RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53460
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 10 september 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het Justitieel Complex Schiphol. Zijn gemachtigde en een tolk zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft omdat hij een asielvergunning heeft aangevraagd op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring stellen als dat noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van betrokkene (de a-grond). Bewaring is ook mogelijk ter vaststelling van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag en als die gegevens niet verkregen kunnen worden zonder de bewaring, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico (de b-grond). Er moeten zich minstens twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) voordoen.
De minister stelt een vreemdeling alleen in bewaring als geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot bewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft eiser in bewaring gesteld op grond van de a- en b-grond. Bovendien is gebleken dat er sprake is van een onderduikrisico. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. Eiser stelt dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gebruik is gemaakt van een telefonische tolk. Volgens eiser blijkt uit de wet dat gebruik gemaakt moet worden van een fysieke tolk en pas als dat niet mogelijk is van een telefonische tolk. Bovendien was het volgens eiser al bekend dat het gehoor zou plaatsvinden en daarom had een fysieke tolk gereserveerd moeten worden. Daarnaast blijkt volgens eiser niet uit het proces-verbaal van het gehoor dat de telefonische tolk beëdigd was. Bovendien staat alleen het tolkennummer van deze tolk vermeld in het proces-verbaal en niet de naam. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op deze manier niet kan controleren welke tolk het telefonische gesprek heeft gevoerd en dat daarom dat het voortraject onzorgvuldig is geweest.
6. De rechtbank stelt voorop dat uit het proces-verbaal van gehoor van
10 september 2026 volgt dat gebruik is gemaakt van een beëdigde telefonische tolk met tolkennummer 469. Het nummer is herleidbaar naar een Vietnamees beëdigde tolk via de website https://zoekeentolkvertaler.bureauwbtv.nl/. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat deze persoon het gesprek heeft gevoerd. Bovendien heeft eiser deze stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft daarnaast geen aanleiding om aan de inhoud van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. Bovendien heeft eiser volgens het proces-verbaal tijdens dit gehoor aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Grondslag
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister de maatregel op de juiste grondslag heeft gebaseerd. Eiser valt onder de a-grond genoemde categorie vreemdelingen, nu de identiteit van eiser bij gebrek aan identificerende documenten, met onvoldoende zekerheid bekend is. Uit de maatregel volgt dat eiser niet in het bezit is van identificerende documenten, dan wel geen actie heeft ondernomen om zijn documenten te overhandigen aan de Nederlandse autoriteiten. Daarnaast is rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond is opgelegd. Als goed gemotiveerd is dat een onderduikrisico bestaat, vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens immers niet verkregen kunnen worden. De rechtbank oordeelt hierna dat sprake is van een onderduikrisico.
Gronden
8. Eiser heeft op de zitting alle gronden betwist.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden onjuist of onvoldoende te achten. De rechtbank is van oordeel dat grond a, anders dan eiser stelt, terecht aan hem is opgelegd. Deze grond is feitelijk juist omdat eiser niet beschikt over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en hij heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Daarnaast blijkt uit eisers verklaringen voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij zijn paspoort in Duitsland bij een vriend zou hebben achtergelaten. Dit betekent dat eiser zich ook zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie heeft begeven. Dat eiser op de zitting stelt dat hij is overgedragen door de Duitse autoriteiten, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Ook grond b is feitelijk juist. Eiser heeft op 20 december 2025 een terugkeerbesluit ontvangen en moest binnen 28 dagen Nederland verlaten. Eiser heeft hier geen gevolg aan gegeven. Dat eiser stelt dat hij niet bekend was met het feit dat hij Nederland moest verlaten, treft geen doel. Uit het terugkeerbesluit/inreisverbod blijkt dat deze onmiddellijk aan eiser is uitgereikt. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van gehoor van 20 december 2025 bij dit terugkeerbesluit/inreisverbod dat er gebruik is gemaakt van een tolk en dat eiser verklaarde dat hij de tolk goed kon verstaan. Ook grond c is terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft verklaard voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij zijn paspoort in Duitsland heeft achtergelaten. Daarnaast verklaarde hij dat hij zelf ook niets heeft ondernomen om alsnog aan een identiteitsdocument te komen. Dat eiser stelt dat hij nog in de asielprocedure zit en meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Ook grond e is terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft verklaard dat hij zijn paspoort bij een vriend in Duitsland heeft achtergelaten. Dat eiser stelt dat zijn paspoort veilig ligt bij deze vriend, maakt dit oordeel niet anders. Ook grond p is feitelijk juist. Zoals eerder vermeld is eiser niet in het bezit van identiteitsdocumenten en heeft hij geen actie ondernomen om hiervan (weer) in het bezit te komen. Ook is grond r terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser staat niet ingeschreven in het BRP en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Dat eiser stelt dat hij in de asielprocedure zit en de uitkomst in vrijheid wil afwachten, maakt dit oordeel niet anders. Daarnaast is grond s feitelijk juist. Eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan. Ook is het onderduikrisico bij de gronden p, r en s voldoende gemotiveerd.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister om een onderduikrisico aan te nemen.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister terecht ervan uitgegaan dat eiser niet zelf zal vertrekken. Zoals hierboven genoemd is de rechtbank van oordeel, dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico vaststaat. Dat eiser stelt dat hij in zijn asielprocedure zit en dat hij deze, desnoods met een meldplicht, in vrijheid wil afwachten maakt dit oordeel niet anders.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De minister heeft er terecht op gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken.
Voortvarend handelen
10. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt ten aanzien van de afhandeling van de asielaanvraag van eiser. Op 16 september 2026 heeft het asielgehoor met eiser plaatsgevonden en de minister heeft ter zitting toegelicht dat de asielbeslissing gepland staat op 23 september 2026. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
11. Tot slot stelt de rechtbank vast dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.