RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52756
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 14 september 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 juli 2026 (in de zaak NL26.34612) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 1 juli 2026).
Voortvarend handelen
3. Eiser heeft inmiddels bijna 3 maanden in bewaring doorgebracht. In die periode is onvoldoende voortgang geboekt door verweerder met betrekking tot de feitelijke uitzetting.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de voortgangsrapportage van 2 september 2026 blijkt dat verweerder in de te toetsen periode op 16 juli 2026 en 20 augustus 2026 bij de Vietnamese autoriteiten heeft gerappelleerd over de openstaande aanvraag tot de afgifte van een laissez-passer (lp). Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 16 juli 2026, 14 augustus 2026 en 25 augustus 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Op 25 augustus 2026 is eisers nationaliteit bevestigd, de volgende dag is de vluchtaanvraag ingediend en eisers vlucht naar Vietnam staat gepland op 22 september 2026. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.
Belangenafweging
4. Eiser betoogt dat uit de stukken, waaronder de voortgangsrapportage, niet blijkt dat er een (kenbare) belangenafweging is gemaakt met betrekking tot de voortduring van de maatregel. Dit klemt te meer nu eiser te kampen heeft met fysieke en psychische problematiek.
In de te toetsen periode is niet gebleken van nieuw feiten of omstandigheden. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die maken dat de belangenafweging thans anders moet uitvallen. Uit het dossier blijkt niet dat de fysieke en psychische problematiek van eiser samenhangen met zijn bewaring en dat eiser meer medische zorg nodig heeft dan in het detentiecentrum geboden kan worden. Daarnaast geeft het enkele tijdsverloop, gelet op de duur van de bewaring en de onder 3.1. genoemde omstandigheden, geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Familie- en gezinsleven en non-refoulement
5. Eiser betoogt dat niet blijkt van een kenbare beoordeling in de bewaringsmaatregel dan wel in de voortgangsrapportage van de belangen uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn (onder meer het familieleven en non-refoulement) bij het opleggen en bij het laten voortduren van de bewaringsmaatregel.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de eerdere maatregel van bewaring reeds heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 aan de uitzetting van eiser in de weg staan. Eiser heeft in de onderhavige zaak geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat zijn situatie op deze punten sindsdien is gewijzigd. Ook overigens zijn dergelijke omstandigheden niet gebleken. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.