ECLI:NL:RBDHA:2026:27810

ECLI:NL:RBDHA:2026:27810

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer NL26.53856
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

volgberoep bewaring, art. 59 eerste lid aanhef en onder a Vw, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.53856

v-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

(gemachtigde: mr. L. Ploeger).

Procesverloop

1. De minister heeft op 24 juni 2026 eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. De maatregel duurt nog voort.

De minister heeft een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op

16 september 2026 op gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 18 september 2026 gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 3 juli 2026.

3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Standpunten eiser

Zicht op uitzetting en voortvarend handelen

4. Eiser stelt dat er onvoldoende inzicht is in de voortgang van de uitzettingsinspanningen van de minister. Eiser stelt dat hij bijna 3 maanden in bewaring heeft doorgebracht zonder dat dit tot feitelijke uitzetting heeft geleid. Daarnaast wordt op dit moment geen concrete uitzettingsdatum door de minister genoemd en is er nog geen sprake van zicht op afgifte van een laissez-passer. Er zijn enkel rappelverzoeken naar de Marokkaanse vertegenwoordiger gezonden volgens eiser, zonder dat dit tot resultaat heeft geleid. Dit klemt volgens eiser des te meer omdat hij zelf heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan terugkeer naar Marokko en ook daadwerkelijk hieraan heeft meegewerkt. Eiser verwijst hiervoor naar de vertrekgesprekken van 11 en 21 augustus 2026. Hieruit blijkt dat eiser heeft aangegeven zo spoedig mogelijk te willen terugkeren naar Marokko, hij een foto van zijn geboorteakte heeft overgelegd en zo spoedig mogelijk contact wil met de Marokkaanse autoriteiten. Eiser wijst er daarnaast op dat in de stukken enkel vertrekgesprekken aanwezig zijn en de voortgangsrapportage ontbreekt. Daarnaast stelt eiser dat de bewaringsmaatregel hem onevenredig zwaar valt en dat hij is overgeplaatst naar de Extra Zorg Afdeling. Volgens eiser blijkt niet dat de minister deze omstandigheid gemotiveerd heeft meegewogen.

Non-refoulement

Daarnaast ontbreekt volgens eiser een op de persoon van eiser toegespitste kenbare belangenafweging met betrekking tot het voortduren van de maatregel. Eiser stelt dat er sprake is van een motiveringsgesprek. Eiser stelt dat niet uit de stukken blijkt dat er een afweging in het kader van refoulement wordt gemaakt, wanneer eiser zal worden uitgezet naar Marokko en verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026. Eiser meent dat uit deze uitspraak blijkt dat de minister een onderzoeksplicht heeft om te toetsen aan de belangen uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bij het laten voortduren van de bewaringsmaatregel. Er blijkt in casu volgens eiser niet van een kenbare beoordeling in de bewaringsmaatregel dan wel in de voortgangsrapportgage. Eiser stelt dat ook al is er sprake van een rechtsgeldig terugkeerbesluit, dat deze niet ten grondslag kan liggen aan (het voortduren) van de bewaringsmaatregel, omdat voor de maatregel een actuele toetsing aan het non-refoulementsbeginsel had moeten plaatsvinden.

Beoordeling rechtbank

Zicht op uitzetting en voortvarend handelen

5. De rechtbank oordeelt allereerst dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De laissez-passer aanvraag is nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. Dat eiser aangeeft dat hij meewerkt aan zijn uitzetting, maakt dit oordeel niet anders. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er hebben op 27 juli 2026, 11 augustus 2026 en 21 augustus 2026 vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Daarnaast is er op 16 juli 2026, 5 augustus 2026 en 20 augustus 2026 schriftelijk en telefonisch gerappelleerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee voldoende voortvarend handelt. Deze informatie blijkt onder andere uit de voortgangsrapportage die, anders dan eiser stelt, onderdeel uitmaakt van het dossier.

Belangenafweging

6. De rechtbank overweegt als volgt. De minister moet een verzwaarde belangenafweging maken na een periode van zes maanden van ononderbroken detentie. Het kan daarbij gaan om zowel (opvolgende en verschillende) vreemdelingrechtelijke detentiemaatregelen, als om strafrechtelijke detentie. De minister kan daarnaast de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Vw na zes maanden verlengen met ten hoogste twaalf maanden. Eiser zit op dit moment nog geen 6 maanden in (vreemdelingen)detentie. Dit betekent dat de minister nog geen verzwaarde belangenafweging hoeft te maken en ook nog geen verlengingsbesluit hoeft te nemen.

Non-refoulement

7. Wat betreft hetgeen eiser aanvoert in het kader van non-refoulement stelt de rechtbank allereerst vast dat de bewaringsmaatregel, waarin een refoulementsbeoordeling is gemaakt, al eerder is getoetst en nu alleen het voortduren van de bewaring ter toetsing voorligt. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 juli 2026 geoordeeld dat zij ook ambtshalve, onder verwijzing naar de arresten Aroja en Adrar, geen grond ziet voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Daarmee is de non-refoulement beoordeling ook gemaakt. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd, waaruit blijkt dat nu wel sprake is van een refoulement-risico. Bij een verzwaarde belangenafweging en het verlengingsbesluit zal de minister, als er nieuwe feiten en omstandigheden kenbaar worden gemaakt door eiser die zien op non-refoulement, deze bij de belangenafweging en het besluit betrekken. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat het voortzetten van de bewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Dat eiser stelt dat hij overgeplaatst is naar een Extra Zorg Afdeling en de bewaring hem onevenredig zwaar valt, maakt dit oordeel niet anders. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Hierbij verwijst de rechtbank ook naar de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum, alsmede op de mogelijkheid van overplaatsing naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten zorginstelling indien de benodigde zorg niet binnen die voorzieningen kan worden geboden. De medische zorgverlening binnen deze centra is gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand