ECLI:NL:RBDHA:2026:27798

ECLI:NL:RBDHA:2026:27798

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 26.34014
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Overgangsrecht, artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000, opvangvoorzieningen, mensenhandel en pkv wegens vervangen besluit.

Uitspraak

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.J.F. van Raak).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag en een overdrachtsbesluit genomen. Op 2 juli 2026 heeft de minister het bestreden besluit vervangen.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, E.J. Nyembo-Katumbwe (nummer 3723) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje op 28 mei 2026 een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, tweede of derde lid, van de Dublinverordening. Spanje heeft dit verzoek aanvaard op 28 mei 2026 op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.

5. Het voornemen is genomen op 1 juni 2026 op grond van de Dublinverordening waarbij ook artikel 17 is betrokken door de minister. Er is geen zienswijze ingediend. Op 18 juni 2026 is het bestreden besluit genomen. Op 2 juli 2026 heeft de minister het besluit van 18 juni 2026 ingetrokken en vervangen door een besluit met dezelfde strekking, waarin is geconcludeerd dat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Het beroep is van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 2 juli 2026.

6. Nu het besluit van 18 juni 2026 is vervangen door het besluit van 2 juli 2026 is niet gebleken dat eiseres nog procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 18 juni 2026. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De minister is hangende het beroep gekomen tot het vervangende besluit van 2 juli 2026 omdat het besluit van 18 juni 2026 is genomen op grond van niet langer toepasselijke regelgeving. Gelet hierop ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiseres in verband met het instellen van het beroep tegen het besluit van 18 juni 2026 gemaakte proceskosten.

7. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de vaststelling dat Spanje in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. Eiseres heeft evenmin aangevoerd dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze omstandigheden zijn daarom niet in geschil en vormen het uitgangspunt bij de beoordeling van het beroep van eiseres.

Bespreking van de beroepsgronden

8. Eiseres voert primair aan dat het besluit van 2 juli 2026 is genomen zonder toereikende motivering. Het besluit is gebaseerd op de AMbV, maar de Dublinverordening is van toepassing op het verzoek van eiseres op grond van artikel 84, tweede lid, van de AMbV.

Dit betoog volgt de rechtbank niet. De AMbV heeft vanaf 12 juni 2026 onmiddellijke werking, zodat het besluit van 2 juli 2026 terecht daarop is gebaseerd. Het overgangsrecht in artikel 84, tweede lid, van de AMbV bepaalt niet dat op aanvragen van voor die datum de Dublinverordening van toepassing is, maar dat voor die verzoeken de criteria voor vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat uit de Dublinverordening moeten worden toegepast. Afgezien daarvan is dus de AMbV van toepassing.

9. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken dat ingevolge artikel 43 van de AMbV de reikwijdte van het beroep tegen het overdrachtsbesluit is beperkt. Dat artikel heeft onmiddellijke werking, dus ook tegen overdrachtsbesluiten die zijn genomen naar aanleiding van aanvragen die zijn ingediend voor 12 juni 2026. Daarbij is tevens de vraag aan de orde gesteld of het ter toetsing voorliggende besluit een andere strekking heeft dan enkel dat van overdrachtsbesluit. De AMbV beperkt immers alleen het beroep tegen het overdrachtsbesluit dat is genomen op grond van de AMbV. Voor zover het bestreden besluit meer of andere rechtsgevolgen in het leven roept dan die het overdrachtsbesluit met zich brengt, geldt de beperking van de reikwijdte van het beroep niet.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de reikwijdte van het beroep tegen het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen niet groter is dan de reikwijdte die artikel 43 van de AMbV toestaat. De rechtbank wijst daartoe op artikel 44a van de Vw 2000, op grond waarvan het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen geldt als overdrachtsbesluit. Artikel 44a van de Vw 2000 benoemt een aantal rechtsgevolgen behorend bij het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Daarbij springt in het oog de beëindiging van opvangvoorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen bedoeld in de artikelen 17 tot en met 20 van de Opvangrichtlijn. De toekenning van opvangvoorzieningen en verstrekkingen worden niet geregeld door de AMbV maar door de (herziene) Opvangrichtlijn en een beroep tegen een besluit daarover kan op het eerste oog dan ook niet worden beperkt door artikel 43 van de AMbV. Artikel 21 van de (herziene) Opvangrichtlijn – evenals overigens artikel 18, eerste lid, van de AMbV – bepaalt echter dat verzoekers vanaf kennisgeving van het overdrachtsbesluit geen recht hebben op opvangvoorzieningen als bedoeld in artikel 17 tot en met 20 in een andere lidstaat dan de lidstaat waar zij geacht worden zich te bevinden. De lidstaten hebben gezien de formulering van dit artikel geen ruimte om iets anders te besluiten ten aanzien van de opvangvoorzieningen. Dat betekent dat het recht op opvangvoorzieningen in voorkomend geval staat of valt met het overdrachtsbesluit dat in beroep beperkt ter toetsing aan de rechter kan worden voorgelegd. Voor zover het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen betrekking heeft op de opvangvoorzieningen, moet dat besluit delen in het lot van het overdrachtsbesluit en kan dus geen sprake zijn van een verdergaande toetsing dan die aan het overdrachtsbesluit is toegestaan. Bij het voorgaande merkt de rechtbank op dat het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in de Vw 2000 is opgenomen als één van de wijzen van afdoening van de aanvraag, maar dat dat niet volgt uit de Procedureverordening en dat het Unierecht dan ook niet verplicht tot het bieden van een doeltreffend en effectief rechtsmiddel tegen dit besluit. Op grond van artikel 39 van de Procedureverordening wordt een verzoek niet ten gronde behandeld als een andere lidstaat verantwoordelijk is. De Procedureverordening bepaalt logischerwijs niet hoe het verzoek in die situatie verder moet worden afgedaan, omdat de AMbV regelt hoe de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat moet plaatsvinden die vervolgens de behandeling van het verzoek ten gronde moet oppakken of voortzetten. Artikel 67 van de Procedureverordening verplicht dan ook niet om tegen het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen een doeltreffende voorziening in rechte te bieden.

10. Subsidiair betoogt eiseres dat, ook als de AMbV van toepassing is, het besluit op grond van artikel 29 van de AMbV geen stand kan houden omdat Nederland haar inmiddels een verblijfstitel heeft verleend. Eiseres heeft namelijk bezwaar gemaakt tegen de weigering van de minister om haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier wegens humanitaire omstandigheden te verlenen in verband met haar aangifte wegens mensenhandel.

De minister stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf hangende bezwaar een tijdelijke verblijfstitel oplevert. Hangende het bezwaar zal eiseres niet worden overgedragen, maar als het bezwaar ongegrond wordt verklaard kan de overdracht alsnog doorgaan.

De rechtbank overweegt dat zij het besluit kan toetsen aan deze beroepsgrond omdat een beroep wordt gedaan op een omstandigheid van na het overdrachtsbesluit die bepalend is voor de juiste toepassing van de AMbV. Deze beroepsgrond slaagt echter niet. Eiseres stelt terecht dat op grond van artikel 29 AMbV de verantwoordelijkheid op Nederland overgaat door verlening van een verblijfstitel. Wat te gelden heeft als verblijfstitel is gedefinieerd in artikel 2, onder 13, van de AMbV. In laatstgenoemde bepaling is van het begrip verblijfstitel uitgezonderd een verblijfsmachtiging die is afgegeven tijdens de behandeling van aanvraag voor een verblijfsvergunning. Dat betekent dat een procedureel rechtmatig verblijf in afwachting van bezwaar tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen niet kan worden beschouwd als een verblijfstitel in de zin van artikel 29 AMbV.

11. Eiseres voert aan dat in het besluit niet is aangegeven of dit tot stand is gekomen met behulp van AI (Artifical Intelligence) of andere daaraan gerelateerde systemen. De minister hanteert een systeem genaamd Case Matcher waarmee besluitvorming wordt voorbereid. Op de minister rust in het kader van de zorgvuldigheid een transparantieverplichting op grond van artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest. Ondoorzichtige besluitvorming kan leiden tot afname van effectieve democratische en rechtelijke controle en afname van legitimiteit van overheidsoptreden. De rechtbank Groningen heeft op 10 juni 2025 geoordeeld dat, totdat vastgesteld is of Case Matcher een eenvoudig of complex algoritme is, het gebruik daarvan in de stukken moet worden vermeld. Ook het niet vermelden van Case Matcher houdt een motiveringsgebrek in. Eiseres wijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 juli 2025 en van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 16 april 2026. Zij stelt zich om die reden op het standpunt dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt, nu nergens in de besluitvorming aangegeven is of gebruik is gemaakt van Case Matcher.

De rechtbank stelt voorop dat deze beroepsgrond niet kan slagen, reeds omdat eiseres hiermee niet betoogt dat a) overdracht een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest inhoudt, b) sprake is van omstandigheden van na het overdrachtsbesluit of c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 van de AMbV.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de minister is nagegaan of Case Matcher is gebruikt bij de totstandkoming van het besluit. De minister heeft geconcludeerd dat dat niet het geval is omdat de opsteller van het voornemen heeft medegedeeld dat in zijn algemeenheid geen gebruik wordt gemaakt van AI en dat hij ook bij dit voornemen geen AI of Case Matcher heeft gebruikt. Ook de opsteller van het besluit heeft desgevraagd aangegeven Case Matcher niet te hebben gebruikt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen en ook eiseres heeft dit niet in twijfel getrokken.

12. Eiseres voert verder aan dat de minister haar ten onrechte niet voor het besluit heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om aangifte te doen van mensenhandel en dat haar daarvoor een bedenktijd wordt gegund. Eiseres heeft in haar gehoor immers verklaard dat zij na inreis met haar reisagent is misbruikt in Nederland. Verder is ten onrechte nagelaten te bezien of aan haar ambtshalve een verblijfsvergunning moet worden verleend op grond van artikel 3.6a en 3.6b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Uit artikel 3.6b van de Vb 2000 blijkt dat de minister dat wel ambtshalve kan beoordelen op verzoek van eiseres, gezien het gehoor bestond daartoe aanleiding. Het besluit is om deze reden volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd. Op 18 augustus 2026 geeft eiseres aan dat zij op 17 augustus 2026 aangifte heeft gedaan van mensenhandel.

De minister erkent dat eiseres eerder gewezen had moeten worden op de mogelijkheid om aangifte te doen. Die vaststelling heeft echter geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het voorliggende besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Eiseres is immers op de hoogte geraakt van de mogelijkheid om aangifte te doen, heeft zich daarover beraden en daadwerkelijk aangifte gedaan op 17 augustus 2026. Deze aangifte heeft de minister aangemerkt als een ambtshalve aanvraag om een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden in de zin van paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Op 24 augustus 2026 heeft het Openbaar Ministerie (OM) besloten om het strafrechtelijk onderzoek voortijdig te beëindigen, omdat de afgelegde verklaring van eiseres en het nader verrichte onderzoek door de politie niet tot een nader strafrechtelijk onderzoek kunnen leiden. Dit betekent dat er geen reden is voor het OM om het strafrechtelijk onderzoek voort te zetten. Op 24 augustus 2026 is ook de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier afgewezen. Dat daartegen bezwaar is gemaakt staat ook niet in de weg aan handhaving van het besluit; alleen als het bezwaar gegrond wordt verklaard en alsnog een verblijfsvergunning wordt verleend moet het besluit worden ingetrokken.

De rechtbank komt toe aan toetsing van deze beroepsgrond omdat een beroep wordt gedaan op een omstandigheid van na het overdrachtsbesluit die bepalend is voor de juiste toepassing van de AMbV. Artikel 18, derde lid, van de AMbV bepaalt dat artikel 18, eerste lid, van de AMbV niet van toepassing is wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat eiseres slachtoffer zou kunnen zijn geweest van een van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2011/36/EU (inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan). Met andere woorden, als er een redelijke grond is om aan te nemen dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel, zou de beëindiging van opvangvoorzieningen en verstrekkingen niet aan de orde zijn. Dat de minister eventueel ambtshalve had kunnen overgaan tot verlening van een verblijfsvergunning regulier maar dat in het bestreden besluit niet heeft gedaan, valt buiten de omvang van de toetsing die de rechtbank moet verrichten.

De minister voert het beleid om aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel op wie de Dublinverordening van toepassing een bedenktijd te gunnen van 30 dagen. In deze tijd kunnen zij een beslissing nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien.

Niet in geschil is dat de minister eiseres niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om aangifte te doen en daar 30 dagen over te denken. Dat kan in deze zaak echter niet leiden tot een geslaagd beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat eiseres door de handelwijze van de minister niet in haar belangen is geschaad. De gemachtigde van eiseres heeft op 25 juni 2026 beroepsgronden ingediend waarin wordt gewezen op de tekortkoming van de minister om eiseres te informeren over de mogelijkheid om aangifte te doen van mensenhandel. De rechtbank gaat ervan uit dat eiseres daarbij ook op de hoogte is geraakt van deze mogelijkheid. Eiseres heeft daarna meer dan 30 dagen tijd gehad om zich te beraden over het al dan niet doen van aangifte, alvorens zij daadwerkelijk aangifte deed. Het OM heeft op 24 augustus 2026 echter te kennen gegeven dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor verdere vervolging zodat de aanwezigheid van eiseres niet noodzakelijk is in het belang van verdere opsporing. Daarmee bestaat er naar het oordeel van de rechtbank ook geen redelijke grond voor de minister om aan te nemen dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel in de zin van artikel 18, derde lid, van de AMbV.

13. Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening en dat gelezen moet worden als een beroep op artikel 35 van de AMbV, overweegt de rechtbank dat dit beroep niet kan slagen omdat het buiten de beperkte reikwijdte van dit beroep valt. Gezien het discretionaire karakter van artikel 35 van de AMbV is de rechtbank van oordeel dat de beperking van deze reikwijdte niet strijdig is met het recht op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest A.H.Y. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2024, waarin het Hof ten aanzien van artikel 17 van de Dublinverordening overwoog dat de lidstaten niet verplicht kunnen worden daaraan toepassing te geven en dat het Unierecht niet verplicht om een rechtsmiddel te bieden tegen de weigering om gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid. De rechtbank ziet geen aanleiding om met betrekking tot artikel 35 van de AMbV anders te oordelen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep gericht tegen het besluit van 18 juni 2026 is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 2 juli 2026 is ongegrond. Eiseres krijgt - gelet op hetgeen overwogen in rechtsoverweging 6 - een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser beroep heeft ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- het beroep gericht tegen het besluit van 18 juni 2026 niet-ontvankelijk;

- het beroep tegen het besluit van 2 juli 2026 ongegrond;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. B.E.C. Bertens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

2 september 2026 9 september 2026

Deze hersteluitspraak vervangt de uitspraakdatum van 2 september 2026 in 9 september

2026.

De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekend gemaakt op: 10 september 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand