RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53819
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Procesverloop
1. De minister heeft op 7 mei 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. De maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op 13, 15 en 17 september 2026 beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 18 september 2026 gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 augustus 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 14 augustus 2026.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser stelt dat er zes maanden verstreken zijn sinds eiser in bewaring is gesteld en dat de minister heeft nagelaten om een verzwaarde belangenafweging te maken. Eiser stelt daarnaast dat de verwijderingsprocedure op 8 maart 2026 is begonnen en dat dit ook betekent dat de minister op 8 september 2026 een verlengingsbesluit had moeten nemen. Dit heeft de minister niet gedaan. Eiser verwijst daarbij naar het arrest Aroja van het Hof van
5 maart 2026 waaruit volgt dat onderbrekingen door invrijheidsstelling niet maken dat een eerdere inbewaringstelling niet mee telt. Volgens eiser diende de minister namelijk ook in de tijd dat eiser strafrechtelijk gedetineerd zat, te werken aan zijn verwijdering. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van 16 september 2026 van de Afdeling waaruit blijkt dat van de minister verwacht mag worden dat hij zich, zodra dit mogelijk is, vergewist van de status van de strafzaak en in het verlengde daarvan van de (voorlopige) einddatum van een strafrechtelijke detentie. Daarbij mag van de minister worden verwacht dat hij een actieve houding aanneemt.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 8 maart 2026 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is opgelegd. Vervolgens is op 3 april 2026 de bewaring opgeheven omdat eiser in strafrechtelijke detentie werd geplaatst. Vervolgens is deze strafrechtelijke detentie op 7 mei 2026 beëindigd en is eiser op dezelfde dag opnieuw in bewaring gesteld op dezelfde grondslag als eerder. Dit betekent dat eiser van 8 maart 2026 tot en met 3 april 2026 (27 dagen) en van 7 mei 2026 tot aan de sluiting van het onderzoek (134 dagen) in bewaring heeft verbleven. Dit zijn totaal 161 dagen in bewaring. Vanaf 8 maart 2026 zijn tot de dag van sluiting van het onderzoek (dus inclusief te strafrechtelijke detentie periode) gerekend in totaal 194 dagen verstreken.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister moet een verzwaarde belangenafweging te maken na een periode van zes maanden van ononderbroken detentie. Het kan daarbij gaan om zowel (opvolgende en verschillende) vreemdelingrechtelijke detentiemaatregelen, als om strafrechtelijke detentie. De minister kan daarnaast de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Vw na zes maanden verlengen met ten hoogste twaalf maanden. Uit het arrest Aroja volgt onder meer, en voor zover hier van belang, dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit in zijn totaliteit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarnaast kan uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen. Alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, dienen dus bij elkaar te worden opgeteld. De periode in strafrechtelijke detentie telt niet mee bij deze berekening omdat het hierbij niet gaat om de uitvoering van een terugkeerbesluit. Het kan daarom voorkomen dat minister al eerder dan in het verlengingsbesluit de verzwaarde belangenafweging moet maken.
De rechtbank stelt vast op basis van de voortgangsrapportage die de minister heeft overgelegd dat de minister op 3 september 2026 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. Dit was op tijd omdat op 8 september 2026 de termijn van 6 maanden voor het maken van een verzwaarde belangenafweging afliep. Eisers beroepsgrond dat er niet tijdig een verzwaarde belangenafweging is gemaakt, slaagt daarom niet. Eiser zat ten tijde van het sluiten van het onderzoek totaal 161 dagen in bewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit. Aangezien de strafrechtelijke detentie voor de zes maanden termijn voor het nemen van een verlengingsbesluit niet meetelt, heeft de minister nog tot 6 oktober 2026 om een verlengingsbesluit te nemen. De stelling van eiser dat de minister dit niet op tijd heeft gedaan, slaagt daarom ook niet. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2026 treft geen doel aangezien de strafrechtelijke periode, zoals hiervoor vermeld, niet meetelt voor het maken van een verlengingsbesluit. De uitspraak ziet op de inspanningsverplichting van de minister om te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafdetentie in bewaring worden geplaatst. Los van de vraag of dit punt in een vervolgberoep kan worden getoetst, geeft de gemachtigde van eiser in zijn gronden zelf al aan dat aan de inspanningsverplichting is voldaan, omdat de minister al uitzettingshandelingen verrichtte.
De rechtbank oordeelt verder dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De laissez-passer aanvraag is nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank acht voorts van belang dat eiser in zijn vertrekgesprek van 2 september 2026 heeft verklaard dat hij geen contact heeft opgenomen met de Algerijnse ambassade omdat dit volgens hem geen zin heeft. Niet kan worden uitgesloten dat de Algerijnse autoriteiten, als eiser medewerking verleent, sneller zullen overgaan tot het verlenen van een laissez-passer.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er heeft op 2 september 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden en de minister heeft op 20 augustus 2026 en op 8 september 2026 gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee voldoende voortvarend handelt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat het voortzetten van de bewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.