[naam 1] , eiser,
V-nummer: [nummer 1]
en zijn echtgenote
[naam 2] , eiseres,
V-nummer: [nummer 2]
en hun drie minderjarige kinderen
[naam 3] , V-nummer: [nummer 3] ,
[naam 4] , V-nummer: [nummer 4] ,
[naam 5] , V-nummer: [nummer 5] ,
allen van Syrische nationaliteit,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de niet-ontvankelijk verklaring van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 4 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers internationale bescherming genieten in Bulgarije.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, eiseres, hun oudste dochter, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvragen niet in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Bestreden besluiten
4. De minister heeft de asielaanvraag van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming genieten. De minister stelt zich op het standpunt dat uit het verlenen van een status de intentie van de autoriteiten van Bulgarije blijkt om eisers te beschermen. Zij kunnen de bescherming van (hogere) instanties of daarvoor aangewezen instanties inroepen als zij problemen hebben en zich beklagen bij de autoriteiten als zij niet tevreden zijn over het optreden van de autoriteiten. De minister wijst er op dat eisers geen hulp hebben gezocht bij organisaties of instanties ter plaatse. Meer in het bijzonder is er daarbij op gewezen dat eisers ten aanzien van het vinden van een school geen hulp hebben gezocht bij de autoriteiten dan wel enige andere organisatie.
Standpunt eisers
5. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers bestrijden niet dat zij als statushouders dezelfde rechten hebben als Bulgaarse burgers, maar wijzen wel op obstakels om die rechten te effectueren. Zij spreken de taal niet en weten niet welke weg hierbij bewandeld moet worden. Eisers verwijzen in dat kader naar een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 2 juli 2025 over het AIDA-rapport uit maart 2025.
Beoordeling rechtbank
6. De minister heeft de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat eisers internationale bescherming hebben in Bulgarije. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat aan eisers in Bulgarije internationale bescherming is verleend en dat deze bescherming niet is beëindigd of ingetrokken.
7. De minister heeft in de bestreden besluiten uiteengezet waarom er ten aanzien van Bulgarije nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank overweegt dat de ABRvS op 1 november 2023 in een viertal uitspraken over de algemene situatie van statushouders in Bulgarije heeft geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De ABRvS heeft in die uitspraken eerdere versies van het AIDA-rapport betrokken.
Het AIDA-rapport uit maart 2025, waar eisers in hun zienswijze naar verwijzen, en waar in de door eisers aangehaalde uitspraak van 2 juli 2025 op is ingegaan, verschilt op dit punt niet wezenlijk van de rapporten die de ABRvS bij die uitspraken heeft betrokken en biedt geen reden hierover anders te oordelen. De rechtbank verwijst in dat kader ook naar uitspraken van andere zittingsplaatsen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers met hetgeen zij hebben ingebracht niet (alsnog) aannemelijk hebben gemaakt dat er ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank ziet in hetgeen overigens is aangevoerd evenmin aanleiding de bestreden besluiten te vernietigen.
8. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.