proces verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
15 september 2026 in de zaak tussen
[naam], eiser,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Inleiding
1. Bij besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De minister heeft de rechtbank 3 juni 2026 bericht dat eiser op 12 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTV), de Vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep.
De gemachtigde van eiser heeft op 10 augustus 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser. De huidige verblijfplaats van eiser is hem niet bekend.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt het volgende. Wanneer een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan er in principe van worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
In dit geval heeft eiser de opvang verlaten, heeft hij de minister en de gemachtigde niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfsplaats en heeft hij ook geen contact meer met zijn gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Daarom is er geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026 door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.