ECLI:NL:RBDHA:2026:27775

ECLI:NL:RBDHA:2026:27775

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-06-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer NL24.11154
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

VK; (intrekking) tkb 1; niet-ontvankelijk; pkv; tkb 2; derdelander Oekraïne; Richtlijn Tijdelijke Bescherming; rechtmatig verblijf; artikel 3 van het EVRM; artikel 8 van het EVRM; evenredigheidsbeginsel; vertrouwensbeginsel; hoorplicht; ogg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.11154

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Procesverloop

Verweerder heeft met het besluit van 21 februari 2024 (het bestreden besluit 1) aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat zij binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland moet verlaten.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1 (NL24.11156). Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.15060).

Op 19 maart 2024 heeft eiseres beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit 1.

Bij uitspraak van 10 april 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat eiseres moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op haar van toepassing is tot uitspraak is gedaan op het beroep.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit 1 ingetrokken en met het besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit 2) een nieuw terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat zij binnen vier weken na de datum van de uitspraak in onderhavig beroep Nederland moet verlaten.

Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit 1 is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht tegen het bestreden besluit 2.

Op 11 augustus 2025 en 13 maart 2026 heeft eiseres beroepsgronden ingediend en aangevuld tegen het bestreden besluit 2.

Verweerder heeft op 10 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beroep tegen het bestreden besluit 1

1. Aangezien het bestreden besluit 1 is ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij dit onderdeel van haar beroep. Eiseres handhaaft dit onderdeel van haar beroep met het oog op een proceskostenveroordeling. Door intrekking van het bestreden besluit 1 is verweerder tegemoetgekomen aan dit onderdeel van het beroep. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit 1 en verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres in verband met het instellen van dit beroep (1 punt).

Het beroep tegen het bestreden besluit 2

Inleiding

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

Op 24 januari 2024 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder eiseres een terugkeerbesluit opgelegd omdat zij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.

Beoordeling van de beroepsgronden

Rechtmatig verblijf

3. Eiseres betoogt dat verweerder geen terugkeerbesluit had mogen opleggen, omdat zij nog rechtmatig verblijf heeft. Zij valt namelijk onder de bevriezingsmaatregel en de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op haar van toepassing blijft totdat op het onderhavige beroep is beslist. De registratie van het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 in het Schengeninformatiesysteem (SIS) is hier dan ook mee in strijd.

Het betoog van eiseres dat het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 prematuur is genomen, slaagt niet. Dat het eiseres vanwege de bevriezingsmaatregel van verweerder voor derdelanders uit Oekraïne was toegestaan om tot en met 4 september 2025 in Nederland te blijven, betekent niet dat sprake was van rechtmatig verblijf of een andere vorm van toestemming tot verblijf in de zin van de Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) waardoor haar op 22 juli 2025 geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 23 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiseres daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar alleen dat eiseres nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die zij vanwege de tijdelijke bescherming had. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5214), bevestigd dat de bevriezingsmaatregel niet maakt dat verweerder geen terugkeerbesluit kon nemen. Zoals verweerder terecht overweegt, staat een toegewezen voorlopige voorziening niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiseres heeft procedureel rechtmatig verblijf om de uitkomst van haar beroepsprocedure te kunnen afwachten (op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000). Het procedureel rechtmatig verblijf maakt niet dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen, maakt ook niet dat de tijdelijke bescherming van eiseres is verlengd. Eiseres mocht alleen gedurende de duur van de getroffen voorlopige voorziening gebruikmaken van de rechten die zij onder de richtlijn had voor wat betreft werk, opvang en voorzieningen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 dan ook terecht in het SIS geregistreerd. De rechtbank wijst in dit verband ook op artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860, waarin dwingend is voorgeschreven dat verweerder een signalering in het SIS invoert wanneer hij een terugkeerbesluit uitvaardigt. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 3 van het EVRM

4. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat het arrest Ararat niet op haar van toepassing is. Verweerder heeft dan ook ten onrechte nagelaten het terugkeerbesluit te toetsen aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast had verweerder meer toegespitst op de situatie van eiseres moeten motiveren of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de oplegging van een terugkeerbesluit. De motivering van verweerder beperkt zich in dit verband tot algemene overwegingen.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 17 oktober 2024, Ararat (ECLI:EU:C:2024:892), geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening te houden. De Afdeling leidt uit het arrest Ararat af dat verweerder een onderzoeksplicht heeft en op basis van wat een vreemdeling aanvoert, gegevens uit het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij zich ervan moet vergewissen dat de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Als verweerder een refoulementbeoordeling heeft gemaakt, toetst de rechtbank deze indringend. In dat geval hoeft de rechtbank niet afzonderlijk een eigen geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken. Het is niet nodig dat een schending van het beginsel van non-refoulement zonder meer aannemelijk is. Er moet sprake zijn van zwaarwegende en op feiten berustende gronden dat door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement wordt geschonden (zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178).

Hoewel verweerder zich in het besluit van 22 juli 2025 in eerste instantie ten onrechte op het standpunt heeft gesteld niet gehouden te zijn het besluit aan artikel 3 van het EVRM te toetsen, blijkt uit zowel het voornemen van 4 juni 2025 als het besluit van 22 juli 2025 dat verweerder een geactualiseerde beoordeling heeft verricht van de risico’s die eiseres bij terugkeer naar Nigeria zou kunnen lopen. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de besluitvorming op dit punt een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat verweerder ambtshalve gehouden was een nadere of diepgaandere beoordeling te maken dan hij heeft gedaan. Verweerder stelt zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat de enkele verwijzing naar de algemene situatie in Nigeria, waarbij sprake is van veel geweld tegen met name vrouwen en christenen, onvoldoende is. Daarnaast stelt verweerder terecht dat de eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de zus van eiseres is ontvoerd, niet op onderbouwde feiten of stukken berust. Er zijn dan ook geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat verweerder door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement schendt. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM / evenredigheidsbeginsel / vertrouwensbeginsel

5. Eiseres betoogt dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Zij beroept zich daarnaast op het evenredigheidsbeginsel. Ook doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel en verwijst in dit kader naar het artikel ‘ [naam artikel] ’ van [persoon A] .

De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32) volgt dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen, nu de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen. Voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval is daarom geen plaats. Het betoog van eiseres dat zij in Nederland werkt, een sociaal leven heeft opgebouwd, bij een kerk is aangesloten een duurzame relatie heeft, en daarmee een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat dit geen reden is om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat het hier gaat om een terugkeerbesluit na het van rechtswege aflopen van tijdelijke bescherming, waar geen plaats is voor een individuele belangenafweging. Als eiseres vindt dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, kan zij een daartoe strekkende aanvraag indienen.

De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraken van 17 januari 2024 en 23 april 2025 heeft geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. Verweerder heeft namelijk geen toezeggingen gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. De verwijzing naar het artikel van [persoon A] maakt het voorgaande niet anders en dergelijke toezeggingen zijn ook niet uit het dossier van eiseres op te maken. De beroepsgrond slaagt niet.

Hoorplicht

6. Eiseres betoogt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Daartoe voert eiseres aan dat zij haar stellingen ten aanzien van een schending van het beginsel van non-refoulement ook nader heeft onderbouwd met landeninformatie. Volgens eiseres had een gehoor haar bovendien de gelegenheid geboden om haar persoonlijke belangen nader te verduidelijken. Een (schriftelijke) zienswijze op het voornemen tot het opleggen van een terugkeerbesluit bevat namelijk hoofdzakelijk de stellingen van de gemachtigde. In dit verband wijst eiseres ook op het arrest Mukarubega. Verder betoogt eiseres dat de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2013 waar verweerder naar verwijst om haar niet te hoeven horen, geen betrekking heeft op de Terugkeerrichtlijn en bovendien gedateerd is.

Het recht om te worden gehoord omvat het recht om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Dit volgt uit onder andere de arresten van het Hof van 5 november 2014, Mukarubega (ECLI:EU:C:2014:2336) en van 11 december 2014, Boudjlida (ECLI:EU:C:2014:2431). Eiseres heeft deze gelegenheid gehad doordat zij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen tot het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiseres is met het indienen van de zienswijze in de gelegenheid gesteld om haar standpunt naar voren te brengen. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht, namelijk de vreemdeling voor het nemen van een beslissing de gelegenheid te geven haar standpunt toe te lichten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1. Het beroep is ongegrond voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2.

8. Nu verweerder het besluit waartegen eiseres beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Er bestaat geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten voor de reactie van eiseres op het bestreden besluit 2 en het verschijnen ter zitting.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand