ECLI:NL:RBDHA:2026:27795

ECLI:NL:RBDHA:2026:27795

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 26.42817
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vw 2000. Procedureverordening. Veilig derde land. Turkije. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Turkije voor eiser een veilig derde land is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42817

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond in de asielgrensprocedure.

Op 21 augustus 2026 heeft de minister een aanvullende motivering van het bestreden besluit gegeven.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.42818)

De rechtbank heeft het beroep tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Al Sayed. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het asielrelaas en de relevantie asielmotieven

1. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij verklaart dat hij problemen heeft gehad met de autoriteiten in Gaza vanwege kritische artikelen die hij schreef. Ook heeft eiser verklaard over zijn problemen met [naam] vanwege een artikel wat hij schreef over zijn echtgenote waarin eiser hem bekritiseerde. Eiser vreest bij terugkeer voor zowel de autoriteiten als [naam]. Ook vreest hij voor de algemene veiligheidssituatie in Gaza. Eiser heeft verder verklaard dat hij in 2017 naar Turkije is gegaan en dat hij daar zijn mastersopleiding heeft gevolgd. Hij heeft ook verklaard dat hij in Turkije geen problemen heeft gehad en dat hij geen vrees heeft in Turkije. Eiser heeft Turkije enkel verlaten omdat hij daar geen Schengenvisum kon verkrijgen. Hij is in februari 2025 naar Oman gegaan waar hij heeft verbleven op basis van een investeringsvisum tot zijn vertrek naar Nederland in juli 2026.

2. Tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard dat hij zowel op vrouwen als mannen valt. Hij is een keer naar een gaybar geweest in Turkije, waar hij een nare ervaring heeft gehad met twee onbekende Irakese mannen. Zij hebben geprobeerd om hem af te persen, middels een bedreiging. Eiser is vervolgens weggegaan.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. de bedreiging wegens seksuele gerichtheid.

Is de aanvullende ‘motivering’ van de minister een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb ?

4. Hangende het beroep heeft eiser middels zijn gemachtigde aan de minister laten weten dat hij zich naast vrouwen ook aangetrokken voelt tot mannen en dat dit eveneens een reden is voor zijn asielaanvraag. De minister heeft daarom op 21 augustus 2026, naar het standpunt van de minister, de motivering van de afwijzing van de asielaanvraag aangevuld. De rechtbank stelt vast dat deze aanvullende ‘motivering’ geen nieuw(e) rechtsgevolg(en) met zich heeft gebracht en geen verandering in de rechtspositie van eiser heeft gebracht. Er is ook geen wijziging van rechtsgevolgen beoogd door de minister. Anders dan de minister, is de rechtbank daarom van oordeel dat de brief van de minister van 21 augustus 2026 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar moet worden beschouwd als een aanvullende motivering van het bestreden besluit.

Het bestreden besluit

5. Als geen enkel land een vreemdeling als onderdaan erkent, merkt de minister een vreemdeling aan als staatloze vreemdeling. In dat geval merkt de minister het land of de landen waar de staatloze vreemdeling voor zijn komst naar Nederland zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘country of former habitual residence’) had, aan als land of landen van herkomst van de staatloze vreemdeling. Bij het vaststellen van het land of de landen van gebruikelijke verblijfplaats wordt in ieder geval gekeken naar de aard van het verblijf in het land; de duur van het verblijf in het land; en de banden die de vreemdeling heeft met het land. Volgens de minister volgt uit eisers verklaringen en zijn dossier dat, naast Gaza, ook Turkije voor eiser geldt als land van gebruikelijke verblijfplaats, omdat bij eiser sprake is van een daadwerkelijk en stabiel verblijf in Turkije. Nu Turkije eveneens als land van gebruikelijke verblijfplaats aangemerkt wordt, toetst de minister niet aan de Palestijnse

gebieden, specifiek de Gazastrook.

6. De minister acht de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en de bedreiging wegens zijn seksuele gerichtheid geloofwaardig en heeft deze geloofwaardig geachte elementen door getoetst. Hierin wordt echter geen aanleiding gezien om eiser aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of aan te nemen dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook is eiser geen meereizend of nareizend gezinslid. Hij komt om die reden niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. De minister neemt daarbij in aanmerking dat Turkije een veilig land van herkomst is, zodat in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat vreemdelingen afkomstig uit Turkije niet te vrezen hebben voor problemen die internationale bescherming rechtvaardigen. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is.

7. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 39, derde lid, van de Procedureverordening (Pvo). Daarbij heeft de minister ambtshalve bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt. Daarnaast is bepaald dat de vervoerder die eiser van Muscat, Oman naar Nederland heeft gebracht ook verantwoordelijk is om eiser terug te vervoeren en dat er geen redenen zijn om de grensdetentie te beëindigen.

De beroepsgronden van eiser

8. Eiser betoogt dat zijn verblijfsvergunning in Turkije niet meer door de autoriteiten wordt verlengd omdat hij sedert eind december 2025 weg is uit Turkije. Daarnaast is het kwalificeren van Turkije als toekomstige EU-lidstaat een toekomstige onzekere gebeurtenis is. Kennelijk gaat de minister er hieraan voorbij dat in Turkije (zelfs ook vermeende) Gülenisten zonder slag of stoot op straat worden opgepakt en in de gevangenis worden gezet en dat alle politieke tegenstanders van president Recep Tayyip Erdoğan monddood worden gemaakt door ze gevangen te nemen zoals bijvoorbeeld de burgermeester van Istanbul en de burgemeester van Antalya. Volgens de minister kan eiser in Turkije zijn werk als journalist en podcastmaker neutraal doen maar duidelijk moet toch zijn dat eiser het niet moet wagen om ook maar enige kritiek op de Turkse autoriteiten te uiten.

9. Voorts ziet het terugkeerbesluit op terugkeer naar Oman. Eiser krijgt echter in Oman begin oktober 2026 geen verlenging van zijn verblijfsstatus omdat de investering in het bedrijf niet is doorgegaan en er geen bedrijf is gekomen. Daarnaast is er in Oman geen vrijheid van meningsuiting, hetgeen voor een journalist onwerkbaar is, en wordt zijn geaardheid niet geaccepteerd en strafbaar gesteld. Het terugsturen van eiser naar Oman is daarom in strijd met het EVRM.

Het beoordelingskader

10. De minister kan een aanvraag om internationale bescherming als kennelijk ongegrond afwijzen indien sprake is van een van de gevallen genoemd in artikel 42, eerste en derde lid, van de Pvo. Dit volgt uit artikel 39, vierde lid, van de Pvo. Een van de in artikel 42, eerste lid, van de Pvo genoemde gevallen doet zich voor indien een derde land voor de vreemdeling als veilig land van herkomst kan worden beschouwd (onderdeel e).

Het begrip ‘veilig land van herkomst’

11. Uit artikel 61, eerste lid, van de Pvo volgt dat een derde land slechts als veilig land van herkomst kan worden aangewezen indien, algemeen gezien en op een systematische wijze, kan worden aangetoond dat in dat land geen sprake is van vervolging als bedoeld in artikel 9 van de Kwalificatieverordening (Kvo) en evenmin van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15 van de Kvo. Een derde land kan zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau als veilig land van herkomst worden aangewezen. Dit volgt uit artikel 61, tweede lid, van de Pvo. Artikel 62 van de Pvo regelt de aanwijzing op het niveau van de Unie, terwijl artikel 64 van de Pvo voorziet in de mogelijkheid voor een lidstaat om op nationaal niveau derde landen als veilig land van herkomst aan te wijzen.

12. Bij Verordening 2026/464 is aan artikel 62, eerste lid, van de Pvo onder meer een nieuw lid 1 toegevoegd. Daarin is bepaald dat een derde land waaraan de status van kandidaat-lidstaat voor toetreding tot de Unie is toegekend, op het niveau van de Unie als veilig land van herkomst wordt aangewezen, tenzij een van de in die bepaling genoemde uitzonderingssituaties zich voordoet.

Toepassing op de individuele vreemdeling

13. De enkele aanwijzing van een derde land als veilig land van herkomst is echter niet voldoende om zonder meer te concluderen dat dit land ook ten aanzien van de individuele vreemdeling als veilig land van herkomst moet worden aangemerkt. De aanwijzing van een derde land als veilig land van herkomst berust op een beoordeling van de algemene situatie in dat land. Een dergelijke aanwijzing houdt echter geen absolute garantie in dat iedere onderdaan van dat land zich daar veilig kan bevinden. Dit volgt ook uit nummer 3 van de preambule van de Verordening 2026/464. Daarin is uitdrukkelijk vermeld dat de aanwijzing van een derde land als veilig land van herkomst niet afdoet aan de verplichting om de aanvraag individueel te onderzoeken. Bepaalde categorieën personen kunnen zich in het betreffende land in een specifieke situatie bevinden en daardoor een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade. Dit uitgangspunt is in het bijzonder van belang voor onder andere journalisten en lhbtiq’ers. Dit volgt uit nummer 19 van de preambule van de Verordening 2026/464.

14. Artikel 61, vijfde lid, van de Pvo bevat daarom aanvullende voorwaarden voor de toepassing van het begrip ‘veilig land van herkomst’. Uit artikel 61, vijfde lid, onder c, van de Pvo volgt dat ook een individuele beoordeling van de vreemdeling dient plaats te vinden. Daarbij moet worden beoordeeld of de vreemdeling elementen heeft verstrekt die rechtvaardigen dat het begrip ‘veilig land van herkomst’ niet op hem of haar van toepassing is.

15. De rechtbank leidt uit nummer 80 van de preambule van de Pvo af dat hiermee wordt bedoeld dat de vreemdeling concrete elementen naar voren kan brengen die aanleiding geven om, ondanks de aanwijzing van het betreffende land als veilig land van herkomst, in het individuele geval te oordelen dat het land voor deze vreemdeling niet als veilig kan worden beschouwd. Daarbij ligt het voor de hand dat het moet gaan om elementen die kunnen afdoen aan de veronderstelling dat in het betreffende land, algemeen gezien en op systematische wijze, geen sprake is van vervolging als bedoeld in artikel 9 van de Kvo en evenmin van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15 van de Kvo.

16. Uit artikel 61, vijfde lid, aanhef en onder c, Pvo volgt dat het begrip ‘veilig land van herkomst’ niet kan worden toegepast indien de vreemdeling in het kader van een individuele beoordeling elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat dit begrip niet op hem van toepassing is. De individuele beoordeling strekt er daarom toe vast te stellen of de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling aanleiding geven om af te wijken van de algemene veronderstelling die voortvloeit uit de aanwijzing van het betreffende land als veilig land van herkomst.

Aanwijzing van Turkije als veilig land van herkomst in het algemeen

17. Voor zover eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat Turkije als veilig land van herkomst is aangewezen, slaagt dit betoog niet. De rechtbank stelt hierbij voorop dat Turkije niet voorkomt in bijlage II bij Verordening 2026/464, waarin de derde landen zijn opgenomen die op het niveau van de Unie als veilig land van herkomst zijn aangewezen. Evenmin is Turkije opgenomen in paragraaf C9/1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), waarin de landen zijn vermeld die Nederland op nationaal niveau als veilige landen van herkomst heeft aangewezen. Daarmee is echter niet zonder meer gegeven dat Turkije niet als veilig land van herkomst in de zin van de Pvo kan worden aangemerkt.

18. De rechtbank stelt vast dat Turkije in december 1999 de status van kandidaat-lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen. Daarmee valt Turkije onder het toepassingsbereik van artikel 62, eerste lid, van de Pvo. De aanwijzing als veilig land van herkomst vloeit in dat geval rechtstreeks voort uit de Verordening 2026/464. Anders dan voor de landen die zijn opgenomen in bijlage II bij die Verordening, is daarom voor Turkije geen afzonderlijke vermelding in die bijlage vereist. De Uniewetgever heeft er immers uitdrukkelijk voor gekozen kandidaat-lidstaten als afzonderlijke categorie als veilige landen van herkomst aan te wijzen.

Aanwijzing van Turkije als veilig land van herkomst in het geval van eiser

19. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het enkele feit dat eiser werkt als journalist en zowel op mannen als op vrouwen valt, onvoldoende is om Turkije voor eiser niet als veilig land van herkomst aan te merken. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.

20. Eisers verklaringen bieden naar het oordeel van de rechtbank geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat eiser vanwege zijn journalistieke werkzaamheden en zijn seksuele gerichtheid in het verleden de aandacht van de Turkse autoriteiten heeft getrokken of dat hij bij terugkeer naar Turkije persoonlijk voor vervolging of ernstige schade heeft te vrezen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser niet heeft gesteld dat hij vanwege zijn journalistieke werkzaamheden en/of seksuele gerichtheid in Turkije is gearresteerd, bedreigd, strafrechtelijk vervolgd, verhoord of anderszins door de autoriteiten is benaderd. Evenmin heeft eiser concrete omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat zijn journalistieke werkzaamheden en seksuele gerichtheid maken dat hij daardoor bij terugkeer een bijzondere belangstelling van de Turkse autoriteiten heeft te verwachten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Journalist

21. Recente landeninformatie maakt weliswaar melding van vervolging en detentie van journalisten, maar daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat iedere journalist in Turkije reeds vanwege het enkele uitoefenen van het beroep van journalist aan een reëel risico op vervolging of ernstige schade wordt blootgesteld. In dit kader heeft de minister terecht overwogen dat eiser heeft verklaard dat hij gedurende zijn verblijf in Turkije artikelen heeft gepubliceerd, waaronder onder zijn eigen naam, en dat hij sinds 2023 middels podcasts journalistiek bedrijft, en daar nooit problemen mee heeft ondervonden. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij in Turkije in het algemeen geen problemen heeft gehad en dat hij nergens voor vreest.

Seksuele gerichtheid

22. De rechtbank stelt voorop dat de minister de door eiser gestelde seksuele gerichtheid geloofwaardig heeft geacht. Eveneens heeft de minister geloofwaardig geacht dat eiser eenmaal een gaybar in Istanbul heeft bezocht en dat hij daar door twee onbekende Iraakse mannen verbaal is bedreigd en is geprobeerd hem af te persen.

23. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze gebeurtenis, hoe vervelend ook, onvoldoende is om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn seksuele gerichtheid. Daarbij heeft de minister terecht van belang geacht dat sprake was van een eenmalig incident met onbekende personen, waarna eiser de situatie heeft verlaten en zich geen verdere problemen hebben voorgedaan. Eiser heeft verklaard dat hij deze personen niet kende, dat zij niet wisten wie hij was en dat hij nadien geen problemen meer met hen heeft ondervonden.

24. Voorts heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet is gebleken dat hij in Turkije op enig ander moment problemen heeft ondervonden vanwege zijn seksuele gerichtheid. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij zijn seksuele gerichtheid en zijn relaties in Turkije verborgen hield, omdat hij ervoer dat de overheid en de maatschappij niet positief tegenover homoseksuelen staan, en dat hij graag openlijk met een partner zou willen samenleven, diens hand in het openbaar zou willen vasthouden en samen bars, restaurants en terrassen zou willen bezoeken, maar dit maakt niet dat het voor eiser met zijn seksuele gerichtheid onmogelijk is om een bestaan op te bouwen in Turkije. De minister heeft namelijk in de aanvullende motivering toereikend gemotiveerd dat eiser vanwege zijn seksuele gerichtheid niet met een dermate ernstige repressie te maken heeft gekregen dan wel zal krijgen, dat tot vluchtelingschap moet worden geconcludeerd dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. De beroepsgrond slaagt niet.

Terugkeer naar Turkije

25. Voor zover eiser stelt dat hij niet terug kan naar Turkije omdat zijn verblijfsvergunning niet meer wordt verlengd, overweegt de rechtbank dat de verblijfsvergunning van eiser geldig is tot 23 augustus 2027 en dat op geen enkele manier is gebleken dat deze niet meer geldig is vanwege het feit dat eiser sinds eind december 2025 Turkije heeft verlaten. Deze grond slaagt daarom niet.

Terugkeer naar Oman

26. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister aan eiser geen terugkeerbesluit heeft opgelegd. In het bestreden besluit is geen terugkeerverplichting opgenomen en evenmin is aan eiser een vertrektermijn opgelegd. Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank het beroep van eiser op het non-refoulementbeginsel dient te beoordelen. Het verbod van refoulement is immers een absoluut beginsel. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat terugkeer naar Oman in zijn geval in strijd is met het EVRM. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oman vanwege zijn seksuele gerichtheid een reëel risico loopt op vervolging of op een onmenselijke of vernederende behandeling. De enkele omstandigheid dat homoseksualiteit strafbaar is gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat iedere homoseksuele persoon bij terugkeer naar Oman een reëel risico loopt op schending van het non-refoulementbeginsel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken weliswaar volgt dat homoseksualiteit in Oman strafbaar is maar dat enkel een geldboete kan worden opgelegd. De rechtbank acht dit onvoldoende om te spreken van schending van het non-refoulementbeginsel. Eiser heeft niet gewezen op andere objectieve en openbare landeninformatie waaruit volgt dat homoseksuele personen in Oman een reëel risico lopen op schending van het non-refoulementbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

27. De beroepsgronden slagen niet. Dit betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.C.M. van Dommele, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.M.E. Schulmer

Griffier

  • mr. M.C.M. van Dommele

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand