ECLI:NL:RBDHA:2026:27818

ECLI:NL:RBDHA:2026:27818

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer NL26.31083
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin/Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dublinverordening, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.31083

(gemachtigde: mr. M. Taheri),

en

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.31084), op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 24 februari 2026 ingediend.

Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 14 december 2025 illegaal het grondgebied van de Dublinlidstaten is binnengereisd via Spanje. Eiser deed dit binnen 12 maanden voordat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Volgens artikel 13, eerste lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is Spanje daarom verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Op 1 april 2026 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Spanje heeft dit verzoek op 10 april 2026 op dezelfde grondslag aanvaard.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank

3. Eiser voert aan dat er concrete aanwijzingen zijn dat Spanje zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Spanje is eerder op mensonterende wijze met eiser omgegaan. Eiser was op doorreis en is onderweg in Spanje aangehouden. Hij is meegenomen naar het politiebureau en werd vervolgens 50 dagen lang vastgehouden in een kamp zonder rechtsbijstand of duidelijke informatie over zijn procedure. Eiser moest verplicht zijn vingerafdrukken afgeven zonder uitleg te krijgen waar dit voor diende. Tot slot hebben de Spaanse autoriteiten hem geforceerd om het grondgebied van Spanje te verlaten. Eiser doet een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer in de uitspraken van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5661), 16 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2492) en 1 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2492), geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Spanje geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Spanje. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft geen objectieve landeninformatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje ingebracht.

Over het hebben moeten afgeven van vingerafdrukken wordt overwogen dat lidstaten op grond van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 603/2013 (Eurodacverordening) verplicht zijn om vingerafdrukken af te nemen van illegale vreemdelingen die het grondgebied van de lidstaat binnenkomen. Indien eiser meent dat zijn vingerafdrukken onrechtmatig zijn afgenomen door de Spaanse autoriteiten of dat hij hierover onvoldoende is voorgelicht, geldt dat hij zich hierover had moeten beklagen bij de Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit heeft gedaan en dat de Spaanse (hogere/rechterlijke) autoriteiten hem niet konden of wilden helpen.

Eisers verklaringen over wat hij in Spanje heeft meegemaakt bevatten evenmin concrete aanwijzingen dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling als hiervoor bedoeld. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij in Spanje in een kamp heeft verbleven, waar hij driemaal per dag te eten kreeg. Hij heeft ook verklaard dat hij hier niet goed behandeld werd omdat zijn verzoeken rondom externe loges altijd werden afgewezen en hij soms werd geduwd door beveiligers. Hij heeft hiertegen geen klacht ingediend. Hij heeft verder verklaard dat hij vrij was om de opvang te verlaten, als hij bijvoorbeeld naar de winkel of de moskee wilde. Uit hetzelfde gehoor volgt dat de opvang in Spanje is beëindigd omdat eiser geen asiel aan wilde vragen. De autoriteiten hebben eiser naar de grens gebracht waarna hij verder kon reizen. De rechtbank overweegt hierover dat, nog daargelaten dat uit deze verklaringen volgt dat eiser opvang heeft gekregen en hij zich vrij heeft kunnen bewegen in Spanje, eisers verklaringen zien op een periode waarin hij illegaal in Spanje heeft verbleven. Omdat eiser geen asiel had aangevraagd, heeft hij geen eigen ervaringen opgedaan met de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Spanje. Na een overdracht zal zijn status anders zijn. Hij zal terugkeren als Dublinclaimant. Met het claimakkoord hebben de Spaanse autoriteiten gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te zullen nemen. Zij zijn daarbij gebonden aan de internationale regels die gelden op het gebied van het asielrecht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Spanje hem in strijd met deze regels zal behandelen. Als eiser na overdracht aan Spanje problemen ondervindt, dient hij zich te beklagen bij de Spaanse autoriteiten of daar om hulp te vragen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.

Het voorgaande betekent dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft kunnen uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Verweerder heeft ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje, van de Vreemdelingencirculaire 2000 onverplicht aan zich te trekken. Dat eiser ter zitting stelt dat hij kampt met medische problemen waardoor het moeilijk is voor hem om naar Spanje terug te gaan, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd die zijn stellingen onderbouwen. Daarbij mag verweerder er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, vanuit gaan dat Spanje over vergelijkbare medische voorzieningen als Nederland beschikt. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Spanje onevenredig hard is.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Griffier

  • mr. E. op den Kamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand