RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18366
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een EU/EER verblijfsdocument, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), afgewezen.
Bij besluit van 3 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Eiser heeft op 24 mei 2024 beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 18 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 20 maart 2026 aanvullende gronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [de echtgenote] , referente.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Eiser heeft op 20 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Eiser wil verblijf bij zijn echtgenote. Deze echtgenote treedt op als referente. Referente is in [geboorteland] geboren en heeft de Nederlandse nationaliteit.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser en referente daadwerkelijk en gezamenlijk voor de duur van ten minste drie aaneengesloten maanden in Spanje hebben verbleven en aldaar een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van Richtlijn 2004/38 (hierna: de Verblijfsrichtlijn) en valt eiser niet onder ‘begunstigde’ in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Om die reden kan eiser geen afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan artikel 21, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), als familielid van een Unieburger die gebruik wenst te maken van haar recht op vrij verkeer. Verweerder heeft daarnaast getoetst aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en is tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken van een positieve verplichting om gezinsleven tussen eiser en referente toe te staan.
Beoordeling door de rechtbank
Hoorplicht
3. Eiser betoogt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Aangezien eiser een beroep op artikel 8 van het EVRM heeft gedaan, had hij op zijn bezwaar gehoord moeten worden.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918). Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. Op dit uitgangspunt bestaan wel uitzonderingen, bijvoorbeeld in de situatie waarin een vreemdeling nalaat zijn bezwaar te motiveren en in de situatie waarin een vreemdeling in zijn bezwaarschrift alleen maar een herhaling van zetten geeft. Dat is in lijn met vaste Afdelingsjurisprudentie waaruit volgt dat de plicht om te horen in bezwaar afhankelijk is van wat een vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:3474, r.o. 2.2.1). In deze situaties is de enkele mogelijkheid dat een vreemdeling tijdens een gehoor eventueel alsnog nieuwe gezichtspunten naar voren kan brengen, onvoldoende grond om hem te horen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2729, r.o. 1.2). Het is kortom aan een vreemdeling om in bezwaar concreet toe te lichten waarom hij zich niet kan verenigen met het primaire besluit. Als hij dit nalaat, kan verweerder het bezwaar redelijkerwijs afwijzen als kennelijk ongegrond. Met deze uitzondering – neergelegd in artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht – moet terughoudend worden omgegaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij van het horen in bezwaar mocht afzien. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift weliswaar een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM, maar heeft het gelaten bij de enkele stelling dat verweerder het gezinsleven van referente (met haar eigen kinderen) niet heeft betrokken en dat dit gezinsleven niet elders kan worden uitgeoefend. Eiser heeft deze stelling, en de relevantie hiervan voor de besluitvorming in zijn zaak, niet toegelicht of onderbouwd. Onder deze omstandigheden was verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden eiser te horen. Het enkele feit dat een hoorzitting nadere feiten en informatie had kunnen opleveren, is onvoldoende voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
4. Eiser voert daarnaast aan dat de belangenafweging die verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt ten onrechte geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de belangen van verweerder enerzijds en die van eiser anderzijds. Hiertoe voert eiser aan dat het voor eiser en referente niet mogelijk is om hun gezinsleven elders uit te oefenen. De oma van de twee kinderen van referente heeft namelijk gedeeld gezag over hen. Daarnaast wil referente haar opleiding in Nederland afronden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM hoefde te worden gemaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen eiser en referente geen sprake is van familie- of gezinsleven, en dat eiser geen verblijfsrecht ontleent aan het Chavez-arrest. Eiser heeft wel betoogd dat referente in Nederland kinderen heeft en dat deze betrokken dienen te worden bij de beoordeling van het gezinsleven tussen eiser en referente. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom de aanwezigheid van de kinderen van referente tot een andere uitkomst zouden moeten leiden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser en referente hun gezinsleven klaarblijkelijk eerder in Spanje wel hebben kunnen oefenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.