RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54053
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 11 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting in Breda behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toets
Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Ambv. In de Ambv staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
2. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Ambv indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Ambv en er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
5. Eiser voert aan dat hij op een verkeerde grondslag in vreemdelingenbewaring is gesteld. Op grond van artikel 38, vierde lid, van de Ambv is Nederland de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast. Bovendien valt eiser niet langer onder de werkingssfeer van de verordening omdat hij heeft aangegeven niet in Nederland en niet in Slovenië te willen zijn, waarmee hij zijn asielaanvragen impliciet heeft ingetrokken.
6. Voor zover eiser betoogt dat de Ambv niet van toepassing is nu uit de letterlijke tekst van artikel 38 van die verordening volgt dat Nederland de lidstaat is die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, betreft dit een onjuiste lezing. Eiser houdt zich zonder verblijfstitel op in Nederland. Voldoende is dat er concrete aanknopingspunten zijn dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Ambv. Hiervan is sprake nu deze concrete aanknopingspunten af te leiden zijn uit de verklaringen van eiser, de gegevens uit Eurodac en de vingerafdrukken die door hem zijn afgestaan in Slovenië. Met het versturen van de kennisgeving tot terugname aan de autoriteiten van Slovenië heeft verweerder juist gehandeld. Het indienen van een asielverzoek is geen vereiste.
7. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Eiser betwist de gronden c, p, r en s. Eiser heeft voldoende meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit door mee te werken bij de fouillering en het afstaan van vingerafdrukken. Verder beschikt eiser niet over een paspoort maar wel over een document waaruit volgt dat hij het Franse grondgebied dient te verlaten. Ten aanzien van de gronden r en s en voert hij aan dat deze gronden ten onrechte in het Vreemdelingenbesluit zijn opgenomen.
9. Voor wat betreft het aangenomen risico op onderduiken stelt verweerder in de maatregel terecht dat eiser Nederland zonder de benodigde documenten is ingereisd en dat eiser als asielzoeker niet gerechtigd was om zich vrij in Europa te bewegen. Hieruit volgt dat de a-grond feitelijk juist is, hetgeen ook niet is betwist. Verder vermeldt de maatregel dat eiser in Slovenië staat geregistreerd met verschillende personalia. Met de opmerking dat eiser heeft meegewerkt aan het dactyloscopisch onderzoek heeft eiser geen twijfel kunnen zaaien over de feitelijke juistheid van deze grond. Zo heeft eiser tevens geweigerd om met de consulaire vertegenwoordiging te praten en beschikt eiser niet over identificerende documenten. Daarmee is de c-grond ook feitelijk juist. Deze gronden zijn reeds voldoende om de maatregel te dragen en dat kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
10. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
Conclusie
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.