RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41922
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker),
en
de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Eiseres woont in Guinee. Haar zoon heeft asiel in Nederland en is referent. Het staat niet meer ter discussie dat tussen moeder en zoon gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM. Volgens verweerder weegt het economische belang van Nederland echter zwaarder dan het belang van eiseres en referent om hun gezinsleven in Nederland uit te oefenen. De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder dit niet goed heeft gemotiveerd. Dat heeft er vooral mee te maken dat vast staat dat referent niet naar Guinee kan om zijn moeder daar te zien, en dat dit zwaar in hun voordeel weegt. Verweerder heeft hier onvoldoende tegenover gesteld, helemaal omdat van een aantal omstandigheden niet duidelijk is waarom deze in het nadeel van eiseres en/of referent konden worden gewogen.
Procesverloop
Op 28 oktober 2019 heeft [de zoon] (referent) ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘het uitoefenen van familie en gezinsleven met referent op grond van artikel 8 van het EVRM’ (mvv-aanvraag).
Bij besluit van 23 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de mvv-aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 29 april 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 9 maart 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:1686) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 11 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1416) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard, het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 maart 2022, vernietigd.
Bij besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft eiseres een verzoek om schadevergoeding ingediend voor het overschrijden van de redelijke termijn.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [de zoon] , referent.
Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1965 en heeft de Guinese nationaliteit. Zij beoogt verblijf bij haar zoon, referent, op grond van het recht op familie- en gezinsleven van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1998 en heeft ook de Guinese nationaliteit. Referent heeft op 25 december 2015 een asielaanvraag gedaan. Deze aanvraag is op 11 juni 2017 ingewilligd.
2. Op 13 juni 2018 heeft referent eerder een mvv-aanvraag gedaan voor eiseres met als doel ‘het uitoefenen van familie en gezinsleven met referent op grond van artikel 8 van het EVRM’. Bij besluit van 17 december 2018 heeft verweerder die aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet was aangetoond. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
3. De onderhavige mvv-aanvraag is ingediend in de Toegang- en Verblijfsprocedure (TEV). Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 9 maart 2022, (ECLI:NL:RBROT:2022:1686) het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 11 april 2023, (ECLI:NL:RVS:2023:1416) heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Volgens de Afdeling had de rechtbank, kort gezegd, niet onderkend dat de hoorplicht in bezwaar was geschonden. Verweerder heeft referent gehoord en het bestreden besluit genomen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
Wat vindt verweerder?
4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat weliswaar sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres en referent uitvalt. In dat kader heeft verweerder eerst beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden. Verweerder ziet die niet in de voorgeschiedenis – referent was minderjarig toen hij zijn asielaanvraag deed, maar was te laat met zijn nareisaanvraag – of in de lange procedure tot nu toe.
5. Verweerder heeft daarna een belangenafweging gemaakt. Daarbij heeft verweerder zwaar in het voordeel van eiseres en referent meegewogen dat er een objectieve belemmering is om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen omdat referent een asielvergunning heeft gekregen. In het voordeel van eiseres en referent heeft verweerder meegewogen dat de scheiding tussen referent en zijn moeder door referents vlucht komt, dat die scheiding geen vrijwillig karakter had en dat referent daarom stappen naar zelfstandigheid heeft moeten maken.
6. In het nadeel van eiseres en referent heeft verweerder meegewogen dat:
Licht in het nadeel van eiseres en referent weegt volgens verweerder dat eiseres een sterke band heeft met Guinee.
7. Al met al vindt verweerder de belangen van eiseres en referent niet opwegen tegen het economisch belang van de staat. Daarom heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Wat vindt eiseres?
8. Eiseres voert aan dat de belangenafweging die verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de belangen van verweerder enerzijds en die van eiseres en referent anderzijds. Hiertoe voert eiseres aan dat verweerder heeft nagelaten om de omstandigheden die in het voordeel van eiseres en referent wegen een duidelijk gewicht toe te kennen. Verweerder stelt alleen dat deze geen doorslaggevende betekenis hebben. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende meegewogen dat er een objectieve belemmering bestaat voor eiseres en referent om bij elkaar te zijn. Voortzetting van het gezinsleven op de huidige voet (contact op afstand) is voor eiseres en referent geen passende vorm van gezinsleven. Verweerder laat het economische belang van Nederland te zwaar wegen. Eiseres heeft namelijk werkervaring als schoonmaakster en in de zorg en de landbouw en kan, al dan niet na een korte inburgeringsperiode, ook in Nederland werkzaamheden in deze sectoren verrichten. Ook voldoet referent aan de inkomenseis en kan eiseres bij hem wonen. Verder voert eiseres aan dat referent wegens omstandigheden niet kan worden verweten niet tijdig een verzoek om gezinshereniging te hebben ingediend. Ook heeft verweerder volgens eiseres onvoldoende onderkend dat de omstandigheid dat referent stappen heeft gezet naar zelfstandigheid een logisch gevolg is van zijn vlucht uit Guinee en voor hem geen vrije keuze is geweest. Gelet op het tijdsverloop mag dit slechts in geringe mate aan referent worden tegengeworpen.
9. Daarnaast heeft eiseres verzocht om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
De belangenafweging in het kader van 8 EVRM
Waar gaat het hier om?
10. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen eiseres en referent sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, op grond van het jongvolwassenenbeleid als bedoeld in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De vraag is daarom alleen nog of dit familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM voor bescherming in Nederland in aanmerking komt.
Wat is het juridisch kader?
Of familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM voor bescherming in Nederland in aanmerking komt, moet in iedere zaak aan de hand van een geïndividualiseerde belangenafweging worden beoordeeld. Daarbij weegt verweerder het economisch belang van Nederland en zet deze af tegen alle overige omstandigheden van het concrete geval (zie ook paragraaf B7/3.8.3 van de Vc). Die belangenafweging moet blijk geven van een ‘fair balance’. Dit volgt uit vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (ECLI:NL:XX:2006:AV3568). De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of alle feiten en omstandigheden hierin zijn betrokken en enigszins terughoudend of de belangenafweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1503) en 4 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4911).
Uitgangspunt bij de weging van het economisch belang van Nederland is dat van de vreemdeling en diens familie- en gezinsleden mag worden verwacht dat zij hun eigen verantwoordelijkheid dragen voor de kosten van het levensonderhoud van het gezin. Dit volgt uit de werkinstructie van verweerder, ‘WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM’ (de werkinstructie). De belangenafweging moet echter wel ruimte bieden voor flexibiliteit en verweerder moet rekening houden met wat hij redelijkerwijs van referent mag verwachten om financiële zelfstandigheid te verkrijgen voor hem en zijn gezinsleden. Daarbij moet verweerder ook de leeftijd van referent en zijn inspanningen om werk te krijgen, betrekken (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912).
Wanneer er in het land van herkomst omstandigheden zijn die het de vreemdeling of (één van de) familie- of gezinsleden onmogelijk maken om in het land van herkomst te verblijven (een objectieve belemmering), moet verweerder dit zwaar in het voordeel van de vreemdeling meewegen. Ook kan sprake zijn van ‘a certain degree of hardship’ vanwege omstandigheden in het land van herkomst die het opbouwen van een nieuw bestaan en het aanpassen aan een nieuwe situatie daar bemoeilijken. Tegenover ‘a certain degree of hardship’ in het land van herkomst kan de binding met het land van herkomst, de binding met een ander land, of de binding met Nederland staan (zie p. 23 van de werkinstructie).
Het aannemen van een objectieve belemmering betekent niet zonder meer dat sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Wel moet verweerder in de belangenafweging goed motiveren waarom niet, bijvoorbeeld vanwege gevaar voor de openbare orde. Ook kan er aanleiding zijn om onderzoek te doen naar de vraag of het gezinsleven ook in een ander land dan het land van herkomst kan worden uitgeoefend. Daarvoor is een zekere mate van binding met dat andere land vereist (zie p. 24 van de werkinstructie).
In de belangenafweging moet verweerder ook de leeftijd en het zijn van jongvolwassene als relevante omstandigheid betrekken (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3049).
Resulteert de gemaakte belangenafweging in een ‘fair balance’?
11. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat verweerder een objectieve belemmering heeft aangenomen om het vastgestelde familie- en gezinsleven in Guinee uit te oefenen. Dit betekent dat eiseres en referent er in beginsel op aangewezen zijn hun familie- en gezinsleven elders of op een andere manier uit te oefenen. Dit heeft verweerder terecht zwaar in het voordeel van eiseres en referent meegewogen. Dit betekent echter ook dat verweerder goed moet motiveren waarom de belangenafweging alsnog in het nadeel van eiseres en referent uitvalt. Verweerder vindt dit in dit geval uitsluitend in het economisch belang van Nederland. Dat bijvoorbeeld sprake is van een gevaar voor de openbare orde, is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank schiet verweerder op dit punt dus tekort. De rechtbank licht hierna verder toe waarom.
Verweerder heeft ten eerste ondeugdelijk gemotiveerd dat van referent en eiseres kan worden verwacht dat zij op afstand invulling aan hun gezinsleven blijven geven. Verweerder heeft in dit kader gesteld dat ‘niet kan worden gesteld dat de afwezigheid van eiseres betekent dat er een onoverkomelijke breuk in het gezinsleven ontstaat die niet door middel van contact op afstand kan worden overbrugd’ (p. 8 van het bestreden besluit). Hierbij is in het nadeel van eiseres en referent meegewogen dat zij hun gezinsleven op dit moment op afstand vormgeven door regelmatig met elkaar te bellen en contact via whatsapp te onderhouden. Met het aannemen van gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid heeft verweerder het bestaan van hechte en persoonlijke banden aangenomen. In het licht daarvan geeft verweerder een wel heel beperkte uitleg aan het recht op familie- en gezinsleven, als elkaar regelmatig kunnen bellen voldoende is en het niet nodig is om elkaar ooit weer te kunnen zien. Het is namelijk ook niet gesteld of gebleken dat sprake is van enige mate van binding met een ander land waar eiseres en referent elkaar kunnen ontmoeten. Verweerder had daarom naar het oordeel van de rechtbank beter moeten motiveren dat zo’n invulling past bij de relatie tussen een ouder en kind bij wie familieleven is aangenomen en waarbij erkend wordt dat sprake is van een gedwongen scheiding.
Verder geldt dat verweerder in de belangenafweging enerzijds in het voordeel van eiseres en referent weegt dat hun scheiding en referents stappen richting zelfstandigheid een gedwongen karakter hebben (p. 6). Anderzijds stelt verweerder dat de langdurige scheiding, in combinatie met de stappen die referent zowel voor als na de indiening van de huidige aanvraag heeft gezet richting zelfstandigheid, maakt dat het samenwonen met zijn moeder minder zwaar weegt (p. 8). Nu verweerder heeft erkend dat sprake was van een gedwongen scheiding en gedwongen zelfstandigheid, vindt de rechtbank dat verweerder dit niet vervolgens alsnog had mogen tegenwerpen. Het één sluit het ander uit.
Ook heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd licht in het nadeel van eiseres en referent meegewogen dat eiseres binding heeft met Guinee. De binding met het land van herkomst is volgens de werkinstructie aan de orde als sprake is van ‘a certain degree of hardship’ voor het uitoefenen van het gezinsleven in het land van herkomst. In dit geval maakt de objectieve belemmering het uitoefenen van het gezinsleven in Guinee echter al onmogelijk.
Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd in het nadeel van referent en eiseres meegewogen dat referent niet in staat is om hemzelf en eiseres te onderhouden. Referent werkte ten tijde van de ‘hoorzitting nareis’ op 14 juni 2023 al meerdere jaren als logistiek medewerker, na het afronden van een tweejarige opleiding hiervoor. Hij verdiende € 2.000 – € 2.200 netto per maand. Dit is hem gelukt ondanks een auto-ongeluk met studievertraging tot gevolg. Ook had hij een woning. Hoewel de rechtbank verweerders standpunt dat eiseres mogelijk niet (meteen) in staat zal zijn om zichzelf te onderhouden kan volgen, heeft verweerder zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat referent niet in staat is om (tijdelijk) ook in dat van eiseres te voorzien of dat hierin redelijkerwijs meer van referent mocht worden verwacht.
Ten slotte geldt dat, hoewel verweerder terecht stelt dat het de verantwoordelijkheid van referent is om de aanvraag voor nareis van zijn moeder tijdig in te dienen, naar het oordeel van de rechtbank wel relevant is dat eiser minderjarig was toen hij zijn asielaanvraag indiende en dus in beginsel recht had gehad op nareis. Ook los van de vraag in hoeverre referent kan worden verweten dat hij de nareisaanvraag destijds niet tijdig heeft ingediend, vindt de rechtbank dat verweerder dit in zijn voordeel had moeten betrekken in de belangenafweging.
(Tussen)conclusie
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
13. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat niet is gebleken dat verweerder niet in staat zou zijn het motiveringsgebrek te herstellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De rechtbank draagt verweerder dan ook op om met inachtneming van deze uitspraak binnen 6 weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, is er reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (Bpb) vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
De schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
15. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Als zich de situatie voordoet dat een besluit door de rechtbank wordt vernietigd en dat leidt tot herhaalde besluitvorming op bezwaar, dient de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan verweerder te worden toegerekend en is dat slechts anders als de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor een beroep heeft overschreden (zie naar analogie de uitspraak van 30 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1467, onder 2.2.4).
Is de redelijke termijn overschreden?
De redelijke termijn is aangevangen op 9 december 2020, de datum waarop verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit heeft ontvangen. Nu in dit geval een redelijke termijn van vier jaar geldt, is deze termijn tot aan de uitspraak van heden overschreden met één jaar en zeven maanden. Bij een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar overschrijding bedraagt de aan eiseres toe te kennen schadevergoeding, afgerond naar boven, € 2.000,-.
Wie moet de schadevergoeding betalen?
In dit geval dient de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan verweerder te worden toegerekend. Dat is alleen anders als de rechtbank de redelijke behandelingsduur (in de loop van de hele procedure één of meer malen) heeft overschreden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:797, r.o. 2.2, en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3213, r.o. 5.2). De totale overschrijding van de redelijke termijn bedraagt één jaar en zeven maanden. De rechtbank heeft het door eiseres ingestelde tweede beroep op 25 oktober 2024 ontvangen en doet heden uitspraak. Daarmee heeft de rechtbank de redelijke behandelingsduur in de tweede beroepsfase met twee maanden overschreden. Dat betekent dat twee maanden van de totale overschrijding aan de rechtbank worden toegerekend en de resterende zeventien maanden aan verweerder. De schadevergoeding wordt daarom voor 2/19 deel toegerekend aan de Staat en voor 17/19 deel aan verweerder. Dit leidt ertoe dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 1.789,47 aan schadevergoeding aan eiseres en de Staat tot betaling van € 210,53.
Eiseres krijgt ook een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank, moeten verweerder en de Staat ieder de helft van deze proceskosten betalen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.