ECLI:NL:RBDHA:2026:27796

ECLI:NL:RBDHA:2026:27796

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer NL26.32238 en NL26.32239
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

AMBV België. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft.

Uitspraak

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M. Grigorjan)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Flach).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 8 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat hij België verantwoordelijk acht voor de aanvraag.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waarover gaat deze uitspraak?

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en stelt uit Gaza te komen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nationaliteit van eiser onbekend is. Eiser heeft op 18 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Voordat eiser naar Nederland kwam, heeft hij acht jaren in België verbleven en aldaar meerdere asielaanvragen ingediend, die door de Belgische autoriteiten zijn afgewezen. Eiser stelt dat hij een gezin heeft dat inmiddels verblijfsrecht heeft gekregen in België.

De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening, maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV).

In deze zaak dateert de asielaanvraag van vóór 12 juni 2026. Ook is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer bestaande - voornemenprocedure nog gevolgd en heeft verweerder in dat kader een voornemen uitgebracht. Verder is het bestreden besluit genomen op 8 juni 2026, vóór de inwerkingtreding van de AMBV. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in België. Volgens artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening is België daarom verantwoordelijk voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft eerst op 27 maart 2026 en daarna op 8 april 2026 aan België gevraagd om eiser terug te nemen. De Belgische autoriteiten hebben dit verzoek op 10 april 2026 aanvaard. Daarmee is de verantwoordelijkheid van België vast komen te staan.

Is verweerder terecht uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België?

4. Eiser voert aan dat hij gedurende een lange periode in België heeft verbleven zonder effectieve toegang tot opvang en medische voorzieningen. Verweerder miskent dat deze eerdere ervaringen van eiser een aanwijzing vormen voor de situatie waarin eiser na de overdracht terecht zal komen. Ook maakt verweerder niet inzichtelijk op grond van welke feiten hij aanneemt dat eiser na de overdracht wel toegang zal krijgen tot opvang, medische zorg en andere noodzakelijke voorzieningen. Verweerders enkele verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel vindt eiser onvoldoende. Met zijn aanvullende beroepsgronden voert eiser bovendien aan dat hij moet worden aangemerkt als een meerderjarige, alleenstaande, niet-kwetsbare man. Nu zijn gezinsleden in België verblijfsrecht hebben gekregen, verblijven zij niet meer in de opvang. Daardoor kan eiser geen aanspraak maken op opvang als onderdeel van een gezin. Als een meerderjarige, alleenstaande, niet-kwetsbare man zal eiser in België op straat komen te staan.

De beroepsgrond slaag niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

In beginsel mag Nederland erop vertrouwen dat België zich aan de regelgeving houdt van de Europese Unie. Dit heet het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze rechtbank en zittingsplaats is echter van oordeel dat er voor meerderjarige, alleenstaande, niet-kwetsbare mannen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van België. Er bestaat immers onzekerheid over het aantal beschikbare opvangplekken in België voor deze groep asielzoekers.

De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat hij binnen het Belgische opvangsysteem en voor wat betreft de toedeling van een opvangplek zal worden aangemerkt als een meerderjarige, alleenstaande, niet-kwetsbare man.

De avond voor de zitting heeft eiser echter stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn echtgenote en kinderen in België verblijfsrecht hebben gekregen. Eiser en zijn gemachtigde zijn de volgende dag niet ter zitting verschenen. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet bij zijn gezin kan verblijven als hij wordt overgedragen aan België. Naar het oordeel van de rechtbank had het op eisers weg gelegen om uit te leggen waarom hij bij een overdracht aan België van de opvang afhankelijk is. Onder deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij een overdracht aan België in een situatie terecht komt die in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.

Had verweerder eisers asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?

5. Eiser voert aan dat verweerder eisers asielaanvraag in behandeling had moeten nemen vanwege eisers individuele omstandigheden, namelijk zijn langdurige verblijf in België zonder opvang en medische zorg. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom deze omstandigheden geen aanleiding geven om eisers asielaanvraag naar zich toe te trekken.

De rechtbank volgt eiser niet. De door eiser gestelde omstandigheden heeft verweerder immers al meegewogen bij zijn beoordeling of voor België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit is in beginsel een deugdelijke motivering waarom verweerder zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. Deze omstandigheden hoeven niet opnieuw te worden meegewogen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2025. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de belangen van eisers kinderen voldoende meegewogen in zijn beoordeling?

6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de belangen van eisers minderjarige kinderen. Eiser heeft eerder verklaard dat zijn kinderen in België geen toegang hadden tot de opvang en tot voorzieningen. De belangen van het kind moeten een eerste overweging vormen bij ieder besluit dat kinderen raakt.

De rechtbank volgt verweerders standpunt ter zitting dat het overdrachtsbesluit enkel eiser raakt en niet zijn kinderen, die reeds in België verblijven. Daarom slaagt de beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan België.

Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.

Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramondt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.L. Clemens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand