ECLI:NL:RBDHA:2026:2776

ECLI:NL:RBDHA:2026:2776

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 13-02-2026
Zaaknummer NL25.46431
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asielaanvraag niet-ontvankelijk, omdat eiser internationale bescherming heeft in Bulgarije. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.46431

(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),

en

(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, omdat eiser internationale bescherming heeft in Bulgarije. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 september 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

3. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Daarbij heeft de minister bepaald dat eiser onmiddellijk moet terugkeren naar Bulgarije. De minister is tot dit besluit gekomen omdat uit informatie van Bulgarije blijkt dat eiser sinds 4 juli 2023 internationale bescherming heeft in Bulgarije. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als statushouder bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Verder stelt de minister dat eiser, gelet op zijn internationale beschermingsstatus in Bulgarije, een zodanige band heeft met Bulgarije dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en dat de motivering van de minister in het bestreden besluit deugdelijk is. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.

Artikel 3 EVRM

5. Eiser stelt dat hij vanwege een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM niet kan terugkeren naar Bulgarije. De manier waarop hij in Bulgarije in de asielprocedure is behandeld is in strijd met artikel 3 EVRM. De omstandigheden in het asielzoekerscentrum waren slecht. Hij is meerdere keren mishandeld, vernederd en gekwetst. Ook wat hij na de vergunningverlening heeft meegemaakt in Bulgarije is in strijd met artikel 3 EVRM. Voor een pasje moest hij een woonadres hebben en dat heeft hij moeten kopen. Verder kreeg eiser geen huisvesting en geen geld om van te leven. Eiser heeft eerst geld van zijn vader gekregen om iets te huren en eten te kopen, maar zijn vader heeft ook geen geld meer. Eiser is naar een advocaat gegaan voor hulp bij voedsel, medische zorg en huisvesting, maar die bleek er niet te zijn. Ook is hij naar de politie gegaan, maar zij konden hem ook nergens voor hulp naartoe sturen. Eiser leefde op straat zonder eten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn terugkeer als statushouder naar Bulgarije leidt tot een schending van artikel 3 EVRM. De minister heeft er terecht op gewezen dat de door eiser beschreven slechte behandeling tijdens de asielprocedure in Bulgarije dateert van voor de vergunningverlening aan eiser. De situatie tijdens de asielprocedure in Bulgarije kan niet worden vergeleken met de situatie dat eiser internationale bescherming in Bulgarije heeft. De verwijzing van eiser op zitting naar uitspraken over asielzoekers en Dublinclaimanten in Bulgarije, kan eiser niet baten, omdat er geen sprake is van vergelijkbare gevallen: eiser is immers geen asielzoeker of Dublinclaimant. Eiser heeft met deze verwijzingen dan ook niet onderbouwd dat hij als statushouder bij terugkeer naar Bulgarije terechtkomt in een situatie in strijd met artikel 3 EVRM.

Eiser heeft met zijn internationale bescherming in Bulgarije dezelfde rechten als andere burgers in Bulgarije. De minister heeft er terecht op gewezen dat het aan eiser is om zijn rechten te effectueren. De minister heeft erop mogen wijzen dat uit eiseres verklaringen niet blijkt dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om zijn rechten te effectueren en hulp te krijgen bij het vinden van huisvesting en werk. De minister heeft er in dit verband op mogen wijzen dat eiser niet kan benoemen bij welke instanties hij om hulp heeft gezocht voor het vinden van een woning en werk en dat hij slechts twee keer heeft gesolliciteerd. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij geen medische zorg en financiële ondersteuning kan krijgen. Zo heeft de minister er op mogen wijzen dat eiser heeft verklaard dat hij medisch is onderzocht in Bulgarije en dat het zelf moeten betalen van medicijnen nog niet betekent dat de medische zorg niet beschikbaar is. De minister heeft verder verwezen naar een AIDA-rapport van 2025 over Bulgarije waaruit blijkt dat eiser recht heeft op sociale voorzieningen en hulp van ngo’s kan inroepen bij het verkrijgen hiervan. Van eiser mag worden verwacht dat hij bij problemen met het verkrijgen van hulp, de hulp van de (hogere) Bulgaarse autoriteiten inroept. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten van Bulgarije hem niet willen en kunnen helpen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Band met Bulgarije

6. Verder stelt eiser dat hij geen band heeft met Bulgarije en wel met Nederland: hij woont hier bijna twee jaar en werkt hier.

Voor zover eiser stelt dat hij vanwege het ontbreken van een band met Bulgarije niet kan terugkeren naar Bulgarije, overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake is van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Door eisers internationale bescherming in Bulgarije is zijn band met Bulgarije dus in beginsel voldoende om te verwachten dat hij naar het land terugkeert. Eisers stelling over zijn band met Nederland door zijn verblijf en werk hier, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank niet als bijzondere omstandigheid hoeven aanmerken voor een andere conclusie.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Bulgarije. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser terug kan keren naar Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.M. van Waterschoot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?