gravenhage meermalen, althans eenmaal (telkens) zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , en/of een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2014), heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] met opzet
- ( veelvuldig) uitgescholden, gekleineerd, vernederd en/of denigrerend toegesproken met “kankerhoer”, “kankerjunk”, “kankerkind”, “kankerslet” en/of “kankermongool”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- geïsoleerd, door te dwingen het contact te verbreken met familie en/of vrienden, haar telefoon(s) (dagelijks) te controleren, haar social media te (laten) verwijderen en/of haar en haar kinderen te verbieden naar buiten te gaan,
- haar kinderen en/of haar familie bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
- door zijn gedrag en/of handelen een (vroegtijdige) einde aan haar zwangerschap(pen) teweeggebracht,
- ( meermaals) bespuugd,
- haar en/of de moeder van die [slachtoffer 1] bedreigd met een mes,
- haar tegen (kast)deuren geslagen en/of gegooid,
- gedreigd een kind en/of kinderen van de trap te gooien,
- geduwd, geslagen, gestompt, gebeten en/of geschopt tegen haar hoofd en/of in haar buik, althans tegen het lichaam en/of een mes op haar keel gezet, aan haar haren getrokken, haar keel vastgepakt en/of (dicht)geknepen, en/of
- getuige gemaakt van huiselijk geweld jegens gezinsleden, waardoor de (lichamelijke en/of geestelijke) gezondheid van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] is benadeeld.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2
De raadsman heeft namens de verdachte aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 steunbewijs ontbreekt. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat het niet de verdachte is geweest die [slachtoffer 2] – de dochter van aangeefster – pijn zou hebben gedaan, maar dat [slachtoffer 2] gedragsproblemen zou hebben en zichzelf zou krabben en pijn doen vanaf het moment dat de vader van de aangeefster [slachtoffer 2] op driejarige leeftijd zou hebben verteld dat de verdachte niet haar echte vader is, maar slechts “een vervanger”.
De rechtbank stelt vast dat de uitgebreide aangifte en het aanvullend verhoor van de aangeefster steun vinden in de verklaringen van de moeder, vader en halfzus van de aangeefster, die ook uit eigen waarneming verklaren.
De halfzus verklaart dat zij zelf heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer 2] een keer uit het niets met haar hoofd op haar bord duwde en dat zij [slachtoffer 2] om hulp heeft horen roepen toen zij hoorde dat [slachtoffer 2] boven in de woning klappen van de verdachte kreeg. Ook verklaart zij dat zij zowel bij de aangeefster als bij [slachtoffer 2] letsel heeft waargenomen van de mishandelingen door de verdachte.
[slachtoffer 2] heeft in het studioverhoor verklaard dat de verdachte haar heel vaak bij de keel heeft vastgegrepen en heeft geslagen, dat hij haar bij haar keel pakte, optilde en in haar keel kneep. Ook heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij gezien heeft dat de verdachte haar moeder heeft geslagen in haar buik. De verklaring van [slachtoffer 2] dat de verdachte op enig moment zo hard tegen haar kaak heeft geslagen dat zij kroontjes moest laten zetten, wordt bovendien ondersteund door de tandartsgegevens van 7 december 2023. De verklaringen zijn gedetailleerd en komen op belangrijke punten met elkaar overeen.
Verder is op de letselfoto’s de aangeefster te zien met verschillende bloeduitstortingen op haar lichaam en in haar gezicht. Dit letsel past naar het oordeel van de rechtbank bij de door de aangeefster omschreven geweldshandelingen.
De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gegaan.
Vrijspraak ten aanzien van feit 3
Onder feit 3 is aan de verdachte de mishandeling van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] ten laste gelegd, door de officier van justitie in haar requisitoir samengevat als “psychische mishandeling, oftewel intieme terreur”. Het ten laste gelegde feit bestaat uit meerdere (typen) gedragingen die ten laste zijn gelegd onder tien gedachtestreepjes.
Ten aanzien van het 4e gedachtestreepje (het teweegbrengen van een (vroegtijdig) einde aan de zwangerschap(pen) van aangeefster) overweegt de rechtbank dat een solutio placentae, oftewel het loslaten van de placenta, een medische complicatie betreft. De rechtbank ziet geen bewijs in het dossier dat er een causaal verband zou zijn tussen het loslaten van de placenta, en daarmee het voortijdige einde van de zwangerschappen van de aangeefster, en de geweldshandelingen van de verdachte. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging daarom niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het 5e gedachtestreepje (het bespugen van aangeefster en [slachtoffer 2] ) overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring van mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat de gedraging inwerkt op het lichaam van het slachtoffer. Daarbij moet worden gedacht aan het toebrengen van pijn of lichamelijk letsel dan wel het veroorzaken van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording (ECLI:NL:HR:2025:774). In lijn met deze jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat het bespugen van een persoon in beginsel het karakter draagt van een belediging, en niet van een mishandeling. De rechtbank overweegt dat bespuugd worden onder omstandigheden een zeer onaangename fysieke ervaring kan zijn en dus als mishandeling kan kwalificeren. Dat dit in het concrete geval voor degene die bespuugd is ook daadwerkelijk het geval is geweest, moet dan uit de bewijsmiddelen volgen. In dit geval heeft de aangeefster verklaard dat [slachtoffer 2] door de verdachte zou zijn bespuugd. [slachtoffer 2] heeft zelf niet verklaard over hoe zij dit heeft ervaren. Van enig fysiek gevolg, in termen van de Hoge Raad “min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam”, blijkt uit de bewijsmiddelen niet. Daarmee wordt niet voldaan aan de vereisten voor een bewezenverklaring op grond van artikel 300 Sr. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging zodoende niet bewezen en spreekt de verdachte ook daarvan vrij.
De gedragingen genoemd onder het 1e, 2e, 3, 6e, 8e en 10e gedachtestreepje kunnen niet worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Deze gedragingen hebben immers geen directe inwerking op het lichaam en de gevolgen van deze gedragingen zijn alleen psychisch van aard. Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1005, r.o. 3.5.2 en 3.5.3) volgt dat de lichamelijke integriteit als de strekking van de strafbaarstelling van mishandeling dient te worden gezien en dat voor de andere vormen van mishandeling steeds een lichamelijke in- of uitwerking op het lichaam is vereist. Enkel psychisch leed of schade aan de geestelijke gezondheid is onvoldoende om te kunnen spreken van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Ook dit onderdeel van de tenlastelegging kan derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte ook daarvan vrij.
De rechtbank stelt vast dat de geweldshandelingen die ten laste zijn gelegd onder feit 3, gedachtestreepjes 7 en 9, zelfstandig ten laste zijn gelegd als mishandeling onder 1 en 2. De rechtbank zal deze feiten aldaar bewezen verklaren. Het uitgangspunt van ne bis in idem staat in de weg aan het ten tweeden malen bewezen verklaren van deze handelingen.
De rechtbank zal de verdachte integraal vrijspreken van feit 3.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 24 mei 2024 te ’s-Gravenhage zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]- te duwen, slaan, stompen, bijten en te schoppen tegen haar hoofd en in haar buik (terwijl zij zwanger was), althans tegen het lichaam,- tegen kast(deuren) en/of muur te slaan en/of gooien,- haar keel vast te pakken en (dicht) te knijpen,- een mes op haar keel te zetten, en - aan haar haren te trekken;
2hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 24 mei 2024 te ’s-Gravenhage een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2014), heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]- te stompen, slaan en duwen in haar gezicht, tegen haar hoofd en in haar buik, althans tegen het lichaam, en - bij haar keel vast te pakken en (dicht) te knijpen en aan haar keel op te tillen tegen de muur.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod.
Hiernaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte, als vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr, een contactverbod voor de duur van drie jaar wordt opgelegd. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd zowel de bijzondere voorwaarden als de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging en heeft laten weten dat de verdachte geen bezwaar heeft tegen de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft gedurende meerdere jaren zijn ex-partner en haar dochter – met wie hij een gezin vormde – mishandeld. De verdachte heeft door zijn handelen hun lichamelijke integriteit in ernstige mate geschonden. De gedragingen hebben plaatsgevonden in de huiselijke sfeer. Uit het dossier blijkt dat de verdachte zijn ex-partner ook mishandeld heeft tijdens haar zwangerschappen. [slachtoffer 2] was op het moment dat de mishandelingen begonnen, nog een kleuter. Zij was op dat moment dus volledig afhankelijk van de zorg door haar moeder en de verdachte en had niet de mogelijkheid om zich aan de mishandelingen te onttrekken. De rechtbank rekent dit alles de verdachte dan ook zwaar aan.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 januari 2026. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 17 februari 2026, waaruit volgt dat er zorgen zijn over zijn psychosociaal functioneren en sprake is van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij een veroordeling aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, verplichte ambulante behandeling en een contactverbod met de aangeefster en [slachtoffer 2] .
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de officier van justitie, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en verplichte ambulante behandeling.
De vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr
De rechtbank ziet, ter bescherming van de slachtoffers, aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de vorm van een contactverbod. Deze maatregel houdt in dat de verdachte voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1992 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis betreft één week per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid Sr , dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland op het adres [adres 2] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag of soortgelijke instelling op, door of namens de behandelaar(s) aan te geven, tijdstippen en plaats, zolang de behandelaar(s) of de reclassering dit noodzakelijk acht(en). De veroordeelde zal daartoe tevens meewerken aan een eventuele intakeprocedure. De behandeling start bij aanvang van het toezicht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1992 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van zes maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van A.E. van Gent en mr. J.E. Stevers, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 september 2026.