Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/231851-25
Datum uitspraak: 12 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 op [geboorteplaats],
op dit moment gedetineerd in Detentiecentrum [plaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 december 2025 en gesloten op 5 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. N.M. Fakiri naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdachte wordt er - kort gezegd - van verdacht dat hij op 1 september 2025 van korte afstand met een vuurwapen heeft geschoten op [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). Dit is primair ten laste gelegd als een poging doodslag en subsidiair als een poging tot zware mishandeling.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, voor zover het betreft de poging tot doodslag van [slachtoffer 2]. Ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit, aangezien het vuren van één enkele kogel - gericht op de onderbenen van [slachtoffer 2] - geen poging tot doodslag dan wel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan opleveren.
Het oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak
Niet is gebleken dat de verdachte (al dan niet in voorwaardelijke vorm) opzet had op de dood van of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1]. De rechtbank spreekt daarom de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder nader zal worden gemotiveerd.
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in het portiek met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van de onderbenen van [slachtoffer 2] en dat laatstgenoemde daarbij niet door hem, maar door een kogel uit diens eigen vuurwapen is geraakt.
Hoewel de rechtbank - gezien de camerabeelden en de op diens handen aangetroffen schotresten - aannemelijk acht dat (ook) [slachtoffer 2] een vuurwapen in handen heeft gehad (en op enig moment heeft geschoten), acht de rechtbank het door de verdachte geschetste scenario op bepaalde onderdelen niet geloofwaardig. Zij ziet in het dossier namelijk geen doorslaggevende aanknopingspunten voor de aanname dat [slachtoffer 2] zichzelf zou hebben geraakt met een kogel. Zo blijkt uit het forensisch onderzoek dat het DNA-profiel van sporen op een op de begane grond (in het portiek, onder de fiets) aangetroffen huls overeenstemt met het DNA-profiel van de verdachte. Er is weliswaar ook een DNA-match van een spoor op een kogelpunt met [slachtoffer 2], maar dit munitiedeel is aangetroffen op de eerste etage, twee trappen omhoog. Ook de omstandigheid dat de verdachte zich vanaf zijn aanhouding tot aan de inhoudelijke zitting heeft beroepen op zijn zwijgrecht, heeft de rechtbank betrokken bij haar oordeel dat de verklaring van de verdachte op dit punt ongeloofwaardig is. De verdachte heeft de bovengenoemde verklaring immers pas afgelegd nadat het opsporingsonderzoek was afgerond en het dossier gereed was, hetgeen hem de mogelijkheid heeft gegeven om zijn verklaring af te stemmen op de onderzoeksbevindingen.
Gelet op het voorgaande en de gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 1 september 2025 in Den Haag een kogel heeft afgevuurd op [slachtoffer 2] en hem daarbij heeft verwond.
Nu de rechtbank hierbij (en ook niet overigens) niet de verklaring van [slachtoffer 2] heeft betrokken, is niet voldaan aan de voorwaarde van het voorwaardelijke verzoek om [slachtoffer 2] als getuige te horen. De rechtbank zal dan ook het voorwaardelijke verzoek afwijzen.
(Voorwaardelijk) opzet
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke vorm.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdachte als doel had [slachtoffer 2] van het leven te beroven, zodat zij geen bewijs ziet voor vol opzet bij de verdachte.
De rechtbank moet vervolgens onderzoeken of sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2]. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De aard van het gevolg is daarbij niet bepalend.
De rechtbank overweegt dat het van dichtbij gericht schieten op een persoon de aanmerkelijke kans in het leven roept dat die persoon als gevolg daarvan zal komen te overlijden. Het is een algemene ervaringsregel dat het van dichtbij - in dit geval slechts enkele meters - schieten met een vuurwapen op een persoon kan leiden tot potentieel dodelijke verwondingen. Dit geldt temeer als er - zoals door de verdachte - wordt geschoten vanuit een bewegende positie. De verdachte heeft in een portiek - in een hectische situatie - op korte afstand een schot gelost in de richting van het slachtoffer. Daardoor bestaat de reële kans dat deze kogel een vitaal lichaamsdeel raakt. Het handelen van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank zijn geen aanwijzingen (contra-indicaties) gebleken dat de verdachte dit gevolg niet heeft gewild. De enkele verklaring van de verdachte dat hij een geoefend schutter is en bij het schieten bewust zou hebben gericht op de onderbenen van [slachtoffer 2] kan als zodanig niet gelden. De rechtbank wijst er daarbij op dat [slachtoffer 2] niet in de onderbenen is geraakt, maar ter hoogte van zijn heup.
De rechtbank acht aldus bewezen dat de verdachte opzet had, in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer 2].
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:
hij op 1 september 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met een vuurwapen van korte afstand een kogel op die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte
Beroep op noodweer(exces)
De verdachte beroept zich op noodweer(exces).
De rechtbank stelt allereerst voorop dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van [slachtoffer 2] als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien niet aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) in de weg hoeft te staan.
Het is vaste rechtspraak dat, hoewel sprake is van een (dreigende) wederrechtelijke aanranding, een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard wanneer de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320).
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte zich door de gedragingen van [slachtoffer 2] aanvankelijk geconfronteerd zag met een dreigende wederrechtelijke aanranding (waartegen hij zich mocht verdedigen), aangezien uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer 2] - na wat lijkt op een korte worsteling met [slachtoffer 1] - plotseling vanuit het portiek tevoorschijn komt met vermoedelijk een getrokken en op de verdachte gericht vuurwapen.
Onmiddellijk hierna is echter te zien dat [slachtoffer 2] zich binnen in het portiek terugtrekt, waarna de verdachte - die inmiddels een vuurwapen heeft getrokken - eerst weg deinst (net zoals alle andere omstanders), maar zich dan (als enige) omkeert en zich naar het portiek beweegt.
Naar het oordeel van de rechtbank zoekt de verdachte vervolgens zelf de confrontatie op door, nadat [slachtoffer 2] zich naar binnen had teruggetrokken, met getrokken vuurwapen naar het portiek te rennen om daarbinnen een kogel af te vuren op [slachtoffer 2]. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte vanaf het moment dat hij naar het portiek rent, op grond van de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, in de kern als aanvallend moeten worden gezien.
De rechtbank verwerpt eveneens het beroep op noodweer voor zover dat betrekking heeft op de verdediging van [slachtoffer 1] tegen een vermeende dreigende wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2]. Er zijn immers geen aanknopingspunten die erop duiden dat [slachtoffer 1] op enig moment het doelwit zou zijn geweest (of zou worden) van [slachtoffer 2].
Het beroep op noodweer wordt afgewezen.
Daarnaast wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen, omdat onvoldoende is gebleken dat bij de verdachte sprake was van een onmiddellijke hevige gemoedsbeweging als gevolg van de eerdere dreigende wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2].
Het bewezenverklaarde is volgens de wet en de verdachte is strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.
5. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot vijftig maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat - indien de rechtbank onverhoopt tot een veroordeling komt voor poging tot doodslag - er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte door [slachtoffer 2] werd aangevallen en nog steeds psychische klachten ondervindt naar aanleiding van het gebeuren. Verder wijst de verdediging erop dat de verdachte voor een dergelijk feit een first offender is. De verdediging verzoekt daarom geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan vier jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft van dichtbij met een vuurwapen op het slachtoffer [slachtoffer 2] geschoten. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt het de verdachte ook kwalijk dat hij in het openbaar met een (doorgeladen) vuurwapen rondliep, waar hij kennelijk al langer de beschikking over had, in verband met een conflict met deze [slachtoffer 2].
Het schieten gebeurde in een portiek gelegen aan een openbare weg, overdag en ten overstaan van voorbijgangers, onder wie kinderen. Een delict als het onderhavige leidt tot veel maatschappelijke onrust. Ter zitting heeft de verdachte, ook daarnaar gevraagd, onvoldoende besef of inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen. Aan dit alles kent de rechtbank betekenis toe bij haar strafoplegging.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 november 2025. Daaruit blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is gekomen, ook vanwege een in 2023 gepleegd geweldsfeit.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal echter een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Daarbij is met name in aanmerking genomen dat het schieten van de verdachte - weliswaar niet als noodweer(exces) kan worden aangemerkt, maar wel - een reactie was op een door het slachtoffer geïnitieerde en heftige geweldshandeling. De rechtbank zal dat aspect, meer dan de officier van justitie heeft gedaan, meenemen in de strafoplegging.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
6. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
7. De beslissing
De rechtbank:
wijst af het voorwaardelijke verzoek om [slachtoffer 2] als getuige te horen;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) jaar;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.G. Egter van Wissekerke, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 januari 2025.
Bijlage I: tekst tenlastelegging
hij op of omstreeks 1 september 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met een vuurwapen (van korte afstand) één of meerdere kogels op/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen (van korte afstand) één of meerdere kogels op/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.