ECLI:NL:RBDHA:2026:27749

ECLI:NL:RBDHA:2026:27749

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer NL26.55932
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

LP; vovo afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.55932

(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),

en

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet-ontvankelijk verklaard.

Op 21 september 2026 is verzoeker middels een kennisgeving geïnformeerd over de uitzetting naar Krakow, Polen, met als vertrekdatum woensdag 23 september 2026 om 11:40 uur met vluchtnummer KL 1325.

Verzoeker heeft op 22 september 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL26.55931). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft verweerder op 22 september 2026 in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft op 22 september 2026 een schriftelijke reactie ingediend.

De voorzieningenrechter heeft verzoeker op 22 september 2026 in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Verzoeker heeft dat op 22 september 2026 gedaan en verweerder heeft daar nog op gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Beslissing

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken aangezien verzoeker op zeer korte termijn zal worden uitgezet naar Polen.

3. Verzoeker is geboren op [datum] en heeft de Poolse nationaliteit. Verweerder heeft bij besluit van 9 september 2025 het EU-verblijfsrecht van verzoeker ingetrokken en hem ongewenst verklaard omdat verzoeker een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Hier liggen veroordelingen wegens woninginbraken en het produceren van grote hoeveelheden synthetische harddrugs aan ten grondslag. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 9 juli 2026 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.

4. Verzoeker heeft op 16 september 2026 een asielaanvraag ingediend.

5. Verweerder heeft de asielaanvraag van verzoeker bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker een burger van Polen is. Op grond van het protocol nr. 24 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) beschouwen de Europese lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong in verband met asielzaken. Volgens verweerder doet zich in het geval van verzoeker geen uitzondering voor als bedoeld in protocol nr. 24 van het VWEU. Verzoeker heeft weliswaar naar voren gebracht dat hij woonachtig is in Polen nabij de grens met Oekraïne en dat hij door de oorlog met Rusland risico loopt om slachtoffer van willekeurig geweld, maar dat volgt verweerder niet. Er is in Polen geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatieverordening. Bovendien staat het verzoeker vrij om zich elders in Polen te vestigen.

6. Verzoeker betoogt dat zijn woonplaats in Polen op zeer korte afstand ligt van de Oekraïense grens. De situatie aldaar is zeer onveilig door de oorlog tussen Oekraïne en Rusland. Eiser vreest slachtoffer te worden van willekeurige droneaanvallen. Verzoeker verwijst naar meerdere nieuwsartikelen over de veiligheidssituatie in Polen en Europa. Daarnaast heeft verweerder volgens verzoeker weliswaar gesteld dat hij zich elders in Polen kan vestigen, maar heeft verweerder nagelaten te concretiseren waar dat dan zou zijn. Verzoeker betoogt voorts dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden als neergelegd in artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv). Verweerder heeft verder de aanvraag in Spoor 2 als bedoeld in WI 2026/2 behandeld, maar ten onrechte nagelaten hem te horen over zijn asielmotieven.

7. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de nieuwsberichten waar verzoeker ter onderbouwing van zijn asielaanvraag naar verwijst zien op incidenten die zich weliswaar in de nabijheid van de Poolse grens hebben voorgedaan, maar in Oekraïne hebben plaatsgevonden, en dat die incidenten blijkens de nieuwsberichten tot verhoogde paraatheid bij de Poolse autoriteiten hebben geleid. Door verzoeker is geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat er (willekeurige) droneaanvallen hebben plaatsgevonden op het grondgebied van Polen. Op basis van de algemeen bekende en beschikbare landeninformatie is de voorzieningenrechter niet gebleken van recente (willekeurige) droneaanvallen, zoals verzoeker stelt, of andere directe militaire aanvallen op het Poolse grondgebied die een ernstige bedreiging vormen voor burgers die zich daar bevinden, zodat er ook geen grond bestaat om aan te nemen dat er sprake is van een 15c-situatie in Polen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat het verzoeker vrij staat om zich in Polen ver van de Oekraïense grens te vestigen. Niet gebleken is dat dit niet mogelijk is voor verzoeker. De enkele omstandigheid dat hij enkele jaren niet in Polen is geweest, maakt dit niet anders.

9. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat verweerder niet was gehouden om verzoeker in het kader van zijn asielaanvraag te horen. Verzoeker valt als onderdaan van de Europese Unie namelijk niet onder de werkingssfeer van de Procedureverordening en kan daaraan dus ook geen rechten kan ontlenen ten aanzien van de bepalingen over het al dan niet houden van een persoonlijk onderhoud. Uit de in verzoekers situatie toepasselijke paragraaf C1/3.5 in samenhang met C1/3.2 en paragraaf C2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals geldend per 12 juni 2026, volgt dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van het Protocol. Dat in dergelijke zaken geen gehoor plaatsvindt, blijkt uit de Werkinstructie 2026/9 ‘Triage’. Verzoeker heeft een beroep gedaan op WI 2026/2, maar deze verwijzing kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen omdat deze werkinstructie reeds is vervallen.

10. Het beroep van verzoeker op artikel 3.37d van het Vv kan evenmin slagen aangezien deze bepaling per 12 juni 2026 is vervallen. De voorzieningenrechter merkt bovendien op dat verzoeker zijn beroep op deze bepaling niet heeft toegelicht.

11. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.

12. Daarbij merkt de voorzieningenrechter overigens nog op dat verweerder erop heeft gewezen dat verzoeker thans nog in detentie zit in verband met een veroordeling wegens het bezit en vervaardigen van synthetische drugs. Met het oog op de op handen zijnde uitzetting is aan verzoeker daarom ook strafonderbreking verleend. Er bestaat dus een zwaarwegend belang bij verweerder om tot uitzetting over te gaan. Enig zwaarwegend belang aan de zijde van verzoeker om het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag in Nederland te mogen afwachten is niet gesteld of gebleken.

13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt door publicatie daarvan op rechtspraak.nl op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. B. Tijssen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand