ECLI:NL:RBDHA:2026:27801

ECLI:NL:RBDHA:2026:27801

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer NL26.53525
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

volgberoep grensdetentie, art. 6 lid 3 Vw, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.53525

v-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),

en

(gemachtigde: mr. L. Ploeger).

Procesverloop

1. De minister heeft op 9 juli 2026 met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiseres heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 18 september 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 17 juli 2026.

Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Grensdetentie is mogelijk als een vreemdeling, die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, aan de grens een asielwens uit. Grensdetentie is mogelijk zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen en vindt plaats in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.

De vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en alleen als geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die grensdetentie onevenredig bezwarend maken.

Grensdetentie als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw wordt toegepast zolang het de vreemdeling wordt toegestaan als verzoeker op het grondgebied te verblijven of niet wordt verwijderd. Grensdetentie kan daarom voortduren tot de rechtbank uitspraak doet op het asielberoep of de voorzieningenrechter bepaalt dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven hangende dit beroep, of de beroepstermijn is verstreken zonder dat de verzoeker beroep heeft ingesteld tegen het asielbesluit of geen verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend.

Uit de Opvangrichtlijn vloeit voort dat de grensdetentie zo kort mogelijk moet duren. De administratieve procedures in verband met de asielgrensprocedure moeten met de nodige zorgvuldigheid worden uitgevoerd. Vertraging in die administratieve procedure die niet aan de verzoeker kan worden toegeschreven, is geen reden om de bewaring te laten voortduren.

Uit de Procedureverordening volgt dat de grensprocedure zo kort mogelijk moet worden gehouden en in ieder geval moet worden voltooid binnen twaalf weken nadat het verzoek van een vreemdeling is geregistreerd, met inbegrip van de behandeling van een eventueel beroep of verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het asielbesluit. In artikel 83b van de Vw is de uitspraaktermijn voor de rechtbank bepaald.

Wat vindt eiseres?

3. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten aanzien van de verwijdering van eiseres. Hierbij verwijst eiseres naar het voortgangsrapport van 11 september 2026 waaruit niet blijkt dat er concrete uitzettingshandelingen zijn verricht. Ook wijst eiseres op het verslag van het vertrekgesprek van 13 augustus 2026 waaruit blijkt dat de regievoerder van DT&V aangeeft dat er geen uitzettingshandelingen zullen worden verricht zolang het beroep in de asielprocedure bij de rechtbank aanhangig is. Volgens eiseres kan de minister niet volstaan met het laten voortduren van de vrijheidsontneming zonder inzichtelijk te maken welke concrete en daadwerkelijke stappen zijn gezet sinds de vorige rechterlijke beoordeling ter voorbereiding van de verwijdering.

Daarnaast wijst eiseres erop dat onderdeel 10b van het voortgangsrapport geen ingevulde datum bevat. Daarom blijkt volgens eiseres niet dat de minister bij voortduring van de maatregel een individuele afweging heeft gemaakt tussen het belang bij voortduring van de grensdetentie en de inmiddels verstreken duur van de vrijheidsbeneming en de actuele omstandigheden van eiseres. Eiseres wijst erop dat er in een volgberoep ook getoetst moet worden of de maatregel nog noodzakelijk, evenredig en voldoende gemotiveerd is. Naar mate de vrijheidsontneming langer duurt, dient de minister volgens eiseres kenbaar te blijven beoordelen of voortduring van de maatregel nog gerechtvaardigd is. Volgens eiseres ontbreekt een kenbare actuele belangenafweging die ziet op de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel ten tijde van dit volgberoep.

Volgens eiseres zijn er wezenlijk gewijzigde omstandigheden sinds de eerdere rechtelijke beoordeling. Er is namelijk nieuw bewijs beschikbaar gekomen dat rechtstreeks betrekking heeft op het door eiseres gestelde risico bij terugkeer. Van bijzonder belang is volgens eiseres dat de minister heeft meegedeeld het bewijs te willen laten onderzoeken door Bureau Documenten. Ook wijst eiseres op gewijzigde omstandigheden in haar medische situatie.

Daarnaast is volgens eiseres geen kenbare herbeoordeling gemaakt of kan worden volstaan met een lichter middel. Dit klemt volgens eiseres nu de duur van de maatregel inmiddels aanzienlijk is toegenomen, uit het voortgangsrapport geen concrete verwijderingshandelingen blijken en zich in de asielprocedure relevante ontwikkelingen hebben voorgedaan.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank overweegt dat de Afdeling zich in haar uitspraak van 1 juli 2025 heeft uitgesproken over de maximale duur van de grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De uitspraak van de Afdeling had betrekking op artikel 9, eerste lid, van de toen geldende Opvangrichtlijn, waarin net als in artikel 11, eerste lid, van de huidige hernieuwde richtlijn volgt dat grensdetentie zo kort mogelijk moet duren. De Afdeling heeft overwogen dat uit de Screeningverordening en de Procedureverordening volgt dat de screening aan de buitengrens maximaal zeven dagen mag duren en de daaropvolgende grensprocedure maximaal twaalf weken. Volgens de Afdeling kan grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval niet langer dan dertien weken duren.

De rechtbank heeft ambtshalve kennis genomen van een aantal stukken uit het dossier van de eerste maatregel. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiseres op 8 juli 2026 aan de buitengrens is gescreend en dat zij op 9 juli 2026 is verwezen naar de asielgrensprocedure omdat ze een asielwens heeft geuit. Dit betekent dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de periode van screening en dat de grensdetentie in ieder geval te lang voortduurt na twaalf weken vanaf de oplegging van de maatregel. De aanvraag van eiseres is op 30 juli 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft hiertegen op 4 augustus 2026 beroep ingesteld en dezelfde dag een voorlopige voorziening aangevraagd. Uiterlijk op 1 oktober 2026 moet op het asielberoep van eiseres zijn beslist. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet binnen de gestelde termijn van twaalf weken zal beslissen. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gebleken die erop wijzen dat deze uiterste termijn zal worden overschreden. De omstandigheid dat eiseres nieuw bewijs heeft overgelegd ten aanzien van de asielprocedure en dat daar onderzoek naar zal worden gedaan, betekent niet op voorhand dat de termijn zal worden overschreden en maakt de voortduring van de maatregel niet onrechtmatig. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiseres pas in het beroep in de asielprocedure de documenten heeft overgelegd. Het ligt binnen de risicosfeer van eiseres dat de minister nog onderzoek moest laten verrichten naar deze documenten en dat de procedure daardoor langer duurt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de grensdetentie op het moment van sluiten van het onderzoek niet onredelijk lang voortduurt. De rechtbank benadrukt daarbij dat 1 oktober 2026 de laatste dag is waarop eiseres op deze grondslag (artikel 6, derde lid, van de Vw) in grensdetentie mag verblijven.

Omdat eiseres niet mag worden verwijderd, kan van de minister niet worden verwacht dat hij concrete uitzettingshandelingen verricht zoals het aanvragen van een laissez-passer of het boeken van een vlucht. Uit het dossier blijkt dat er op 13 augustus 2026 een vertrekgesprek met eiseres is gevoerd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat zij in de hiervoor genoemde uitspraak van 23 juli 2026 al heeft geoordeeld dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. In hetgeen eiseres aanvoert omtrent gewijzigde omstandigheden – te weten de gestelde duur van de grensdetentie, haar medische omstandigheden en het nieuwe bewijs – ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat nu wel een lichter middel moeten worden toegepast. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare medische zorg in haar geval niet toereikend is of dat haar medische gesteldheid door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. De maatregel kan daarom in het licht van het grensbewakingsbelang in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

5. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.

6. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand