uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
V-nummer: [nummer 1]
en zijn echtgenote
[naam 2] , eiseres,
V-nummer: [nummer 2]
en hun meerderjarige zoon
[naam 3] ,
V-nummer: [nummer 3]
mede namens de drie minderjarige kinderen
[naam 4] ,
[naam 5] ,
[naam 6] ,
allen van Iraakse nationaliteit,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de niet-ontvankelijk verklaring van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 12 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers internationale bescherming genieten op Cyprus.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 september 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister zijn verschenen.
De gemachtigde van eisers heeft op zitting verzocht de zaak aan te houden, omdat
hij kort voor de zitting van eisers heeft vernomen dat zij geen dagkaart van het COa hebben
gekregen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Hiertoe is -zakelijk weergegeven-
overwogen dat op 2 april 2026 de uitnodiging is verstuurd en van eisers verwacht mag
worden dat zij eerder kenbaar maken dat zij problemen ondervinden met het regelen van de
reis naar de rechtbank en niet op de zittingsdag, als niets meer geregeld kan worden. De
rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Bestreden besluiten
4. De minister heeft de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming genieten. In de verklaring van eiser dat hij telefonisch is bedreigd, is geen aanleiding gezien de aanvraag in Nederland in behandeling te nemen. De minister stelt zich op het standpunt dat nu eisers internationale bescherming op Cyprus is verleend, zij zich bij eventuele bedreigingen dienen te wenden tot de Cypriotische autoriteiten. Eisers hebben verklaard aangiften te hebben gedaan bij de politie, maar er zijn geen documenten overgelegd van deze aangiften. Verder is overwogen dat uit de door eisers afgelegde verklaringen ook niet blijkt dat de politie niet behulpzaam wil zijn. Zo heeft de politie volgens eisers aangegeven dat ze 112 kunnen bellen als ze bedreigd worden en dat eisers hulp kunnen krijgen als er iets gebeurt. Ook is overwogen dat de politie haar eigen afweging maakt in het prioriteren van meldingen en eisers hebben verklaard geen klacht te hebben ingediend bij de hogere instanties tegen de gestelde weigering om eisers te helpen.
Standpunt eisers
5. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de vraag in onderhavige procedure niet is of eisers op het minimumbestaansniveau kunnen leven op Cyprus, maar of de Cypriotische autoriteiten hen bescherming kunnen bieden tegen bedreigingen van personen die zich voordoen als leden van de Iraakse veiligheidsdienst. Eisers stellen dat de Cypriotische politie geen enkel onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de telefoongesprekken, de identiteit van de bellers of de geloofwaardigheid van de beweerde connectie met de Iraakse veiligheidsdienst. Volgens eisers mag hen niet worden tegengeworpen dat zij geen schriftelijk bewijs hebben en ook niet dat zij geen klacht hebben ingediend bij de hogere autoriteiten. Dat eisers een beroep zouden kunnen doen op het klachtmechanisme zoals blijkt uit het VOCIARE-rapport over Cyprus bestrijden eisers, omdat de minister niet heeft aangetoond dat dit mechanisme effectief is in de situatie van eisers.
Beoordeling rechtbank
6. De minister heeft de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat eisers internationale bescherming hebben op Cyprus. Uit Eurodac blijkt dat aan eisers internationale bescherming is toegekend in 2024. De verleende verblijfsvergunningen zijn geldig tot 7 oktober 2027.
De minister heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat het uitgangspunt is dat alle EU-lidstaten op een effectieve en gelijkwaardige manier bescherming bieden aan de grondrechten in het Handvest van de Europese Unie, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten is in het Unierecht van wezenlijk belang, aangezien het de mogelijkheid biedt om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer in het bijzonder vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, met name, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
De rechtbank is van oordeel dat eisers met hun betoog niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit uitgangspunt ten aanzien van statushouders in Cyprus niet opgaat. Zo
hebben eisers geen (landen)informatie ingebracht waaruit blijkt dat ten aanzien van Cyprus voor statushouders niet (langer) kan worden uitgegaan van het interstatelijk
vertrouwensbeginsel. In dat kader verwijst de rechtbank ook naar een uitspraak van de Afdeling over statushouders op Cyprus.
Daarnaast is in het bestreden besluit uiteengezet dat uit het VOCIARE-rapport blijkt dat het mogelijk is om een klacht in te dienen indien eisers van oordeel zijn dat zij niet goed door de politie zijn geholpen. Eisers hebben verklaard dat zij zich niet op een andere manier tot hogere autoriteiten op Cyprus hebben gewend, zodat niet kan worden geconcludeerd dat die autoriteiten hen niet willen of kunnen helpen. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat uit de -verder niet met stukken onderbouwde- verklaringen van eisers niet kan worden afgeleid dat klagen bij voorbaat zinloos is.
De rechtbank ziet in hetgeen overigens is aangevoerd evenmin aanleiding de bestreden besluiten te vernietigen.
7. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.