RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32658
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.32659), op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008. Eiser heeft op 27 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 16 mei 2024 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 22 april 2026 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 23 april 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat gespecialiseerde traumazorg en suïcidepreventie in Duitsland beperkt toegankelijk zijn voor asielzoekers door beperkte capaciteit, lange wachtlijsten en taalbarrières. Hij verwijst in dat kader naar het AIDA Country Report Germany (Update 2024) van juni 2025. Zijn eigen ervaringen in Duitsland bevestigen deze problemen. Hij heeft zes maanden moeten wachten op tandzorg en deze vervolgens zelf moeten betalen terwijl hij geen geld had. Zijn klacht bij de verantwoordelijke sociale instantie leverde niks op. Eiser stelt verder dat hij lang moest wachten op onderwijs en dat hij geen passende huisvesting kreeg in Duitsland. Voorts stelt eiser dat, omdat zijn asielverzoek in Duitsland reeds is afgewezen, het de vraag is of hij bij terugkeer toegang krijgt tot een opvolgende asielprocedure die aan alle daaraan te stellen eisen voldoet. Het is ook onduidelijk of hij in Duitsland voorafgaand aan een uitzetting toegang heeft tot effectieve, kosteloze rechtsbijstand. Eiser vreest voor indirect refoulement. Gelet op eisers jonge leeftijd, zijn slechte psychische toestand, de taalbarrière en het gebrek aan rechtsbijstand kan verweerder niet zonder nader onderzoek aannemen dat eiser in Duitsland effectief kan klagen of zorg kan afdwingen.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4770, bevestigd dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).
Eiser heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat ten aanzien van Duitsland niet zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel verwezen naar het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024). De Afdeling heeft onder meer in de uitspraak van 11 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3661) geoordeeld dat uit de AIDA-rapporten niet kon worden afgeleid dat in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure. De rechtbank ziet in het AIDA-rapport, update 2024 geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen. Uit het AIDA rapport blijkt namelijk dat asielzoekers in Duitsland toegang hebben tot medisch noodzakelijke zorg. Ook is er gespecialiseerde zorg voor getraumatiseerde asielzoekers aanwezig. Het rapport maakt weliswaar melding van moeilijkheden bij het verkrijgen van deze zorg, maar uit het rapport kan niet worden afgeleid dat het voor grote aantallen asielzoekers structureel niet mogelijk is om toegang tot gespecialiseerde psychische zorg te krijgen.
De rechtbank is van oordeel dat ook uit eisers verklaringen over zijn eigen ervaringen in Duitsland niet blijkt dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft verklaard over de lange wachttijd en de kosten van de tandzorg, de lange wachttijd voor het krijgen van onderwijs en het niet krijgen van passende huisvesting in Duitsland. Hierover wordt overwogen dat verweerder terecht stelt dat van eiser wordt verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen beklaagt bij de (desnoods hogere) Duitse autoriteiten en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet mogelijk is of dat de Duitse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). De enkele verwijzing naar eisers leeftijd, de taalbarrière en zijn (niet onderbouwde) psychische toestand en de (niet onderbouwde) stelling over rechtsbijstand maken niet aannemelijk dat klagen in eisers geval niet mogelijk is. Daarbij wordt opgemerkt dat eiser heeft verklaard dat hij bij ‘Social’, een soort COA in Duitsland, zelf een klacht heeft ingediend.
Duitsland heeft het claimverzoek geaccepteerd. Hiermee hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd dat zij eisers (opvolgende) asielverzoek in behandeling nemen. Duitsland is daarbij gebonden aan de internationale regels op het gebied van het asielrecht, waaronder de regels omtrent rechtsbijstand. Dat geldt ook indien Duitsland op enig moment zou besluiten om eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst. Voor zover eiser meent dat Duitsland zich niet aan deze internationale regels houdt, ligt het op zijn weg om zich daarover te beklagen in Duitsland.
Nu ten aanzien van Duitsland in zijn algemeenheid uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, is er in deze procedure geen plaats voor beoordeling van eisers beroep doet op indirect refoulement. Verwezen wordt in dit verband naar de Afdelingsuitspraak van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359).
De beroepsgrond slaagt niet.
Medische situatie
4. Eiser stelt dat hij ernstige psychische klachten heeft. In zijn land van herkomst heeft hij gezien dat zijn moeder werd vermoord. Hij kampt met terugkerende suïcidale gedachten en heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij bij een overdracht aan Duitsland liever zelfmoord pleegt. Tijdens het gehoor raakte hij zichtbaar overstuur. Eiser wijst er op dat verweerder in eisers uitlatingen en gedrag aanleiding heeft gezien een melding te maken. Eiser voert aan dat verweerder zijn medische situatie nader had moeten onderzoeken. Eiser beroept zich daarbij op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127). Verder had de kwetsbaarheid van eiser verweerder in ieder geval aanleiding moeten geven om individuele garanties bij de Duitse autoriteiten te vragen over opvang en zorg. Eiser meent dat hij in Duitsland niet adequaat behandeld kan worden voor zijn klachten. Hij verwijst daartoe naar het AIDA rapport (update 2024) over de problemen bij het verkrijgen van gespecialiseerde traumazorg en suïcidepreventie. Het delen van medische informatie bij de feitelijke overdracht waarborgt volgens eiser ook onvoldoende dat hij in Duitsland de benodigde zorg zal krijgen.
Wat eisers beroep op het arrest C.K. betreft, overweegt de rechtbank dat eiser niet aan zijn bewijslast heeft voldaan nu hij geen medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van (de ernst van) zijn gestelde klachten. Het is de rechtbank daardoor niet gebleken dat en met welke klachten eiser kampt en evenmin dat eiser onder behandeling staat van een arts. Dat eiser tijdens het gehoor emotioneel was en aangaf terugkerende suïcidale gedachten te hebben, ook in verband met een eventuele overdracht aan Duitsland, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten naar eisers medische situatie en de gevolgen daarvoor van een overdracht aan Duitsland. Eiser kan daarom geen geslaagd beroep doen op het arrest C.K. De rechtbank overweegt verder dat op grond van het eerder besproken interstatelijk vertrouwensbeginsel er in het algemeen vanuit kan worden gegaan dat er in Duitsland vergelijkbare medische zorg is als in Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een medische behandeling nodig heeft die hij in Duitsland niet kan krijgen. Ook in dit verband is van belang dat eiser zijn medische situatie en stelling over een benodigde behandeling geenszins heeft onderbouwd. Eiser heeft, om dezelfde reden, ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712). Verweerder was daarom niet gehouden om voor eiser individuele garanties bij de Duitse autoriteiten over opvang en zorg te vragen. Tot slot heeft verweerder er ter zitting terecht op gewezen dat (medische) gegevens van eiser kunnen worden uitgewisseld tussen Nederland en Duitsland, waardoor de autoriteiten van Duitsland voor de overdracht over eventuele bijzondere (medische) behoeften van eiser worden geïnformeerd.
De beroepsgronden slagen niet.
Onevenredige hardheid
5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens vaste Afdelingsjurisprudentie moet verweerder bijzondere individuele omstandigheden kenbaar en in samenhang wegen en beoordelen of overdracht tot onevenredige hardheid leidt. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte niet (in samenhang) heeft betrokken dat eiser een jongvolwassene is, dat hij een oorlogstrauma heeft, dat hij getuige is geweest van de moord op zijn moeder, dat hij ernstige psychische problemen heeft, dat hij in Duitsland geen netwerk heeft en dat hij tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland negatieve ervaringen heeft opgedaan.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals die ten tijde van belang gold, trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc.
Wat eiser heeft gesteld over zijn eerdere ervaringen in Duitsland is al beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze stellingen kunnen op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat eisers overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook in de overige stellingen van eiser geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. Van belang daarbij is dat eiser zijn psychische problemen niet heeft onderbouwd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.